............ "Stadsherberg"

.
.
.
.
.

Laatst gewijzigd: 02-06-2018 © Jan Ruiten

HET HERTSHOORN
en
NIET-HET-HERTSHOORN

De Gats in Roermond is alom bekend. In oude tijden werd het steegje ook wel de Spiesengats genoemd. Zulke doorgangen tussen de bebouwing kwam men ook elders tegen in de stad, zoals de Wolfskeelgats (tussen de zoutmarkt en de Bergstraat), het Molengatske (achter Kloosterwand) en het Puijlengatske nabij het Wernerstraatje.
Aan weerszijden van de Spiesengats lagen vier eeuwen terug twee voorname panden, de aloude herberg Het Hertshoorn en het huis van jonker Keverberg, op deze pagina vermeld als: Niet Het Hertshoorn, zoals in oudere publikaties dus wel wordt aangenomen.

Deze pagina is opgedeeld in twee korte opstellen. Het eerste deel beschrijft de oude geschiedenis van het pand, rechts van de gats, nu Marktstraat 6, schuin tegenover de zoutmarkt. Het is de huisplaats van het historische pand Het Hertshoorn, met de opvaart vanaf de straat Achter de Muyr, de huidige Roerkade. In het tweede deel wordt gepoogd het verleden van Marktstraat 8-10, links van de gats, te achterhalen. Dit voormalige burgermanshuis wordt onterecht bestempeld als "stadsherberg". Gedegen onderzoek is hier wel op zijn plaats, om een hardnekkige onderstelling te kunnen weerleggen.

het Hertzhorn - dat Hertzhoeren - den Hertzhorn - 't Hirtzhoirn - 't Herthorn - de Hertzhoorn

.
.
.
.
.




HET HERTSHOORN
Marktstraat 6

De nachtherberg Het Hertshoorn komt in de overdrachten van rond 1600 bijna uitsluitend zijdelings voor, met beschrijvingen als "naast het Hertshorn", of aan de zoutmarkt "tegenover De Hertzhorn", of de plaats "achter dat Hertzhoeren". In het laatste geval grensde die plaats achterlangs tegen Het Ancker, een herberg Achter de Muur (nu Roerkade). Het Ancker lag aan de noordzijde van de Spiessengats!

Wanneer men vanaf de Marktstraat de Grote Markt opgaat, het laatste huis rechts werd ook op die manier gelokaliseerd, zoals o.a. blijkt uit de volgende noteringen. In 1551 werd de ligging van dat pand omschreven als: aan de zoutmarkt op de hoek van de Neerstraat (nu Marktstraat) en tegenover De Hertzhoren. En opnieuw decennia later in 1589 rakende hetzelfde pand: op de hoek van de Neerstraat, aan de st. Joost-put, tegenover Het Hertzhorn. (GAR. Gijs v.Bree: regest 2263, HGR inv.nr. 311-f.33 en f.426.)

kaartje: huis op hoek Neerstraat (A), naast de st. Joost-put (B), aan de Zoutmarkt (C) en tegenover Het Hertshoorn (D).

Diverse overdrachten uit die tijd, betreffende de huizen richting Luifelstraat, bevestigen eveneens de ligging van genoemde herberg; op het kaartje hiernaast letter D. Bezien vanaf de straat lag links de gats en rechts naast Het Hertshoorn het huis van Jacob Stoffers van Straelen, o.a. 1625 en 1643. (Kleinzoon van mr. Michell Baertscherers van Straelen, die o.a. 1552 en 1573 naast het Hertzhorn woonde.) Diens buren rechts waren Johan Ramaeckers en Jenneke Wolffs, o.a. 1625 en 1631. (HGR inv.nr. 314-f.128 en 315-f.29.)

Het eerstvolgende huis op rij was dat van Johan Behren; toen het vierde vanaf de gats. Samen met zijn vrouw Lysbeth Neven had hij het huis in 1616 aangekocht; in 1624 op naam van de kinderen. Hun vader behield als weduwnaar het tochtrecht op het huis. Enkele keren wordt de ligging van het huis Behren nader omschreven, niet alleen met Ramaeckers en Bosmans als huiseigenaar aan weerskanten, maar met de nadrukkelijke toevoeging: achter de Leuff aan de Zoutmarkt! Ook hieruit blijkt, dat Het Herzhoirn was gelegen aan de rechterkant van de gats. (HGR inv.nr. 314-f.74 en f.149.)

Dat komt dan mooi overeen met de eerste vermelding uit 1451, betreffende zeker huis achter de Luyff, schockx tegen den put over dat Hertzhorn. Wat er op wijst, dat we de huisplaats moeten zoeken rechts van de gats richting de Luifelstraat. (J. Linssen: "Roermond rond 1400" in PSHAL 1965, noot 231.)

Arndt Vogels van Wessem...
In augustus 1554 werd zekere Arnt Frantzen van Wessem als eigenaar genoemd. Hij blijkt identiek te zijn aan Arnt Vogels, zoon van Frans van Wessem. Arnt van Wessem was in tweede huwelijk getrouwd met Anna van Lyth. In deze akte, opgemaakt een maand na de eerste stadsbrand, werd bepaald, dat de voor- en na-kinderen van Arnt uit beide huwelijken gelijkelijk, ofwel hoofdsgewijs zouden delen. Behalve het nieuw op te bouwen Hertzhorn ("dat Hertzhorn weder opbouwen wyrdt") bezat het echtpaar Vogels nog andere goederen te Roermond, Maasniel, Posterholt en Maaseik. In juli 1555 was er weer sprake van Arnt in 't Hertzhorn. (HGR inv.nr. 311-f.60v en f.78 en GAR. Gijs v.Bree: regest 2892; regest 2672 geeft een foutieve lezing!)

Bij die overeenkomst waren ook aanwezig "twee mannen van leen" namens de keizer als hertog van Gelder. Dit had dan (o.a.) betrekking op De Aerwinckel onder Posterholt, dat een Gelders leengoed was. In 1547 was er tussen Arndt Voegels van Wessem als nieuwe eigenaar van de Aerwinckel en de inwoners van het Reutje een overeenkomst gesloten omtrent de weidegang via het leengoed. Tien jaar later was Arndt wegens de hof in de Aerwinckel nog resterende 100 gulden schuldig aan Wilhelm van Vrymersum.

