............ DE DRIE CROONEN

 

Laatst gewijzigd: 13-03-2016 © Jan Ruiten

DE BOVENSTE DRIE CROONEN
op de Varkensmarkt

Toen Francois vorst van Nassau-Siegen was benoemd tot gouverneur van het Overkwartier van Gelder, hield hij in december 1680 groot banket in de herberg van De Dry Croonen. Jaren later zat de herbergier nog op zijn geld te wachten.

In augustus 1606 belenen Johan Fyneman en vrouw Alitgen Vorstermans hun huis aan de Varkensmarkt met een kapitaal van 280 gulden, om daarmee het huis in de Brugstraat, afkomstig van haar ouders, af te lossen. Het geld wordt verstrekt door de Sacraments-broederschap in de Hoogkerk. Van de te betalen rente gaat 4 gulden naar de broederschap, terwijl de overige 13 gulden dienen tot aankoop van een malder ruebsaet om de lamp aan het Sacraments-altaar dag en nacht te laten branden. Dat was al zo gebruikelijk sinds een fundatie uit het jaar 1468. (Hoofdgerecht 312-f.201.)

 

Na 1617 koopt het echtpaar Fyneman het belendende perceel tussen De Moriaen en hun eigen huis van de erfgenamen van Christopher van Kueckhoven (en Agnes van Muers), kooplieden in Heinsberg. (Mogelijk afkomstig van Peter van Moyrs, die in 1573 als buurman genoemd wordt van Loms timmerplaats.) Jaar en dag zijn niet bekend. Vervolgens heeft hij op het erf een nieuwe zaal gebouwd. Tussen beide erven heeft voorheen een muur van 1 voet dik gestaan, o.a. om het heymelick gemaeck van buurman Hendrick Smidts te scheiden achter de windeltrappe van Fyneman. Hij heeft vervolgens de muur nieuw opgemetseld, te weten met een fundament van 2 voet dik en daarop een muur van anderhalve voet dik en de bovenste laag, ter hoogte van de zaal 1 voet dik. Tussen beide buren is in 1623 hierover een overeenkomst gesloten. Fyneman mag het hemelwater van die plaats laten aflopen in de beerput van het gemak (zo'n 15 voet diep). In ruil daarvoor zal hij het gemak en de afvoer (caniels) geregeld reinigen en tevens afdekken met platen en tralies. (Hoofdgerecht 314-f.49 en meerdere processen.)

Uit enkele rechtzaken voor het Hoofdgerecht blijkt dat hij al in 1606 herberg in zijn huis hield. In juni 1616 richtte Fineman zich tot het Hof van Gelder. Baron de Wittenhorst, drost van het ambt Kessel, was voor zaken ten dienste van de prins in Roermond geweest en was de herbergier aan verteerde mondkosten en geleverde wijnen liefst 500 gulden schuldig gebleven. (RHCL te Maastricht 01.004: archief Hof van Gelder Roermond, inv.nr. 301-362.)

Zelf was de logementhouder ook geregeld grote sommen geld schuldig gebleven wegens geleverde waren. Vooral de gegevens uit zijn rekenboek over 1617 tot 1619 aangaande Jacob Smets, wijnkoopman uit Keulen, wegens enkele maaltijden, ontbijt en de potten wijn bij Fineman gedronken. (Voor een pot wijn betaalde men in die tijd al gauw 12 tot 15 stuivers!) Maar het mag geen naam hebben, vergeleken met een openstaande schuld van 206 daalders voor geleverde wijn, die ondanks meerdere verzoeken in 1634 nog steeds niet voldaan was.

Ook was Fineman een flink bedrag aan accijnsen wegens getapte wijn achter gebleven. Zelf noemde Jan Fineman zich in zekere rechtzaak een "wijnwiert", waarschijnlijk in tegenstelling tot een kroegbaas. Men kon bij hem, tegen betaling van een borgsom, ook terecht indien men een huurpaard nodig had, bijvoorbeeld wanneer men voor zaken op reis moest gaan. Ondanks al die schulden weet Fyneman zijn zaak verder uit te breiden. In oktober 1625 koopt het echtpaar Fyneman voor 700 gulden een deel van het huis De Wolfskeel onder aan de Bergstraat. (Hoofdgerecht 314-f.120.)

