............ DE PAUW

 

 

 

* hoek Steenweg-Munsterplein

Laatst gewijzigd: 03-05-2018 © Jan Ruiten

DE GULDEN PAUW
Steenweg 23-25

De naam van De Pauw kwam in de stad als huisnaam enkele keren voor, zij het steeds in een andere periode. Het oudst was tot 1603 de gelijknamige herberg achter de Muur, nu Roersingel, rechts van de Brugstraat. Vervolgens was de naam van De Pauw (1660) verbonden met het huis op de hoek van de Markt aan de St. Joris-put, voorheen De Emmerick genoemd. Voor en na 1700 stond de herberg annex wijnhuis aan het eind van de Steenweg (nu nr. 23) onder het teken van De Pauw. De geschiedenis van dit pand, met het ernaast gelegen klein huis, nr. 25, wordt beschreven in onderstaand opstel.

In oude tijden lag op de hoek van de Steenweg en de St. Jorisstraat het Grote Gasthuis met de st. Joris-kapel. Volgens een akte, opgesteld in november 1612, lag op de hoek, genaamd St. Joris-oord*, een huis, oostwaarts grenzend aan de kapel en noordwaarts (richting Markt) het huis Den Tymmerman, de woon- en werkplaats van de stadstimmerman. Het huis in kwestie werd toen verkocht aan schrijnwerker Baltus Meuwis. Een jaar later kocht Meuwis van de gemeente ook het huis ernaast, evenals bij de vorige overeenkomst te betalen met 200 gulden. Het zal geen groot huis geweest zijn. (HGR inv.nr. 313-f.111 en f.129.)

Ook de stadstimmerman Lodewijk Turfkoul kon op die manier in mei 1613 zijn huis uitbreiden, met een nieuwe aankoop van gemeentegrond voor eveneens 200 gulden. Hij was echter niet in staat om de nieuwe aankoop te betalen. In juli 1616 verkocht het echtpaar Turfkoul het huis terug aan de stad. Het huis werd doorverkocht aan de buurman, gemeentesecretaris Peter Bossman en vrouw Judith. (HGR inv.nr. 313-f.101 en f.130.)

Jaren nadien, in augustus 1623 verkocht Baltus Meuwis zijn huis, grenzend aan Bossman, aan het echtpaar Claessen-Vlodrop. Het huis Den Tymmerman zou dan het tweede huis vanaf de hoek zijn geweest. Daarnaast lag voorheen de grote school: in 1615 beschreven als “de woonplaetse der olde schole”, terwijl de nieuwe school nabij de stadskerk was gelegen. (HGR inv.nr. 314-f.53.)

Het vierde huis vanaf de hoek stond toen op naam van jonker Hertevelt, met de grote kamer en ernaast de winde, de gang naar het erf achter het huis. (Nu is dat Steenweg nr. 21.) De huisplaats werd achterlangs uitgebreid tot aan de rosmolen. In ruil daarvoor liet Hertevelt aan de stad een huis en tuin aan de Hegstraat tot gerief van het aanpalende bisschoppelijk hof. (HGR inv.nr. 313-f.64.)

1612-1661
jkr van Loon
jkr. Rave

In augustus 1612 verkocht de peiburgemeester namens de stad “het groot huyss van de alde schole”, met de achterliggende tuin eveneens tot aan de rosmolen en verder de poortweg met de timmerplaats waarop de put stond. Noordwaarts grenzend aan het huis van jkr. Hertevelt en zuidwaarts aan het pand Den Tymmerman. Voor 1600 gulden gingen huis en hof over op de edele Symon Peter van Loon en vrouw Catharina Kehr. Symon Peter werd in daaropvolgende akten als jonker aangemerkt. (HGR inv.nr. 313-f.102.)