Wat Maasniel betreft, zou daarmee de 7 morgen land op de Donderberg bedoeld kunnen zijn, in 1628 op naam van de weduwe van Aret Bisschops, afkomstig van diens grootouders, het echtpaar Camp. (GAR archief Daelenbroek inv.nr.657.)

In maart 1563 verwierf Arndt van Wessem dan toch eindelijk de bouwplaats achter de stalling van zijn huis, waarop hij al eerder zijn zinnen had gezet. Het echtpaar Arndt van Wessem en Anna van Lidt wordt in maart 1575 voor het laatst genoemd. Arndt was toen al oud van jaren en de zaken werden door zijn vrouw geregeld. Hij stierf voor juni 1576. (GAR. Gijs v.Bree: regest 3988, HGR. inv.nr. 311-f.166.)

In 1580 komen we zekere Johan van Campen tegen als eigenaar van Het Hertzhoorn. Hij was in die tijd (vanaf 1575) secretaris van Roermond. Oud-burgemeester Campen was tot zijn overlijden in maart 1607 ruim twintig jaar als schepen lid van de Magistraat geweest. Tevens was hij mede-provisor van Pollardt's Gasthuis. Hij stond dus midden in het openbare leven van de stad. Het huis onder aan de markt ging over op de kinderen van zijn dochter Johanna, getrouwd met Gerard Bisschops.

secretaris Johan van Campen...
Johan van Campen, herbergier int Hertzhorn was tevens wijnhandelaar. In 1606 klaagde hij, dat van de 830 gulden aan geleverde wijnen in het sterfhuis van Emondt van Baerle, alweer twee jaar geleden, nog 166 gulden openstond op naam van de vijfde "klocht", de weduwe van jkr. Willem van Baerle. Hij zat toen zelf in geldnood wegens de al begonnen aanbouw van schuur en stal aan zijn huis. Omdat de erfgenamen Baerle onderling in proces waren, vreesde de waard, dat hij de bouw voorlopig diende uit te stellen.
(RHCL te Maastricht, archief Hof van Gelder Roermond 01.004: inv.nr. 294-147.)

Zoals de plaatselijke historicus J. Linssen al in 1965 opmerkte, werd Het Hertzhoirn veelvuldiger dan enige andere herberg vermeld als logie voor de voornaamste bezoekers van de stad. Dat heeft mogelijk met bovenstaande gegevens te maken. Hij verwijst daarvoor naar de publicaties van de Kroniek van Roermond rond de eeuwwisseling van 1600. In die tijd was Jan van Campen als gemeentesecretaris een welkome bron voor de kronikeur. In het voorwoord noemt de schrijver "de stadssecretaris als de eigenlijke ziel van de stedelijke regering". Het is dus niet verwonderlijk, dat hoog bezoek in diens nachtherberg vaker vermeld werd, dan bijvoorbeeld de logeringen in Die Kirch (Steenweg) of in Den Gulden Leeuw (Swalmerstraat). In dit licht lijkt de onlangs gebezigde term "stadsherberg" voor de uitspanning Het Hertzhoirn enigzins overtrokken.

Dezelfde kroniek laat in 1630 ook een ander geluid horen. De hoge heren van de compagnie van graaf Van den Bergh waren gelogeerd in o.a. Het Eynhorn en de Valck. De graaf zelf had zijn intrek genomen bij de kruisbroeders. De "regiments scholtis" in Het Hertzhoirn hield het ten leste voor gezien en wist mit behendicheit zijn onderdak te vinden in het huis van jkr. Behren.

Wanneer uit de stukken blijkt dat mr. Johan van Campen weduwnaar was van Aletgen Vogels zlgr., dan is de overdracht van de nachtherberg duidelijk. Aletgen was namelijk de dochter van Arnt Vogels van Wessem uit diens eerste huwelijk met Anna van Bulersom. (HGR inv.nr. 311-f.60v en f.327.)

In november 1601 was Jehenne van Campen reeds gestorven en haar man Gerrit Bisschops zou spoedig daarop hertrouwen met Cunera Spiegels. Als grootvader en voogd regelde schepen Campen wel nog de belangen van zijn kleinkinderen Aret, Frans en Beatrice. Gerrit Bisschops had bij zijn eerste huwelijk van zijn vader Peter Bisschofzz drie morgen weideland te Boekholt onder Waldvucht meegekregen. De grond zou nu verkocht worden om een schuldenlast van 600 rijdersguldens af te lossen. Het bedrag was voorheen opgenomen met 't Hirtzhoirn als onderpand. (HGR inv.nr. 312- f.114 en f.175.)

In april 1605, na overlijden van zijn schoonzoon, kocht schepen Johan van Campen namens zijn enckelen de rentebrief terug. De schuld was afgelost. Zijn zwager Frans Vogels van Wessem en Margaretha Pullen waren de ouders van lct. Pelgrum Vogels, kanunnik en aartspriester aan het Koninklijk Stift te Aken. (Pelgrum was vernoemd naar een oom van moeders kant.) Het echtpaar Vogels-Pullen had in 1589 het huis De Eenhoorn aan de Markt aangekocht.

Cunera Spiegels, de weduwe Bisschops, hertrouwde (1606) met de lct. Henricus Kochs (Cox), raadsheer aan het Hof van Gelder. Deze regelde aanvankelijk namens zijn vrouw nog de afhandeling van openstaande schulden, zoals blijkt uit de navolgende aanklacht voor het Hof van Gelder. In 1603/04 verbleef jonker Johan van Broickhuysen met een knecht meerdere keren in Roermond wegens een proces voor het Hof tegen de schepenen van Lottum. Drie jaar later stond nog een rekening open van 65 gulden aan wijn, kost en overige verteringen, maaltijden met genode gasten en haver voor het paard. (RHCL te Maastricht 01.004: Hof van Gelder Roermond inv.nr. 294-163.)