 

Johan Fyneman overleed omstreeks 1635. In oktober 1634 was hij nog voor zaken onderweg en twee jaar later werd de weduwe aangesproken voor openstaande schulden. In september 1637 verkoopt Alitgen Vorstermans, de weduwe Fyneman, met instemming van haar dochter Wilhelma en schoonzoon Everardt d'Upin of DuPyn, als man en momber van Mechteld Fyneman, het huis op de Varkensmarkt voor het lieve bedrag van 6500 gulden aan Andries Bordels en vrouw Frenske deVheer. (Hoofdgerecht 315-f.150.)

Nog jaren later na het overlijden van haar man (in 1635) werd de weduwe Alitgen Fineman aangesproken voor de achterstallige betaling van geleverde wijnen in 1634 door Lambert Bisschops, wijnhandelaar. (Hoofdgerecht inv.nr. 134-823.)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Kwartierdagen der Staten...
In die jaren werden de Kwartierdagen van de Ridderschap en Steden van het Overkwartier Gelder gehouden in de grote zaal van Fynemans op de Verckensmerckt, dan wel op het raadhuis zelf. De heren kwamen naar Roermond, elk in gezelschap van een dienaar, voerman en paard; sommigen zelfs met meer personeel en paarden. Zij namen voor enkele dagen hun intrek in de grotere herbergen van de stad. De onkosten kwamen uiteraard voor rekening van de Staten van het Overkwartier. Het waren geen geringe bedragen. De herbergiers deden goede zaken tijdens die dagen. In 1643 ontving Wylhelma Fynemans alsnog 2218 gulden wegens verteringen ten huijse van onse moeder Fijnemans zaliger gedaan van begin 1630 tot mei 1634. "Allet naer vermeugens de naergelaeten reeckenboecken."

De eerste keer dat de naam De Drie Kronen in de archiefstukken opduikt is in januari 1627. Andries Bordels, waard in Die Drije Croenen, krijgt van het stadsbestuur, de Magistraat, toestemming anderhalve aem bier te gebruiken voor sijne huijshaldinge ende nootturft tegen burgerman-cijns, elke twee weken. De cijns die hij als tapper en schenker betaalde, was waarschijnlijk hoger. (Oud Archief Roermond, inv.nr.3.)

Naderhand blijkt dat we hier met twee huizen naast elkaar van doen hebben. Het pand van De Drie Kronen was verhuurd aan Bordels en het andere pand (met de grote zaal) zou dan nog bewoond zijn door Fineman zelf. Over de jaren 1630 tot 1634 blijken de Staten van het Overkwartier aan beide partijen geld schuldig te zijn wegens de kwartierdagen, verteringen en logies.

Andries en zijn vrouw Frenske de Vheer hadden al sinds jaar en dag een huis achter de Leuff op de hoek van de Koolstraat. Het huis, voorheen De Scele Boirstell genoemd, was afkomstig uit erfenis van zijn ouders Gerardt Bordels en Anna Vinck van Roosteren. Later dat jaar, in juli 1627 kreeg Andries de kans om een plaats nabij zijn huis te kopen. Omdat hij zelf uitlandig was, nam zijn vrouw de zaken waar. Een klein jaar later hebben zij de timmerplaats dan toch weer doorverkocht. (Hoofdgerecht 314-f.165 en f.185.)

Hij moet plannen hebben gehad om zijn huis uit te breiden, misschien wel om voor z'n eigen te beginnen. In oktober 1636 kopen Andries Bordels (1587-1656) en zijn vrouw het huis De Ster naast zijn woning achter de Luif. De overdracht gaat echter niet door omdat Dirck Smits namens zijn vrouw als naaste bloedverwant met verkopers het huis afbeschudt. Smits vraagt om inzage in de koopakte en wil weten wanneer de voorschotten (assignaten) door de heren Wuestingh, Pollardt en de weduwe Fyneman betaald zijn. (Hoofdgerecht 315-f.119.)

Een klein jaar later, in september 1637 krijgt Andries een herkansing met het logement aan de Varkensmarkt. In bovenstaande stukken van de Staten komen we ook meerdere rekeningen tegen dat vervolgens de welluidende naam De Drye Overste Cronen krijgt, misschien wel als tegenhanger van het pand De Drye Keysers Cronen aan de Zoutmarkt. De akte waarin deze naam gebezigd wordt, is bij het overschrijven niet meer afgemaakt. In de wandel blijft de oude naam De Drij Croonen toch meer gangbaar. (Hoofdgerecht 316-f.51 en f.75.)