In augustus 1620 komen we in de stad Joanna Christina Loon tegen, in huwelijk met de erentfeste Francesco Capello. Haar vader is voor oktober 1627 gestorven. Christina trouwde in tweede huwelijk met jonker Johan Rave uit Amby. Naar hem is Ravenhof, een pachtboerderij in de Linnerweerd, vernoemd, en mogelijk eveneens afkomstig van zijn schoonouders.

Jonker Rave nam in oktober 1633 met de gebruikelijke handelingen het huis op de Steenweg over. Een huis in bezit nemen gebeurde toen nog volgens aloude gewoonte, middels het openen en dichtdoen van de deur, het stoken van het vuur en het schorren van de haal boven het vuur, met eten en drinken, met het snijden van een tak van de boom en eventueel een spade in de grond steken. Tot ver in de 18e eeuw was dit naar landstraditie nog gebruikelijk. (HGR inv.nr. 315-f.74.)

Jonker Rave woonde zelf in Amby. Het huis op de Steenweg zal dus verhuurd zijn. Naderhand stond het huis op naam van hun zoon Hans Leonard Rave. Deze verkocht het huis in november 1661 voor 1212 rijksdaalders aan het echtpaar Melis. De boerderij in Linne werd door zijn zuster Herberta enkele decennia later in 1708 verkocht aan schepen Coolen uit Roermond en is tot heden van generatie op generatie vererfd. (HGR inv.nr. 317-f.81.)


De twee panden links van De Pauw vormden begin 17e eeuw samen het woonhuis van jonker Hertevelt.
De voormalige herberg De Pauw werd eerst in het laatste kwart van de 19e eeuw opgedeeld in twee afzonderlijke panden.
Het zogenaamde klein huis is eveneens in latere tijd nieuw en groter opgebouwd.
Afb. GAR: gevels

1661-1708
familie Melis

De familie Melis in De Gulden Pauw...
Everardt Melis en Catharina Meerdts kwamen we al tegen in de beschrijving van het huis De Emmerick in de Neerstraat, waar hun (schoon)moeder en haar derde man goed geld verdienden. Hun oom Werner Schalck, korte tijd schout te Roermond, bestierde toen Het Hertzhoorn onder aan de Markt. Als buren op de Steenweg noemen we hier Catharina Peters de Lange, de rijke weduwe Spee, en aan de andere kant het voormalige pand In den Tymmerman van de weduwe Henrick Fredericx.

Al sedert 1657 was landmeter Gerardt Avenet een vaste klant in de herberg van Melis wegens maaltijden en gedronken wijn. Gedurende twee jaar tijds was de rekening opgelopen tot 142 gulden. Minus een eerste aanbetaling resteerde alsnog een schuld van 101 gulden. Na meerdere aanmaningen zocht de herbergier in september 1661 zijn heil bij het gerecht. Avenet verweerde zich o.a. dat hij in de tussentijd elders werkzaam was geweest. Daarbij kwam, dat hij, Avenet, als pachter van de accijnsen, van de herbergier nooit opgave heeft gekregen van ingehaalde Spaanse wijnen.

Everart Melis ontkende, dat in zijn herberg Spaanse wijn geschonken werd en dat Avenet altijd toegang had om zijn kelder te visiteren. Mocht hij ooit wijn hebben aangetroffen waarop geen accijns was betaald, dan zou Avenet die meteen in beslag hebben genomen, zoals bij Lockermans (in de Brugstraat) en meer anderen was gebeurd. (HGR inv.nr. 142-1051.)

Het zou dus kunnen, dat Everart Melis in het pand op de Steenweg als huurder herberg hield nog voor de aankoop in november 1661.

Het huis van herbergier Melis op de Steenweg viel ten prooi aan de stadsbrand van 1664. Om de nieuwe timmer te kunnen bekostigen ontbrak het nodige geld, o.a. een lening van 107 rijksdaalders die hij had uitstaan op de (afgebrande) huisplaats van procureur Johan Craen. Deze was evenals zijn vrouw overleden en de grootouders van de kinderen weigerden de nalatenschap aan te nemen. (HGR inv.nr. 145-1140.)