Johanna van Campen x Gerardt Bisschops. Uit dit huwelijk drie kinderen: Aret, Frans en Beatrice Bisschops. Hun vader hertrouwt met Cunera Spiegels, weduwe van Willem van Palant. Uit dit tweede huwelijk de na-zoon Lambert Bisschops, genoemd naar zijn grootvader Lambert Spiegels. Cunera hertrouwt met Henricus Cochs. Uit dit huwelijk drie kinderen: Gerardt, Johan en Anna Cocx.

Frans Vogels van Wessem (zie stamboom hieronder) en zijn vrouw Margriet Pullen verwierven in juli 1589 huis en herberg Dat Einhorn met de poortweg, schuur en stalling, rechts van het stadhuis op de Markt.

Met instemming van zijn voogden nam de nog minderjarige Arnoldt Bisschops in augustus 1613 een lening op van 300 gulden met als onderpand zijn aandeel in het ouderlijk huis Int Hertshorn, in de goederen te Vucht (lees: Waldvucht) en in de heerlijkheid Daelenbroek gelegen. (HGR inv.nr. 313-f.137.)

In 1622 stond het huis op naam van Arnoldt als oudste zoon, in huwelijk met Catharina Maessen. Lenardt van Ophoven stond borg voor een onbetaalde herbergrekening. Jonker Richardt van Schoonebeeck, heer tot Tuschenbroick, had met zijn vrouw, tante en de kinderen in Het Hertzhorn gelogeerd. Aan verteringen stond nog een rekening van 253 gulden open. Van Ophoven beloofde dat hij Arnoldt persoonlijk schadeloos zou houden met zijn persoon en goederen tot zekerheid. (HGR inv.nr. 314-f.16v.)

Eveneens in 1622 werd zekere Frans Bisschops genoemd als schepen te Waldvucht. Uit een akte van drie jaar later blijkt dat Arnoldt Bisschops ondertussen overleden was. Hij had nog borg gestaan voor zijn halfbroer Lambert uit het tweede huwelijk van zijn vader met Cunera Spiegels. Lambert had het vierde deel in een huis te Waldvucht geërfd, "Onder de Luif" genoemd, dat hij weldra zou verkopen.

In die jaren gaf zijn moeder namens haar zoon enkele kapitalen uit in guldens en in zilveren souvereinen. Iin juli 1641 kocht hij verderop in de straat achter de Grauwe Thoren het huis In Den Sterre, meestal kortweg De Ster genoemd. Naderhand was hij burgemeester en raadsverwant. Hij was getrouwd met Adriana Smeets, dochter in het huis De Moriaen op de hoek van de Markt. (HGR inv.nr. 314-f.112.)

Midden 17e eeuw is ook sprake van "de opvaart van Het Herthorns erf". Hiermee werd bedoeld de uitgang van de gats richting Roerkade, toen genoemd als: achter de Muur. Achter de herberg lag nog een lege plaats die deel uitmaakte van het huis. (HGR inv.nr. 316-f.119 en f.265.)

Tot in april 1656 is nog sprake van het Hertzhoorn. Daarna komt de naam in de overdrachten niet meer voor. Tussentijds heeft de herberg tegenover de zoutmarkt een nieuwe, welluidende naam gehad: Die Drye Keysers Croonen. Om de grandeur van de "stadsherberg" beter tot zijn recht te laten komen?

De vermeende functie van stadsherberg, waar de heren Staten van het Overkwartier tafelden, was overgenomen door de herberg en uitspanning De Drie Bovenste Croonen op de Varkensmarkt. Daar werd in 1680 het banket gehouden ter ere van de vorst van Nassau-Siegen, de nieuwe gouverneur van het Overkwartier van Gelder.

Eind 1645 verkochten de eigenaars van het buurhuis de woning naast Het Hertshoorn voor 1100 gulden aan Hendrick Rochus en vrouw. Gertruidt Bisschops als nabuur tekende hierop beschud aan. De aankoper ging daarmee niet akkoord. Of het beschud succes heeft gehad is niet bekend.


De Drie Keijsers Croonen...
Drie akten zijn in deze kwestie opgemaakt betreffende het huis onder aan de Markt tussen Ramaeckers en "Het Hirtzhorn" (sept. 1645), alias het huis van de "erfgenamen van Arendt Bisschops zlgr." (nov. 1645), en een half jaar later: "De Drije Keijsers Croenen", zoals de beschudster haar huis noemde (juli 1646). Let wel: het betrof hier drie keer een andere aanduiding van hetzelfde pand! (HGR inv.nr.316-f.41, f.45 en f.51.)

De naam heeft zich niet doorgezet. In de volksmond bleef het voorlopig nog Het Hertshoorn als vanouds heten. Rond 1640 was de herberg Die Keijsers Croonen verhuurd aan Werner Schalck. Hij was in september 1635 getrouwd met Jenne Koopmans en als zodanig schoonbroer van de waardin in De Emmerick aan de st. Joostput. Dat is dus schuin tegenover Het Hertshoorn. In die jaren (1635-1637) is hij nog korte tijd schout van Roermond geweest. (HGR inv.nr. 135-853.)

Het huis onder aan de markt, waar we het hier over hebben, was ondertussen overgegaan op haar zus Joanna, in huwelijk met schepen Peter Claessens, zoals o.a. in 1676 zijdelings als eigenaar genoemd "de wed. van wijlen den schepen Claessens". Maar twintig jaar eerder, betreffende het huis Den Uyl, dat met de hof grensde aan de mistplaats van schepen Claessens. In november 1662 werd hij tevens burgemeester genoemd. Tevens was hij mede-provisor van het armen-weeshuis in de stad.

schepen Claessens...
Peter Claessens was (ca.1642) getrouwd met Joanna Bisschops, dochter van Arnold Bisschops en Catharina Maessen.
Het gezin Claessens heeft hier vanaf hun huwelijk gewoond. Wanneer de heren van de Ridderschappen en Steden van het Overkwartier in Roermond vergaderden, verbleven zij met hun bedienden (suite) enkele dagen in de stad, en hadden hun logies verdeeld over meerdere herbergen. De baron van Hoensbroek nam in die jaren tijdens de kwartierdagen steeds zijn intrek in de herberg van Claessens.