 

Het was bij Andries Bordels een komen en gaan van gasten. Gegevens hierover hebben we hoofdzakelijk uit de rekeningen die hij indiende bij de heren Staten van het Overkwartier. Op de 12e dag van het jaar 1632 kwam de graaf van Warfusé met zijn dienaren in de herberg. Het blijkt niemand minder dan René van Renesse-Elderen te zijn geweest. De graaf diende onder Ferdinand IV, koning van Spanje. De volgende ochtend vertrok hij alweer. Naar Holland? Of kwam hij daar juist vandaan? Warfusé was immers een van de edelen die samenspanden om de landen van het Overkwartier uit te leveren aan de Republiek der Nederlanden. Het gevolg was de zegenrijke Maasveldtocht van Frederik Hendrik later dat jaar. Daarbij werd de bisschopsstad vrijwel zonder slag of stoot door de Hollanders ingenomen. (RHCL te Maastricht 01.001: archief Staten Overkwartier, inv.nr. 809.)


Sybilla v. Bemelberg
e.v. veldmaarschalk Willem de Lamboij
Een graag geziene gast moet wel Mevrouw Lamboij geweest zijn, die in januari 1642 met haar zuster, lijfarts en gezelschapsdame (en hun bedienden) in de herberg van De Bovenste Drye Croonen logeerde. In de rekeningen van de waard komt zij alleen voor als de genedige Mevrouw Lamboij. Dat blijkt bij nader onderzoek Sybilla van Bemmelberg te zijn, echtgenote van veldmaarschalk Willm de Lamboij, o.a. heer van Cortessem, Desseneer, Wintershoven, in dienst van Zijne Majesteit de Keizer van Oostenrijk. Tijdens haar verblijf in de stad nodigde Mevrouw enkele naburige edelen en leden van de Magistraat ter tafel. Onder die gasten herkennen we de heer van Hillenraedt met vrouw, moeder en dochters. Ook de erfvoogd met zijn vrouw en neef, jonker Steijn en monsr. Bonnecamp (van Schöndelen) behoorden tot de genodigden. Haar gasten namen natuurlijk ook hun dienaren mee. Zo kon het zijn dat de waard in De Drie Kronen buiten de hoofdtafel nog zo'n 30 tot 40 of meer bedienden te eten had. En dan waren er nog de stalknechten die waren aangetrokken voor het verzorgen van de paarden. Op de 19e dag dat jaar werden 35 paarden geteld en liefst 59 dienstknechten. De rekening van een paar duizend gulden ging naar de Staten van het Overkwartier. (RHCL te Maastricht 01.001: archief Staten Overkwartier, inv.nr. 812.)

Wanneer "dy heren van Rurmundt" in vergadering bijeenkwamen voor besprekingen, dan trokken zij zich terug in een kamer boven, waar zij ook de maaltijd genoten. Grotere gezelschappen konden gebruik maken van de zaal beneden. Een gewone maaltijd werd berekend op 1 gulden p.p., buiten de wijn die geschonken werd. (RHCL te Maastricht 01.001: archief Staten Overkwartier, inv.nr. 812.)

Evenals Fineman voordien, zorgde Andries voor verdere uitbreiding. In januari 1640 koopt hij van de secretaris en licentiaat Peter Bosman voor 100 rijksdaalders een stal onderaan de Berg, grenzend aan zijn eigen erf. Niet alleen aan de koopprijs is op te maken, dat het geen klein achteraf gebouw is geweest. Voorheen heeft het pand nog als brouwhuis van de Wolfskeel gediend. (Hoofdgerecht 315-f.167.)

Het was alweer twee jaar geleden, dat de kapitein Jean Jacques Sallé enige tijd in De Drij Croenen heeft gelogeerd en toen een patrijshond bij zich had, groot van gestalte en witachtig van kleur met rode vlekken. Dan blijkt, dat het dier na enkele dagen nergens meer te bekennen was en ook nadien niet meer is komen opdagen. Zelfs na diverse keren aan Bordels en zijn vrouw navraag te hebben gedaan, lieten beiden niets van een jachthond te weten. Dat was wel vreemd, omdat hun zoon Thomas enkele keren met het dier op jacht was gegaan en met patrijzen weerom thuis kwam. Volgens kenners moet het dier wel 50 pattacons waard zijn geweest. In januari 1649 richt de broer van genoemde kapitein zich tot het gerecht te Roermond, om opheldering van zaken te krijgen.