Het nieuwe huis De Pauw op de Steenweg groeide uit tot een van de betere herbergen in de stad en dan vooral als wijnhuis. Een geduchte concurrent van het uitspansel De Drie Kronen op de Varkensmarkt. Dat blijkt o.a. uit een naijverige ruzie tussen de twee herbergiers en hun vrouwen. De tienmannen van de stad waren gewoon om hun jaarzitting in laatstgenoemde herberg te houden. In 1673 kozen zij voor De Gulden Pauw, met een ordinaire straatruzie tussen de twee herbergiersters tot gevolg, die we hier nog eens opvoeren. De weduwe Melis was ondertussen in januari 1672 hertrouwd met Johan Vechmer.

Op een vroege zomeravond in 1673 was er nog veel volk op de been, merendeels afkomstig van een niet nader genoemde aktie van de paters jezuïeten. Toen moeder en dochter uit De Pauw op de Steenweg huiswaarts keerden, in gezelschap van griffier Winckels, kon Bernardt Chanoine het niet laten, staande voor zijn huis, om in het gezelschap met luide stem te spreken: "Men ziet nu wel: die de teuwen heeft in huis, daar staan de rekels voor de deur!" Iemand zou toen hebben opgemerkt, wat het dan niet moest geven wanneer het dochtertje van Chanoine tot haar jaren zou komen: de poort van De Dry Bovenste Croonen was nu al sterk bepist! Naderhand was het tussen de vrouw van Chanoine en vrouw Vechmer uit De Pauw tot een ordinaire scheldpartij gekomen op de vismarkt.

Catharina Meerts moest toezien, dat de vrouw van Chanoine de snoek en meer andere vissen kreeg, die zijzelf ook had willen hebben om haar gasten voor te schotelen. Maar Aldegonda had de vis al de vorige dag aanbetaald. Zij liet overigens weten, dat zij van plan was met de herberg te stoppen en al geregeld de gasten naar De Pauw had doorverwezen. Maar ze kon het ook niet nalaten te pronken, dat zijzelf de voornaamste onder de herbergen hield, waar de hoge heren kwamen logeren. "Ende du moetst lijden, dat ick de principaelste ben, ende dat alle de groote heeren bij mij logeren. Ende du sous sooveel volcks niet hebben als ick dich de gasten daechelijcx niet toe en wees."

De vrouw van Anthoin Vechmer sneerde terug, dat zijzelf in haar eigen herberg woonde en Chanoine enkel als huurder. Zij was zeker van geen marsdraegers-volck of van schouwvegers-aert . Ook was zij hier niet op een stroywisch komen aandrijven, maar met twee karren volbeladen vanuit Weert, alwaar haar vader twee keer burgemeester was geweest. Vrouw Chanoine kaatste terug, dat ze zich niet als fijne "joffer" hoefde voor te doen, daar ze in Weert in haar jonge jaren, achter de koeien had gelopen.

Toen er geen kijvende woorden meer te binnen schoten, begon het schelden pas goed. Vrouw Vechmer maakte de herbergierster in De Dry Croonen uit voor "adel van Savoyen" , waarmee marskramers bedoeld werden, die (vooral onder de cremers in de stad) de minder gunstige faam hadden, waarmee ook Gasconniers, Gentenaers, Mechelers en ander dergelijk volk werd toebedeeld.

De aanleiding van het misnoegen tussen beide partijen was deels te zoeken in de zogenaamde tienmans-wijn. Burgemeester Zoutelande had aan de vrouw van Chanoine beloofd dat het gelag in haar huis zou worden gedronken, maar de eer viel dat jaar (1673) toch aan de herbergier in De Pauw toe. Chanoine getuigde, dat hij daarover geenszins afgunstig was geweest. Nu kon Vechmer immers op de placebo spelen, tot vermaak van de gasten. Het jaar daarop werd de tienmans-wijn dan toch gedronken ten huize van Chanoine, toen nog herbergier in de Bovenste Dry Croonen.