Hun (schoon)zuster Beatrix Bisschops was kort na 1620 getrouwd met de lct. Peter Bosman (ca.1580-1660), zoon van de secretaris mr. Johan Bosman en Elisabeth van der Smitzen. Het echtpaar Bosman-Bisschops kreeg vijf kinderen, waarvan de oudste zoon Johan de lijn voortzette. Peter Bosman* was schepen te Roermond en naderhand ook syndicus van genoemde Staten van het Overkwartier, als opvolger van Wilm Moeitz. Hij hertrouwde op late leeftijd met Windel van Lin. (HGR inv.nr. 140-957 en 317-f.68 en 69v.)

*P.B. "... geboeren ende getoegen van ehrlicke ouders, goede nahme ende fame, signantelick dat sijnen zaligen vader meester Johan Bossman, dese stadt ende hoeftgericht in de quaelitijt van secretaris op te vijff en twintich jaeren tot sijnen sterffdaech toe ehrlick, vromelick ende getrauwelick gedient heeft."
"nu
(1657) omtrent dertich jaeren geleden, eerst voor subsyndicus (-) ende vervolgentlick voor syndicus, bij Ridderschappe ende Steden, representerende den staet van desen vorstendom, aengenomen is."

Daarvan zijn rekeningen bewaard gebleven. In april 1655 had de hertog van Loreijnen op zijn doortocht hier kwartier gezocht. De gemaakte kosten van 158 gulden en 10 stuivers kwamen voor rekening van de Staten van het Overkwartier. Opgeteld bij de overige nog openstaande rekeningen, kwam de waard Int Hertzhoirn uit op ruim 5.500 gulden aan overnachtingen, maaltijden van de gasten en hun personeel en voeder voor de paarden (RHCL te Maastricht 01.001: Overkwartier Gelderland inv.nr. 815.)

Een rentebrief van 300 gulden ten laste van de echtelieden Tolhuis-Kaelen uit maart 1617 met als onderpand hun huis aan de Meelwaag ging in mei 1639 over op Everardt Huberti en krachtens diens testament in 1682 vererfd op pastoor Wilhelmi te Maasniel. Twee jaar later droeg deze de rentebrief over aan de pastoor van de stadskerk en diens kapelaan. Van het bedrag zou 250 gulden garant staan voor het parochie-koor tijdens de jaarlijkse zielemis van het echtpaar Claessens-Bisschops. (HGR inv.nr. 319-f.110.)

Nog in 1676 was er sprake van het huis van de weduwe en erfgenamen van wijlen peiburgemeester en schepen Claessens onder aan de Markt. Enkele jaren later stierf ook Joanna Bisschops. Twee decennis later werd het huis van de erfgenamen, "tegen(over) de merckt, in't affgaen van denselve..." nog zijdelings genoemd, o.a. in juni 1699 en eind 1700. Waarschijnlijk werd het huis toen bewoond door de jongste zoon de lct. Johan H. Claessens, die meestal namens de overige erfgenamen optrad, en zijn jongere geestelijke zuster Catharina Th. Claessens.

De licentiaat Claessens trouwde met Beatrix Agnes Pallant, dochter van Gerardt Patlant en Anna Bossman. Uit dit huwelijk werd in maart 1695 zoon Petrus Gerardus geboren, vernoemd naar de beide grootvaders.

In het bunderboek van 1719 stond deze nog jonge jezuïtenpater genoteerd als eigenaar van Pallantshof te Linne. Ook de Pallantshof te Leeuwen, en enkele huizen te Roermond gingen op hem over.

Het gightboek over de jaren 1703 tot 1708 is verloren gegaan. Het moet in die jaren geweest zijn, dat het vorrmalige Hertzhoorn werd verkocht. Naderhand stond het huis met achterhuis op naam van Reijner Jacobs en Margareta Lenaerts. Zij waren kort voor 1695 getrouwd. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen bekend. Het echtpaar bleef hier wonen tot hun overlijden.

het echtpaar Gelauw-Voss...
Oud van jaren verkocht het echtpaar Jacobs in oktober 1720 het huis naast het gemeijn gatsken voor 1000 pattacons aan Johan Gelauw en Anna Voss, dochter van Johan Voss en Mechteld Maes. Van de koopsom zou 600 pattacons in mindering gebracht worden als restschuld aan de erfgenamen Claessens, nu voor rekening van de aankopers.

Bij de verkoop werden enkele nadere afspraken gemaakt tussen partijen. De verkopers behielden als hun woning het achterhuis (het quartier achter den stal) met uitgang voor aan de straat en in de gats, bestaande uit een onder- en bovenkamer en een kelderke, de stal naast de moestuin en het gebruik van de pomp. Gelauw zou in de onderkamer van het echtpaar een kruisgespan van ijzeren staven laten maken boven tegen de ramen, en de zoldering zou hij naar behoren laten bepleisteren. Dit alles op kosten van de kopers. (HGR inv.nr. 325-f.293v.)

Reiner Jacobs stierf in september 1744 in zijn huis onder aan de Markt en zijn weduwe volgde hem in november 1753 in het graf. Daarmee verviel het gebruik van de woning aan de eigenaars.

Johan Gelauw en Anna Voss omstreeks 1700 getrouwd. Aanvankelijk woonde het gezin om de hoek, vooraan in de Brugstraat (nr. 5). Dat huis hebben zij in maart 1721 verkocht. Uit dit huwelijk werden zes zoons en twee dochters geboren, waarvan enkelen reeds vroeg overleden. Johan Gelauw stierf in april 1746 in zijn huis in de Neerstraat nabij de Markt. In augustus 1747 stierf zijn weduwe aan een beroerte.

Over en weer was het echtpaar Gelauw-Voss bevriend met de families deBor (Brugstraat), Dencken en Vossen (in De Keyser). Een directe verwantschap met laatstgenoemde familie is niet aangetoond.

schoonzoon Willem deVeth...
Het was kort voor hun overlijden dat hun jongste kind Josepha Gelauw (1718-1761) in juli 1745 trouwde met Wilhelm deVeth uit Deursen (lees: Deurne). Uit dit huwelijk werden eveneens acht kinderen geboren.
Hun zoon Johan deVeth (1754-1794) komen we o.a. in 1785 tegen als kapelaan te Sint-Odiliënberg.