Andries Bordels kon zich wel twee honden herinneren die voldeden aan de beschrijving, maar hij heeft ze toen met de stok naar buiten gejaagd. En ook wist hij te getuigen dat zijn zoon diverse keren met patrijzen was thuis gekomen, maar met welke hond hij toen was uitgetrokken, kon hij zich niet meer herinneren. En Thomas Bordels zelf? Die weigerde op te komen dagen, daar hij zich erop beriep niet onder de jurisdictie van het Hoofdgerecht te vallen! (Hoofdgerecht inv.nr. 136-889.)

In augustus 1650 worden de meesters van het brouwersambt erop gewezen, strenger toe te zien op de verkoop van bier in de logementen, zowel binnen als buiten de stadsmuren. Sommigen van deze nachtherbergiers waren gewoon hun eigen bier voor de gasten te brouwen, ten nadele van de stadsaccijnzen. De eerste op rij was Andries Bordels (in De Drie Kronen). Andere logementhouders die hierop betrapt waren, zijn o.a. Matthijs Dorss (in Den Emmerick) en Jan Worms (in Het Duijfken). De brouwmeesters moesten hun gezellen verbieden om de nachtherbergiers te helpen bij het thuisbrouwen. De logementhouders dienden hun bier bij de brouwers te kopen tegen de gebruikelijke accijns. Overtreders werd de wacht aangezegd op straffe van een ahme bier aan de huisarmen. (Oud archief Roermond, inv.nr. 5.)

Dat er hoge bedragen omgingen blijkt wel uit de rekeningen van de Staten van Ridderschap en Steden van het Overkwartier, die hun kwartierdagen hielden ten huize (in de grote zaal) van Andries Bordels. Van 1643 tot 1655 was het totaal van voorschotten aan logementen en verteringen opgelopen tot 29.845 florijnen! Aan tussentijdse betalingen blijkt de logementhouder 30.660 florijnen te hebben ontvangen. Het verschil was Bordels dus nog schuldig aan de Staten. (RHCL te Maastricht 01.001, archief Staten Overkwartier inv.nr. 814.)

Francisca deVere, weduwe van cornet Bordels, is midden december 1667 nog 500 rijksdaalders schuldig aan het echtpaar Moringh wegens een oudere lening uit 1649. Zij belooft het resterende geld daarvan binnen een week te betalen. Tot zekerheid stelt zij haar woonhuis aan de Varkensmarkt tot onderpand, naast de grote zaal en de timmer van het huis De Beer. Gerardt Bordels, schepen en oud-burgemeester, staat borg voor zijn moeder. De weduwe geeft hem tot zekerheid een pandbrief van 200 gulden jaarlijks, uit een kapitaal van 4000 ten laste van de stad. De lening werd in 1686 afgelost. (Hoofdgerecht 317-f.212 en f.220.)

Lettrlijk staat er: "tot een speciael hypotheeck ofte onderpandt heeft gestelt het huijs daerinne sij constituante tegenwoordich is woonende, gelegen binnen dese stadt op de Verckensmerckt, ter eenre d'erffgenaemen van de raedtsverwanter Derick Smits, ende ter andere sijde den grooten sael mitten timmer vant selve huijs, genaemt Den Beer, wesende aen Sijne Majesteit leenroerich, beneffens Jan van Buggenum.
 

Opnieuw verhuur van de herberg...
Hoewel in de akten de naam van De Drij Croonen meest gangbaar is, wordt in januari 1702 opnieuw melding gemaakt van het logement van De Bovenste Drij Croonen. In de jaren '70 van die eeuw waren huis en herberg van De Dry Bovenste Croonen (1670-1675) verhuurd aan Bernard Chanoine, toen nog in eerste huwelijk getrouwd met Aldegonda van Lin.

Van de kinderen Bordels was er niemand die het logement van hun ouders zou voortzetten. Zeker niet zoon Gerardt, die met het riddermatig goed het Huis Vlodrop met andere zaken bezig was. Zoon Thomas verkoos, zoals we zagen een huis op de Steenweg tot zijn woning. Mogelijk dat Maria, de oudste dochter, in tweede huwelijk getrouwd met Gerardt Woesting, de zaak heeft overgenomen. Haar man was niet alleen wijnhandelaar, maar hield ook herberg in zijn huis (hoek Hoge Hegstraat). Dat blijkt wel uit de rekeningen ten koste van de heren Staten van het Overkwartier uit de jaren '50. Zoals daar was de post voor een maaltijd waar kappertjes, olijven en oesters werden genuttigd. In de rekeningen is tevens sprake was van verteringen tijdens de kwartierdagen. (RHCL te Maastricht 01.001, archief Staten Overkwartier inv.nr. 814.)