In het proces werden heel wat getuigen opgeroepen, hetgeen een dik pakket aan stads volkstoneel heeft opgeleverd. Jammer genoeg zijn alle stukken aan de bovenkant (door vuur) beschadigd. Daardoor klinken veel getuigenissen gebrekkig door naar het heden. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 156-1310.)

Over de jaren 1670 tot 1685 werd het wijnhuis De Pauw verhuurd aan Johan Michael Adenauw, ook wel genoemd als Aldenhoven. Dit blijkt uit een proces dat in 1706 werd gevoerd tussen diens erfgenamen en de weduwe Vechmer, Catharina Melis. Haar man kwam er vaak een wijntje drinken, alleen of in gezelschap, en ook lieten zij er door de meid wijn halen per kan. Uiteindelijk zou hierover nog een rekening van liefst 129 rijksdaalders open staan. Volgens de weduwe Vechmer, had haar man zaliger nog kort voor zijn dood verklaard dat alle schulden aan de buren vereffend waren. (HGR inv.nr. 207-2324.)

In oktober 1686 beleenden Catharina Meerts, laatstweduwe van Anthoin Vechmer, en haar zoon Philippus het groot huis De Pauw met 300 rijksdaalders. Als bijpanden werden genoemd een akker in het Roermondse veld en een zegelbrief van 900 rijksdaalders, staande op het huis De Emmerick in de Neerstraat. De lening werd in februari 1698 afgelost door dhr. Vernick van Thoor namens de weduwe Melis. Maar niet zonder dat daarvoor eerst het gerecht moest worden ingeschakeld. (HGR inv.nr. 319-f.246.)

1 voeder = 6 amen
= 875 liter

In die tijd, eind 1688 werd ook proces gevoerd voor het Hoofdgerecht wegens een achterstallige (rest)schuld van 45 rijksdaalders betreffende een voeder wijn uit het Rijnland, die die witw Mehlis in der Pauwen nog aan de wijnkoopman J.B. Siberius uit Neuss te betalen had. Dat was ruim vier jaar na levering en een jaar na de afgesproken termijn.

De weduwe Melis had buiten de goederen te Beesel ook een hof van zo'n twaalf bunder in de buurtschap Oler over de Maas. Deze hof was belast met een erfpacht van drie malder rogge aan de bedienaar van het altaar van Petrus en Paulus te Thorn en een malder aan de kapelaan aldaar. In oktober 1693 werd zij er op aangesproken dat zij hieraan gedurende enkele jaren niet meer had voldaan. Catharina Meerts verweerde zich, dat er in die tijd geregeld legervolk door het gebied trok, waardoor de oogst op het veld zodanig was verdorven, dat zij uit de opbrengst deze lasten niet kon betalen. (HGR inv.nr. 192-2009.)

Het zijn dit soort akten die nog enige informatie over de huizen en eigenaars geven. In maart 1701 werd het huis op de Steenweg met twee leningen belast, o.a. wegens een schuld van 150 rijksdaalders voor geleverde wijn. Dit keer door de weduwe en haar twee zoons, genoemde Philip en diens broer Christoffel Melis, kapitein. De eerste lening betrof 100 pattacons door laatstgenoemde en de andere lening bedroeg 200 ducatons met het kindsdeel van beide broers als onderpand.

De geldschieter was hun nieuwe huurder, peiburgemeester Matthijs Vallen. Hierbij werd bedongen, dat hij vanaf komende Pasen de rente met de huur mocht verrekenen. Indien na vijf jaar het kapitaal met rente zijn afgelost, dan mocht Vallen de huur voortzetten op dezelfde voet als schepen Bongaerts voor hem. Bij de ondertekening werden ook genoemd de voogden van de kinderen van hun zusters. (HGR inv.nr. 322-f.124.)