Volgens een akte, opgemaakt door notaris Dionisy, Roermond juli 1768, zou Willem deVet inkomsten hebben uit een tiende in Deurne, na overlijden van zijn vader Joost deVet. In het dooprgeister van Deurne staat hij inderdaad in september 1717 ingeschreven. (GAR not. E.Dionisy inv.nr. 4.1 akte 255.)

Over de schuur achter het huis was in 1753 nog kwestie gerezen met dhr. Zeegers van Loon als eigenaar van het achterliggende huis Het Ancker. DeVeth had de schuur aangekocht en vervolgens nieuw laten opbouwen, echter minder hoog dan voorheen, waardoor het regenwater (dackdrup) van het nieuwe gebouw in de aanpalende stal van Het Ancker wegdreef. Wilhelm DeVeth beriep er zich op, dat de tussenmuur oorspronkelijk deel was van de schuur en dat de stal er naderhand tegenaan was getimmerd. Zo getuigden ook de twee timmermeesters, door deVeth opgeroepen, dat de stal tegen de schuur "ies aen gepleck". Twee deskundigen van de dhr. Zeegers stelden echter, dat de oorspronkelijke tussenmuur "gemeen moet sijn geweest". (HGR inv.nr. 226-2758.)

Tijdens de Zevenjarige Oorlog (1756-1763) tussen Oostenrijk en Pruisen waren de Hannoverse troepen in Roermond gelegerd. Voor meerdere kooplieden in de stad een gunstige gelegenheid om hierop hun zaken te richten, met name de fouragie voor manschappen en paarden. Daar waren grote kapitalen mee gemoeid. Sommige inwoners sloten een tijdelijk compagnonschap af, om het risico samen te dragen. Wilhelm deVeth en Johan Boudewijn vonden elkaar als handelspartners. Uiteindelijk liep dit mis, beiden werden het oneens over de financiële afwikkeling en de zaak werd voor het Hoofdgerecht uitgevochten.

De procureur Lamberts was door deVeth als boekhouder aangesteld, maar concrete gegevens komen in de stukken niet voor. De zaak speelde nog in 1768, tien jaar na dato. De verslagen maken vooral gewag van de schermutselingen tussen de raadsheren over en weer. Het zogenaamde compagnie-boek komt wel enkele keren ter sprake, maar blijft verder gesloten. De bedienden van deVeth waren ondertussen overleden, dus van die kant was geen getuigenis meer te verwachten.

Seger Winckelmeulen en Dirck van Neer werden als getuigen opgeroepen. Zij zouden in 1758 door Wilhelm deVeth verzocht zijn om zoveel karren te organiseren als mogelijk, om in Weert haver in te slaan voor de Hannoverse troepen. Zij hadden te Buggenum tot wel 20 karren kunnen regelen. Samen met de ingehuurde voerlieden waren zij volgeladen vanuit Weert weer terug in Roermond. Het verwijt van Boudewijn was, dat hij bij dit alles niet betrokken was geweest; noch bij de opdracht door deVeth, noch bij de aflevering aan de Hannoversen en de uitbetaling van het loon. (HGR inv.nr. 227-2772.)

Opmerkelijk is de vermelding anno 1750 van Willem de Veth in zijn huis De Drie Kronen. Deze benaming kwam toe aan het pand Varkensmarkt 6, sinds jaar en dag ook wel De Drie Bovenste Kronen genoemd. Willem de Veth heeft geen enkele bemoeienis met dit pand gehad. Deze notering in de Handelingen van de Magistraat in april 1750 kan wel een aanwijzing zijn, dat de naam van De Drie (Keizers)Kronen toen nog met het pand onder aan de Markt verbonden was. (GAR: Oud-archief Roermond inv.nr. 35-36. Charlotte Ruijs-Janssen 2012 op website Historie Roermond: Zomaar een huis.)

Na het overlijden van kremermeester deVeth in mei 1793 stond het huis met de wagenpoort en de schuur op naam van zijn nog in leven zijnde kinderen. Naderhand waren dat de dochters Maria Sibilla (1751-1820), religieuze dochter, en Maria Anna Deveth (1749-1830), koopvrouw, laatste erfgenamen van het huis "onder aan de Markt".

In 1791 was er sprake van zekere voerman Francois deVeth die vanuit Roermond transporten onderhield op s'Bosch, vise versa. In het gezin Deveth-Gelauw komt hij niet voor.

Onderaan de pagina de getuigenverklaringen van een proces tegen de waard, integraal overgenomen.

de Speetzengats - de Spiezengats - de Spiesengats - het Spiessengasken - het Spiesegatsken

.
.
.
.
.

NIET-HET-HERTSHOORN
Marktstraat 8-10

Op de kadasterkaart van 1842 staan de huidige panden Marktstraat 8 en 10 als een geheel ingetekend als huis, plaats en gebouw, met daarachter de brouwerij. Dit doet vermoeden, dat het hier aan de straatzijde om een woning handelde. Dat is waarschijnlijk niet het geval geweest. Naderhand kregen beide panden een afzonderlijk perceel-nummer. Beide panden werden in 1560 samengevoegd, zoals drie eeuwen later nog te zien was. In de huizenlijst van 1779 vormen beide panden samen een huis.

Links van de Spiessengats lag het huis van jonker Lambert van Keverbergh, getrouwd met Lysbeth van Pollardt. Anno 1628 stond het huis aan de gats nog op naam van schepen Arnoldt van Horpusch, oom van jonker Keverberg. Toen verkocht buurman Witlings zijn huis aan Otto van der Graeff. Schepen en kerkmeester Horpusch bezat het huis als tochtenaar. Dat was in dezelfde hoedanigheid als bij het huis op de Swalmerstraat, tegenover de Lombartstraat. Horpusch, als weduwnaar van Maria van Cruchten, bezat daarvan het tochtrecht, terwijl het echtpaar Keverberg eigenaar was. Bij de verkoop van dit laatste pand in februari 1629 was ook hun "neef" jonker Hertevelt uit Maasniel aanwezig. (HGR inv.nr. 314- f.205 en f.191.)