In augustus 1669 woonde het gezin Chanoine nog in het huis tegenover Die Kyrch op de Steenweg. De eigenaar kon het huis echter voor een betere prijs verhuren en Chanoine werd verzocht te verkassen. Notabene om plaats te maken voor wachtmeester Thomas Bordels, (mede-)eigenaar van De Drie Kronen! Waarschijnlijk nog datzelfde jaar is Bernard Chanoine hier ingetrokken, tegenover zijn ouderlijke huis. (Hoofdgerecht 317-f.239.)

Op een vroege zomeravond in 1673 was er nog veel volk op de been, merendeels afkomstig van een niet nader genoemde aktie van de paters jezuïeten. Toen moeder en dochter uit De Pauw op de Steenweg huiswaarts keerden, in gezelschap van griffier Winckels, kon Bernardt Chanoine het niet laten, staande voor zijn huis, om in het gezelschap met luide stem te spreken: "Men ziet nu wel: die de teuwen heeft in huis, daar staan de rekels voor de deur!" Iemand zou toen hebben opgemerkt, wat het dan niet moest geven wanneer het dochtertje van Chanoine tot haar jaren zou komen: de poort van De Dry Bovenste Croonen was nu al sterk bepist! Naderhand was het tussen de vrouw van Chanoine en vrouw Vechmer uit De Pauw tot een ordinaire scheldpartij gekomen op de vismarkt.

* Schoondochter
van de herbergiers
in De Emmerick in de Neerstraat, ondertussen hertrouwd met Anthoin Vechmer.

Catharina Meerts* moest toezien, dat de vrouw van Chanoine de snoek en meer andere vissen kreeg, die zijzelf ook had willen hebben om haar gasten voor te schotelen. Maar Aldegonda had de vis al de vorige dag aanbetaald. Zij liet overigens weten, dat zij van plan was met de herberg te stoppen en al geregeld de gasten naar De Pauw had doorverwezen. Maar ze kon het ook niet nalaten te pronken, dat zijzelf de voornaamste onder de herbergen hield, waar de hoge heren kwamen logeren. "Ende du moetst lijden, dat ick de principaelste ben, ende dat alle de groote heeren bij mij logeren. Ende du sous sooveel volcks niet hebben als ick dich de gasten daechelijcx niet toe en wees."

De vrouw van Anthoin Vechmer sneerde terug, dat zijzelf in haar eigen herberg woonde en Chanoine enkel als huurder. Zij was zeker van geen marsdraegers-volck of van schouwvegers-aert. Ook was zij hier niet op een stroywisch komen aandrijven, maar met twee karren volbeladen vanuit Weert, alwaar haar vader twee keer burgemeester was geweest. Vrouw Chanoine kaatste terug, dat ze zich niet als fijne "joffer" hoefde voor te doen, daar ze in Weert in haar jonge jaren, achter de koeien had gelopen.

Toen er geen kijvende woorden meer te binnen schoten, begon het schelden pas goed. Vrouw Vechmer maakte de herbergierster in De Dry Croonen uit voor "adel van Savoyen", waarmee marskramers bedoeld werden, die (vooral onder de cremers in de stad) de minder gunstige faam hadden, waarmee ook Gasconniers, Gentenaers, Mechelers en ander dergelijk volk werd toebedeeld.

De aanleiding van het misnoegen tussen beide partijen was deels te zoeken in de zogenaamde tienmans-wijn. Burgemeester Zoutelande had aan de vrouw van Chanoine beloofd dat het gelag in haar huis zou worden gedronken, maar de eer viel dat jaar (1673) toch aan de herbergier in De Pauw toe. Chanoine getuigde, dat hij daarover geenszins afgunstig was geweest. Nu kon Vechmer immers op de placebo spelen, tot vermaak van de gasten. Het jaar daarop werd de tienmans-wijn dan toch gedronken ten huize van Chanoine, toen nog herbergier in de Bovenste Dry Croonen.