Begin december 1708 werd het eens zo trotse groot huis De Pauw bij openbare zitting door de erfgenamen Melis verkocht. Verkopers waren Maria Elisabeth Melis, weduwe van ritmeester Guido, dhr. Philip Melis en een vertegenwoordiger van hun broer Christoffel Melis, kapitein van een compagnie carabineri, en van J. Schoon, kapitein van grenadiers, beiden in dienst van de keurvorst van Beieren, allen erfgenamen van Catharina Meerts hun (schoon)moeder.

J. Schoon blijkt identiek met Jacob Caspar Schou, in 1697 nog als cornet in dienst van de hertog van Beieren (Bavaria ducis). Hij was getrouwd met Beatrix Melis, de weduwe Joris.

Het groot huis De Pauw op de Steenweg met de achterliggende moesgarde en de stal, werd toen gesitueerd tussen het klein huis van de verkopers en aan de andere kant de woning van “den onnooselen Spee”. De lycop (het gratis drinken voor de aanwezigen) was voor de twee zittingsdagen samen bepaald op 24 potten wijn.

Het huis werd ingezet op 2000 pattacons, waarvan de bode telkens 10 pattacons in mindering bracht tot iemand zou “mijnen”. Daarna kon het hogen beginnen; in dit geval werd bij de stand van 1400 gemijnd. Uiteindelijk, bij het opbranden van de kaars op de tweede zitdag gingen huis en hof voor 1650 pattacons, plus lieffenisse en kosten, over op dhr. controleur van het Hoofd-comptoir van Zijne Majesteits licenten in de stad Petrus Ignatius van der Vrecken. (HGR inv.nr. 323-f.32v.)

Na de verkoop van het groot huis, De Pauw, behielden verkopers het klein huis ernaast. In juni 1716 hadden Peter Snoeck en zijn vrouw Maria Margaretha laVerdure haar tochtrecht, als weduwe van Philip Melis, op het klein huis ingezet tot onderpand van een schuld van 36 pattacons bij advocaat Petrus Petit. (HGR inv.nr. 325-f.69v.)

1708-ca. 1810
Vrecken-Vernick
Meijer-Vrecken

de erfgenamen Van der Vrecken...
Het huis was toen al sinds jaar en dag verhuurd. De nieuwe eigenaar behield tevens het recht op gebruik van de waterput met de pomp, onderdeel van het klein huis, onder voorwaarde van gemeenschappelijk onderhoud. (HGR inv.nr. 323-f.33.)

De nieuwe eigenaar was zeker geen onbekende van de familie Melis. Hij was getrouwd met Maria Catharina Vernick van Thoor. Haar moeder was weduwe uit eerste huwelijk met Matthijs Dorss, stiefvader van Evert Melis. Zie stamboom hierboven. Het echtpaar Vrecken was via diezelfde lijn in eigendom gekomen van de nachtherberg De Stadt Emmerick in de Neerstraat, kortweg Den Emmerick genoemd. Zij zouden spoedig hun intrek nemen in het huis op de Steenweg.

Het echtpaar Van der Vrecken-Vernick van Thoor verwierf naderhand in 1720 de pachtboerderij Heijsterhof in de Linnerweerd. Tevens waren zij via vererving eigenaar van genoemde herberg in de Neerstraat. Op zeker moment verhuisde het gezin van daar naar het groot huis op de Steenweg, dat toen geen herberg-functie meer had.

Drie jaar later, in mei 1723 kocht P.I. van der Vrecken de halve eigendom van het leengoed Roerbosch, tegenwoordig Hattem genoemd. In 1715 was dit halve deel van de boerderij en landerijen met 600 pattacons beleend bij dhr. Vernick van Thoor, en vier jaar later nog eens met 400 pattacons bij diens schoonzoon, de controleur. Het leengoed werd in 1771 verkocht. Van een edel woonhuis was toen nog geen sprake, alle beweringen ten spijt. Eerst drie jaar later werd daar door de nieuwe eigenaar het huidige "kasteeltje" gebouwd, mogelijk op eeuwenoude fundamenten uit lang vervlogen tijd.