Lambert van Cruchten...
Beide huizen waren afkomstig van Lambert van Cruchten en Marie van die Wijher, grootouders van jkr. Lambert van Keverberg en schoonouders van schepen Horpusch. Het voornoemde huis in de Neerstraat stond al in 1575 op naam van het echtpaar Cruchten. Ook buiten het stadsgebied van Roermond lagen erfgoederen, afkomstig van hun grootouders. (HGR inv.nr. 311-f.381.)

In juli 1560 hadden Lambert en zijn vrouw, het aanpalende huis De Raef (nr.10) gekocht van buurman Rencke in gen Raef en consorten en bij hun eigen woning betrokken. Aan de andere kant van De Raef, richting Brugstraat, stond het huis van Rut van Oesen (nr. 12), hetgeen overeenkomt met de akte uit 1575. Marktstraat 8-10 bestond tot 1560 uit twee afzonderlijke woningen. Van toen af zouden beide panden gemeenschappelijk als een behuizing optrekken. (GAR. Gijs v.Bree: regest 3694, HGR inv.nr. 311-f.152.)

Het huis Die Raeve, ondertussen de sijdtcammer van de weduwe Hushaven, was oudtijds belast met een rente van 28½ stuivers, die in mei 1596 door Marie van die Wijher werd afgelost. Daarna komt deze belening in de stukken dus niet meer voor en was het huis lastenvrij. (HGR inv.nr. 312-f.49v.)

 

Evert Syceram...
Twee generaties later,
in februari 1639 verkocht het echtpaar Keverberg-Pollardt hun huis "bij het afgaan van de Markt naar de Brugstraat" (nr. 8-10). Toen werd het pand gesitueerd tussen het Spiessengatsken en het huis van Otto van der Graeff (nr. 12) en ging voor 2800 gulden over op Everardt Syceram en Jenneke Verhaegen. Kopers betaalden bij de overdracht tevens 6 dubbele gouden souvereinen, ad 6 rijksdaalders per stuk als verteergeld. Everdt was, evenals zijn vader Louis Siceram voordien, ontvanger der licenties en tollen op Maas en Rijn. (HGR inv.nr. 315-f.156.)

De broers Everaert en Jeronimus, zoons van Louwys Cyceram en Florentia Vital, procedeerden in 1622 en de daaropvolgende jaren voor het Hof van Gelder wegens openstaande herbergkosten ten huize van hun overleden ouders gemaakt. Kapitein Nicolas de Pundere, gelegerd op de schans te Arcen, vertoefde geregeld in de herberg van zijn "neef" in Roermond, meestal gedurende weken en zelfs maanden, tussen 1609 tot zijn overlijden in 1613. Daarbij nodigde hij tevens goede bekenden aan tafel. Er stond naderhand nog een schuld van 730 gulden open. Diens erfgenamen probeerden de zaak af te maken als zijnde familie-bezoeken. De ouders van de aanleggers hadden er al die jaren zelf nooit een zaak van gemaakt. Louwys Syceram was tot 1618/19 tevens ontvanger van de tollen op de Maas, zoals diens vader voorheen. (RHCL te Maastricht 01004: archief Hof van Gelder te Roermond inv.nr. 302-492 anno 1622.)

Een ander proces voor het Hof maakt gewag van naaste verwanten, met name Christoffel Buytendijck te Gennep, die nog openstaande schulden had nagelaten, waarop o.a. diens neef en oomzegger Marselis Cocx*, schepen te Kleef, werd aangesproken. (RHCL te Maastricht 01004: archief Hof van Gelder te Roermond inv.nr. 310-614 anno 1627.) * Zoon van Daniel Cocx en Henderske Buytendijcks, a.d. Kraanpoort, Roermond.

De herkomst van de familie Siceram moeten we in Brussel zoeken. In juni 1618 werd daar in de Hoogstraat een verklaring afgelegd door Catharina Coppens, weduwe van Everaert Siceram zlgr., en (haar zoon?) Louis Siceram, betreffende de licenties der tollen op Maas en Rijn. Mogelijk hebben we te doen met de grootvader en vader van Everardt Siceram, de volgende pachter van de tollen. Het schrijven werd gebruikt in een proces voor het Hof van Gelder te Roermond, waarin genoemde Louis Siceram partij was. (RHCL te Maastricht 01004: archief Hof van Gelder te Roermond inv.nr. 302-410 anno 1618.)

Het gezin Siceram-Verhaeg woonde afwisselend in Roermond en Venlo. Hun eerstgeborene werd in 1621 te Roermond gedoopt. Dochter Anna Maria (1625) en zoon Levinus (1627) in Venlo; zo genoemd naar zijn peetoom Levinus de Reyt. Daarna is het gezin weer in de bisschopsstad teruggekeerd, waar zoontje Joannes (1630) werd geboren. In 1625 was zekere Christina, merdtschipperse van Roermond, de peettante van de dopeling. Dat blijkt Stijncke Moetsen te zijn, de vrouw van marktschipper Hendrick Kindt (in het gotische huis) in de Brugstraat.

In juli 1643 kochten Everardt Syceram en vrouw Jehenne voor 550 gulden het pand De Ververij met moestuin achter de Muur. Ook elders in de Neerstraat hadden zij nog een huis. (HGR inv.nr. 316-f.5 en f.10.)

o
0

Hun 19-jarige dochter Anna Maria Siceram trouwde op de eerste dag van 1645 te Roermond met don Diego Zorilla Angulo, sergeant-majoor, elders: overste wachtmeester. Uit dit voor hem derde huwelijk werd in december 1647 hun zoontje Diego jr. (Didacus Franciscus) geboren. In mei 1668 beleenden de voogden van de jongen het halve huis (nrs. 8-10) in de Neerstraat, tussen het huis van Hendrik Aelmans en het Spiese-gatske met een kapitaal van 350 rijksdaalders bij het echtpaar Pijlmans. Als bijpand gold de halve moestuin achter de Muur, nu Roersingel. (HGR inv.nr. 317-f.219.)

Don Diego Zorilla, contador van de Sale de Quente van Zijne Majesteit, was eerder in tweede huwelijk getrouwd met Helena de Zuca. Uit dit tweede huwelijk is Maria Magdalena Zorilla (*ca.1635) bekend, mede-erfgename van een huis in de Brugstraat. (HGR inv.nr. 317-f.136 en f.180.)