In het proces werden heel wat getuigen opgeroepen, hetgeen een dik pakket aan stads volkstoneel heeft opgeleverd. Jammer genoeg zijn alle stukken aan de bovenkant (door vuur) beschadigd. Daardoor klinken veel getuigenissen gebrekkig door naar het heden. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 156-1310.)

 

In augustus 1679 kocht Bernardt Chanoine van de erven Graus het hoekhuis op de Markt, voorheen De Emmerick genoemd. Het huis kreeg (naderhand) een nieuwe naam onder het teken van De Pauw.

Hoog bezoek...
De nieuwe bewoners van De Bovenste Dry Croonen was het echtpaar De Bruijn. De waard Mathijs Bruins of De Bruijn was getrouwd met Anna Maria Goris (1647-1708), de oudste dochter uit huwelijk van schepen Hendrick Goris en Joanna Bordels.


Francois de Nassau
stadhouder van het Overkwartier 1680-1699

Johan Franz Desideratus, prins van Nassau-Siegen was in mei 1680 benoemd tot gouverneur van het Overkwartier van Gelder, als opvolger van de prins d'Isenghien, die eind februari was gestorven. De vorst gaf na zijn inhuldiging op 16 december een uitgebreid banket in de grote zaal van de Bovenste Drye Croonen. Het moet wel een van de hoogtepunten uit de geschiedenis van deze vermaarde herberg zijn geweest, waartoe vele hoge gasten, zoals de heren Staten met hun gevolg waren uitgenodigd. De rekening ging natuurlijk naar de Staten van het Overkwartier. Die zaten er lelijk mee in hun maag. Het bedrag dat zij aan de waard schuldig waren, bedroeg namelijk 1152 gulden. Het duurde bijna drie jaar en dan alleen nog na voortdurend aandringen van De Bruijn om eindelijk de rekening te voldoen. Uiteindelijk werd besloten, het bedrag in twee termijnen te betalen, te weten de helft (480 pattacons) met kerstmis 1683 en de andere helft een jaar later. (RHCL te Maastricht 01.001: archief Staten Overkwartier, inv.nr. 89-f.154v. en f.174.)

Het lukte de heren Staten maar niet om voor de stadhouder een passende woning te vinden. Begin 1684 vertrok de prins naar Venlo en nam intrek in het verblijf van zijn voorganger. Maar wanneer hij dan toch in Roermond moest zijn, vanwege de kwartierdagen, of om andere redenen, dan nam hij zijn intrek in De Drye Croonen. Zoals die keer in oktober van dat jaar toen hij laat in de avond in de stad aankwam. De volgende dag liet hij een bericht sturen naar de gedeputeerden om die ochtend om 8 uur in zijn logement in Den Bovenste 3 Croonen te verschijnen. De bedoeling was dat er snel zaken gedaan konden worden, zodat hij nog die avond een positief bericht naar Brussel kon sturen. (RHCL te Maastricht 01.001: archief Staten Overkwartier, inv.nr. 90-f. 128.)

Het huis van De Dry Croonen op de Varkensmarkt stond lange tijd onverdeeld op naam van de erfgenamen Gorissen. De lijn wordt naderhand voortgezet via (de kinderen van) Mathias de Bruijn in huwelijk met Anna Maria Goris. Uiteindelijk was het schoonzoon de raadsverwant Johan Gerard Laer, in mei 1707 getrouwd met Maria Joanna de Bruijn en advocaat Henricus Thomas Bordels (zoon uit huwelijk Bordels-Spee), een jaar later in juli 1708 getrouwd met Joanna Maria de Bruijn.

In december 1720 stellen de raadsverwant en zijn vrouw en schoonzuster, de weduwe Bordels, het huis op de Varkensmarkt tot onderpand bij een rechtszaak tegen de kruisbroeders in verband met uitvoering van het testament van hun tante Joanna Francisca Mons-Goris. (Hoofdgerecht 327-f.307.)

Tenslotte, in augustus 1731, wordt het huis De Dry Croonen van de raadsverwant Laer zijdelings genoemd bij de verkoop van het huis van buurman Petit. (Hoofdgerecht 328-f.73.) In 1734 wordt het huis De Dry Croonen verkocht aan kanselier M.M. Kroonenbroeck.

Zie ook http://www.historieroermond.nl/varkensmarkt6/zomaareenhuis.htm