Het huis op de Steenweg werd vererfd op hun dochter Isabella Barbara van der Vrecken (1716-1793), in huwelijk met Peter Franciscus Meijer (1713-1763), schout van Roermond. Het gezin Meijer is hier inderdaad gaan wonen. Schout Meijer stierf in mei 1763 in domi sua, sita in platea lapidea: in zijn huis op de Steenweg. Zijn weduwe sleet hier haar oude dag tot haar overlijden in januari 1793. Het klein huis ernaast was verhuurd. Beide panden gingen over op hun zoon Baltasar (1754-1830). Hij woonde met zijn vrouw in hun huis in de Munsterstraat (nr.10).

ca. 1810-1879?
Lemmen-Pruijmboom
Imkamp-Lemmen

winkel in koloniale waren...

Voor het vervolg zijn we in eerste instantie aangewezen op de diverse huizenlijsten van deuren en ramen en daaropvolgend de kadastrale gegevens begin 19e eeuw. Het zijn deels anderssoortige bronnen om te raadplegen. Rond 1800 waren beide panden afzonderlijk verhuurd. In Het zogenaamde groot huis woonde Arnould Janssens, rentenier en in het klein huis slotenmaker J. Thissen. Zij werden respectievelijk aangeslagen voor 31 en 12 portes et fenêtres. Rond 1840 blijken hier op het eind van de Steenweg, hoek Munster, meerdere panden en erven op naam te staan van Johan Sebastiaan Lemmen, in huwelijk met Anna Gertrudis Pruijmboom. Beiden waren geboortig van Venlo, maar trouwden in februari 1810 te Roermond.

De koopman Sebastiaan Lemmen (1781-1851) was een zoon van Lenard Lemmen en Catharina Mulders. Zijn moeder was getrouwd hertrouwd met in Zijn vrouw Gertrudis Pruijmboom (1772-1837) was een dochter van Anton Pruymboom en Marie Luckers. Zijn moeder was hertrouwd met Ambroise Moreau, entrepreneur des travaux, ofwel aannemer. Zij stemden officieel in met het huwelijk tussen hun (stief)zoon en de weduwe Tronquet.

De bruid was toen weduwe uit eerder huwelijk met wijnkoopman François Tronquet (1768-1807). Uit dat huwelijk waren drie kinderen geboren, waarvan naderhand alleen nog de twee dochters werden genoemd. Uit dat eerste huwelijk stamde het huis op de hoek van de straat, afkomstig van zijn ouders. Verder had Gertrudis Pruijmboom als weduwe in januari 1808 hier een huis gekocht. Gezien de regenoten, blijkt dat het huis te zijn, waar dit opstel over gaat. Het was het sterfhuis van de weduwe Meijer. Deze twee panden stonden in 1843 op naam van Lemmen.

Verkopers waren de echtelieden Balthasar Meijer en Anne Catherine Messmecker voor de prijs van 3.555 francs. Dat zou omgerekend in oude munt neerkomen op zo'n 890 pattacons. De koopsom bleef voorlopig als hypotheek op het huis blijven staan. (GAR, archief notarissen 10.54: L.Dirix, volgnr. 7.)

In maart 1811 kochten "maitre du billard" Sebastien Lemmen en zijn vrouw het tweede pand vanaf de hoek. Verkopers waren de ex-kloosterlinge Catharine Geelen, die mede handelde namens Michel Körner, bakker te Brussel. Het huis met erf en tuin werd gemeten op 5.75 are, hetgeen overeenkomt met de meting in 1843. Het erf liep toen nog door tot aan de uitgang, die achterlangs uitkwam in de straat aan het Munster. (J.M. Körner, volgens ondertekening brevet, was zoon (geb. 1780) echtpaar J.P. Körner-Janssen. Identificatie Cath. Geelen niet bekend.)