De belening uit 1668 werd in april 1671 door de erfgenamen Siceram afgelost met een gelijk bedrag afkomstig van het echtpaar Joris-de Groot. Die erfgenamen waren de minderjarige kinderen van wijlen de schepen Louis Vincent Siceram (1621-1663) en Anna Maria Carpentier, oom en tante van wijlen Diego Zorilla jr. Het geld werd in oktober 1685 afgelost. (HGR inv.nr. 318-f.20v.)

De schepen Siceram was ook buiten de stad gegoed, zoals de halve hof De Borgh te Merum, waarvan zijn neefje mede-eigenaar was. Zijn weduwe was voor een derde deel gerechtigd in de hoeve Ter Broeck te Schinnen. Zijn natuurlijke dochter Anna Louise was kort voor 1665 in het begijnhof te Brussel gaan wonen.

In zijn testament, opgemaakt in juni 1663, droeg schepen Siceram zijn vrouw op, om hun zoontje door te laten studeren, ofwel in de rechten danwel in religieuze zaken en hem de roep tot kloosterling niet te beletten. Ook zijn dochter Florentine zou de mogelijkheid moeten krijgen om zich bij de nonnen de Franse taal eigen te maken. Verder moest nog de som van 60 gulden aan de Rekenkamer betaald worden, wegens het wettigen van zijn natuurlijke dochter Louisa, geruime tijd voor zijn huwelijk geboren.

Diego Zorilla jr. stierf omstreeks 1670. Twee jaar eerder was hij nog voor de helft gerechtigd in de goederen afkomstig van zijn grootouders. Bij de verkoop van het huis naast de gats in april 1671 werden enkel nog de kinderen van zijn oom Siceram als eigenaar genoemd.

 

Het huis (nr. 12) van Hendrik Aelmans en Marie Strijdthaegen, was afkomstig van Mathijs Smeets van Roosteren en Trijne Cornelissen. Laatstgenoemd echtpaar had het huis (tussen Toenis Mets en de ontvanger Syceram) in maart 1655 beleend met 200 gulden bij het echtpaar Aelmans. Tegen het eind van dat jaar werd de belening omgezet in definitieve verkoop. Het huis was toen belast met 400 gulden, hetgeen zeker van de koopsom van 1100 florijnen in mindering werd gebracht. Daar bovenop droeg Aelmans aan Smeets over een bunder grasland en een halve bunder akkerland in de Maastbrachter Ohe. (HGR inv.nr. 316-f.234 en f.250.)

Naderhand was het kleindochter Mechteld Aelmans die het huis meebracht in haar huwelijk met Theodorus Slotmaeckers. In 1741 beleenden hun kinderen het huis in de Neerstraat en hun helft in het groot huis op de Markt met een kapitaal van 1000 pattacons, bestaande uit franse pistolen (t.w.v. 600 patt.), met 100 gouden dukaten en de rest met zilveren munten. Het geld werd opgenomen om daarmee een ander kapitaal af te lossen, waarvoor een hogere rente gevraagd werd. Voor de situering van het huidige pand Neerstraat 8-10 voor en na 1700 is de erfopvolging van huize Aelmans een welkome constante.

Marktstraat 10-8

Louis de Provens...
Het koopmanshuis tussen het pand Aelmans en het gatske was tot Pasen 1677 verhuurd aan Matthijs Joris, secretaris van het Overkwartier. Eind 1676 werd het huis op verzoek van (de laatste erfgenaam) pater Ludovicus Siceram, in het klooster der predikheren te Keulen, bij openbare verkoop verkocht aan de ontvanger Louis de Provens en Elisabeth in de Winckel. Het huis werd ingezet op 1240 rijksdaalders, bovenop de last van 350 rijksdaalders. Na twee zitdagen veranderde het huis na vele hoogsels aldus voor 1800 rijksdaalders van eigenaar. (HGR inv.nr. 318-f.118v.)

Naar oud gebruik werd tijdens de zitting gratis bier geschonken, de zogenaamde lycop, ten koste van de uiteindelijke aankoper. De ene keer was dat alleen tijdens het hogen "terwijlen de kertse brandt", een andere keer binnen een afgesproken tijd "äls bij partijen sal worden aengecondicht". Indien nodig waren naderhand immers nog personen te vinden, die getuigenis van de verkoop konden geven bij het ontbreken van schriftelijke bronnen.

Ruim een halve eeuw later stond het huis links naast de gats op naam van Matthijs Naus, koster van de kathedrale kerk, en diens vrouw Johanna Cos (1708-1768). Naus was geboortig van Leeuwen als zoon van de pachters op de Kapittelhof. Het huis onder aan de Markt was afkomstig van zijn schoonouders Rudolf Cos en Catharina Rumont. In januari 1734 kocht het echtpaar Naus het ouderlijk huis van de overige erfgenamen Cos voor de lieve prijs van 1300 pattacons. In die tijd stond huize Cos bekend als De Bossche Karre. (HGR inv.nr. 328-f.294v e.v.)

Koopman Rudolf Cos had het huis in oktober 1719 verworven bij openbare verkoop door de erfgenamen Schoncken-Peus. Toen werd voor het huis als laatste bod 1310 pattacons betaald. Om de koop te kunnen sluiten, had het echtpaar Cos het pand beleend bij Joanna Smeets, de weduwe Zeger Zegers. (HGR inv.nr. 325-f.245 en f.251.)

Hoe de overgang tussen Provens en Schoncken heeft plaats gevonden, blijkt uit een akte, opgemaakt in juni 1698, dus ruim twintig jaar na voormelde openbare verkoop. De overdracht eind 1676 bleek anders te zijn verlopen, dan hierboven vermeld. Peter de Provens en zijn zuster Helena Clara hadden tussen de paperassen van hun overleden ouders aantekeningen gevonden, die erop wezen dat hun vader de koop had gesloten namens Johan Schoncken en Mechteld Vermaesen uit "vrindtschap ende goede kennis". De koopsom was toen ook door het echtpaar Schoncken betaald. De erven Provens maakten hiervan melding bij het stadsbestuur, om te voorkomen "dat schier oft morghen tusschen leven ende sterven desweghen eenigh dispuyt mochte ontstaen". De zaak werd alsnog officieel in de boeken rechtgezet. (HGR inv.nr. 321-f.218.)