Volgens de notaris-akte was het huis in maart 1801 aangekocht van de erfgenamen van dhr. Crebber, priester, en sinds 1751 nog steeds belast met een som van 200 pattacons bij buurman Meijer. De koop werd gesloten voor 400 francs. (In oude munt 100 patt.) (GAR, archief notarissen 7.362: H.A.Milliard, volgnr. 65.)

In de lijst van ramen en deuren uit 1812 stonden hier al drie huizen op naam van J.S. Lemmen. Zelf woonde het gezin in het groot huis, in 1808 door Gertrudis Pruijmboom als weduwe aangekocht. Het huis ernaast stond nog op naam van Meijer. Het volgende huis had Lemmen verhuurd aan de weduwe Van der Renne en in het hoekhuis, in feite op naam van de kinderen Tronquet, woonde dhr. Ernst Petit.

Het zogenaamd klein huis was eveneens overgegaan op Balthasar Meijer, die het huis in februari 1821 verkocht aan het echtpaar Pangels-Perrey. Bernard Pangels stierf eind oktober 1824 en het huis vererfde geheel op zijn vrouw. Zij doneerde het huis per testament in 1827 aan haar drie neven. Johan en Nicolas Perrey verkochten hun deel in februari 1831 onderhands aan Frans Ubben, kleerverkoper. Hun broer Jozef Perrey, woonachtig te Heinsberg, verkocht tenslotte zijn derde deel in november 1832 voor 100 gulden en de last van 525 gulden staande op het hele huis sinds de aankoop van het echtpaar Meijer. (GAR archief notarissen 12.123: F.W.Milliard, volgnr. 364.)

Dochter Hubertina Lemmen (1817-1878) trouwde in februari 1843 onder huwelijkse voorwaarden met Christiaan Imkamp (1810-1879), zoon van het echtpaar Imkamp-Inderhees uit Breyel (D). Zij zetten de zaak in koloniale waren voort. In januari 1857 kochten zij de tussenliggende woning met aankleven van buurman Frans Ubben. Hiermee stond de hele blok vanaf het huidige pand 23 tot aan de hoek met het Munsterplein op naam van de erfgenamen Lemmen. (GAR, archief notarissen 12.467: F.W.Milliard, volgnr. 2.)

Het kaartje toont het voormalige pand De Pauw (binnen de rode lijn) op z'n grootst midden 19e eeuw. Samen met de overige panden op de hoek Steenweg-AantMunster (binnen de blauwe lijn), alles bij elkaar op naam van de erfgenamen Lemmen-Pruijmboom. Alleen het tussenpand van Ubben -het voormalige "klein huis"- ontbrak en werd in 1858 door schoonzoon Imkamp aangekocht. Het hoekhuis (nr. 590) stond op naam van de twee voordochters van Gertrudis Pruijmboom.

Na het overlijden van beide echtelieden besloten de kinderen Imkamp om over te gaan tot verkoop. Die zou plaats vinden in juli 1879. De eerste koop betrof twee nieuw gebouwde herenhuizen met tuin, remise, bergplaats en paardenstal op de hoek van de straat met het Munsterplein, samen groot 6.25 are. Dit huis had hun vader verworven bij de openbare verkoop in juli 1869 door de kinderen Anderheggen. Het pand werd sindsdien verhuurd. Bij koop twee was sprake van een groot doortimmerd huis met opvaart, remise, tuin, pakhuis en achterkeuken, groot 6.05 are. Bij koop drie werd geboden op een renteniershuis met erf op de Steenweg, groot 1 are, het sterfhuis van hun vader. (GAR: Nieuwsblad van Roermond, dd. 12-7-1879.)

Ook buiten de stad was het echtpaar Lemmen-Pruijmboom rijkelijk gegoed met meerdere percelen akker- en weiland te Swalmen, Maasniel, Horn, Maasbracht en buiten de binnenstad. Het erfdeel van hun ongehuwde zoon Frans Lemmen bestond uitsluitend uit percelen land en enig kapitaal, samen ter waarde van 10.445 gulden. Daar kon hij goed van rentenieren. Ook zijn twee zussen erfden goederen en geld van gelijke waarde. Hun halfzussen, de twee dochters Tronquet erfden naast hun gezamenlijk erfdeel het kapitale huis op de hoek van de straat. (GAR, archief notarissen 13.166: J.A.Dirix, volgnr. 98: deling erfg. Lemmen.)

In die jaren woonde Frans Lemmen (1814-na 1875) in het huishouden van zijn schoonbroer Peter Johan Anderheggen. In zijn jonge jaren werd hij nog tabaksfabrikant genoemd. Achter het ouderlijk huis stond inderdaad een gebouw dat als tabakskerverij werd gebruikt. Naderhand was hij gaan rentenieren. Over zijn verdere levensloop zwijgen de archieven. De zoektocht naar zijn verdere levensloop liep voortdurend op niets uit. In oktober 1869 werd hij nog genoemd als grondeigenaar te Herten. In juni 1875 liet hij dan toch nog van zich horen. Hij woonde toen als rentenier te Brussel en had notaris Cornelissen opdracht gegeven zijn goederen uit erfenis van zijn ouders te verkopen. In Roermond staat zijn vertrek uit de gemeente niet in de Bevolkingsregisters aangetekend. (GAR: De Volksvriend dd. 19-6-1875.)

Zowel de huisplaats van De Pauw rond 1700 als ook die van het toenmalige klein huis waren beide bij de verkoop betrokken; toen onder de perceelnummers 1916 en 1915. Met uitzondering van de periode Ubben, hebben beide panden dus steeds een gemeenschappelijke eigenaar gekend.

Het groot huis werd in juni 1879 omschreven als winkelhuis met toonbanken, winkelopstellen, een zaal en zowel boven als beneden 10 kamers.en verder met tuin en magazijn en een deel van de plaats, samen groot 6.05 are. In de advertentie was sprake van een groot, ruim en weldoortimmerd huis met opvaart, remise en daarachter een grote tuin, een pakhuis met kelder en achterkeuken. Het pand ging voor 12000 gulden aan de voogd van de nog minderjarige Gerard Imkamp, die zelf voor 1/6 deel in de verkoop gerechtigd was.

Het restant van het klein huis (voormalig pand Ubben), groot 1 are, was voor 8000 gulden overgegaan aan Thérèse Imkamp, eveneens gerechtigde. Het betrof het herenhuis van de overledene, omvattende een zaal met suite en keuken, zes kamers en beneden een kelder en verder een grote zolder met twee zolderkamers. (Het uitgebreide verslag van de verkoop staat beschreven in het archief v.d. notarissen, inv.nr. 19.62: L.Linssen, volgnr. 247. Zie ook: Maas- en Roerbode dd. 21-6-1879.)

Hierboven het resterende deel van het groot huis bij de erfdeling van 1852. Huis, erf, tuin en gebouw, samen 5.05 are groot gingen daarbij over op het echtpaar Imkamp-Lemmen. Daarmee was teven de administratieve fout van de OAT hersteld, die het huis Ubben in mate groter noteerde dan het huis van Lemmen. Een fout die dooretterde in de Kadastrale Leggers en bij de verkoop van het huis Ubben in 1857 aan het echtpaar Imkamp.

Sinds 1612 reikten de tuinen van de twee buurhuizen (nu 21-23) achterlangs tot aan het perceel van de rosmolen. Bij de uitbreiding van de school in de Munsterstraat werden beide tuinen weer ingekort.

Steenweg vanaf hoek Munsterplein (Beeldbank GAR.)