Peters Joseph Painsmay...
Het huis van de koster ging naderhand over op
Anna Maria Naus, in tweede huwelijk getrouwd met Peter Joseph Painsmay. Zij woonden zelf verderop in de Neerstraat in het huis De Emmerick. Het huis naast de gats was toen (1780) verhuurd aan Hendrick Naus.

Bij de eerste opmaak van het kadaster in 1821 stond het huis op naam van de weduwe Frencken. Achter die naam gaat Maria Catharina Painsmay (1762-1838) schuil, weduwe van Henr. Godefr. Frencken (1752-1813). Vervolgens werd het huis met de bijgebouwen vererfd op hun (enige) zoon, de brouwer Henri J.G. Frencken. Achter het huis bevond zich de brouwerij.

*Het hier besproken pand was breder dan het huidige pand Marktstraat 8. Ook pand nr. 10 maakte hiervan deel uit, zoals te zien is op de kadasterkaart van 1842 in vergelijking met de huidige situatie. Het onderzoek loopt nog...

.
.
.
.
.

Hans Jurgen Lintholts, Jurgen Kuseling, Wolter Smit vs. Werner Schalck anno 1642 Hoofdgerecht 135-853.

Op huijden den 24 juny 1642 hebbe mij onderss. greffier van de andientie militaire te Ruremunde door last ende bevel van Mijnheere den auditeur Cox verveught in Die Keijsers Croonen alhier ter instantie van seeckere ruijters van de compagnie van de rittmeister Stanco, commandant over drie compagnien Croaten aldaar ghelogeert gheweest sijnde, ende dat ter saecke van seecker dispuit soo sij sijn hebbende mit den weerdt van de voorss. herberghe.

Welcken volgens voor mij gecompareert sijnde Hans Jorghen Lintholts, ruijter van de voorss. compagnie, alt dertigh jaeren ende denselven affghenomen hebbende den ghewonlijcken tuijghen eijde ende daertoe verdaghvaert parthie advers den voorss. weerdt, heeft hij deponent onder denselven eijdt verclaert, ghetuijght ende gheattesteert dat hij voorleden saterdagh mit vier andere cameraten van dieselve compagnie in de voorss. herbergh des morgens is comen logeren, ende int incommen aen de weerdt een plaets ghesonnen om hunne begagie te leggen, ghelijck dien volgens deselven weerdt hun op eijn kleijn camercken die trap opgaende, heeft gheleijt, alsoe samenderhandt die camer achter sigh toe, ende nommende den schlutel tit sigh, sijnde ghebeurt dat een halve vuijre daernaer hij deponent is ghecommen mit twe broden dij hij deponent begerde op dieselve camer te leggen, tot welcken eijnde den weerdt mit hem is ghegaen die camer openen, ende naerdat hij die broeden aldaer hadde nedergheleght, vergheselschapt mit sijnen cameraet, is hij mit denselven die vamer affghegaen ende den weerdt daernaer hun ghevolght, waermede hij deponent mit sijne consorten sijn vuijtghegaen in de stadt tot verrightinghe van hun affairen. Ende wederom thuijs commende hebben datelijck in die stove gaen sitten eten. Waernaer ghereit sijnde om te vertrecken, hebben den weerdt aengheroepen om die camer te openen om hunne begagie te hebben, ende daermede die trap opgaende, hebben die camer gheopent ghevonden, niet wetende wy dieselve gheopent heeft, mits hij wat beschoncken is gheweest. Ende commende op die camer heeft beijde sijn pistolen niet ghevonden wie oock niet sijnen mantel, twelck hij oversulx van de weerdt comt te heijschen ende te repeteren, dewijl hij sulx in sijn bewaer heeft ghelaeten ende daervan responsabel is, daerover reght versueckende, ende daerbij naer voorgaende lectuire persisterende et nesut soribere maeckende eijsch van costen.

Vervolgens is ghecompareert Joergen Kuselingh, ruijter van de compagnie van de rittmeister Stanio, alt aghtendetwintigh jaeren, denwelcken naer ghedaenen eijdt, heeft onder denselven verclaert dat voorleden saterdagh commende alhier in die herbergh in Die Drie Keijsers Croonen, mit vier cameraten van deselve compagnie ende ghesinnende aen de weerdt een camer om hunne begagie te laeten, heeft denselven hun gheleijt op een ter siden camercken die trap opgaende, alwaer sij hunne begagie hebben nedergheleijt, daermede affghegaen ende den weerdt hun ghevolght, sluitende die camer toe ende nimmende den sleutel tot sigh ende naerdat sij nu geten ende ghedroncken haden, hebben willen vertrecken, roepende den weerdt aen om die camer te openen ghelijck hij mit hun die trap is opghgaen, vindende die voorste duer van die vamer albereits gheopent, ende d'ander optreckende sonder schlutel, waermede hij deponent neffens d'anderen die vamer ingaende, heeft hij deponent ghemist sijn paer pistolen, die hij oversulx sustineert dat der weerdt ghehalden sal sijn hem goedt te doen, als in sijn beswaer ende verantwoordinghe ghelaeten hebbende, daerover reght versueckende, ende maeckende eijsch van costen. Daerbij naervoorgaende lecture persisteert, et nehut heribere.

Daernaer is ghecompareert Volter Schmit, ruijter van de compagnie van den rittmeister Stanco, alt vierendetwintigh jaeren, denwelcken naer ghedanen eijde heeft verclaert, dat voorleden satersdagh is comen logeren in Die Drie Croonen alhier, ende ghesinnende plaetse voor hunne begagie te leggen, heeft den weerdt mit die maeght hun gheleijt op een tersiden camercken die trap opgaende, alwaer sij hunne begagie hebben nedergheleijt. Daermede affghegaen ende den weerdt die camer toeghesloten, luttel tijdts daernaer hij deponent broet ghecoght hebbende, heeft van den weerdt begeert om tselve boven op die camer te mogen leggen, ghelijck den weerdt tot dien eijnde mit hem daerop ghegaen is, ende oock wederom samen affghegaen, sluitende hij weerdt die vamer aghter sigh toe, ende nu geten ende ghedroncken ehbbende, ende willende vertrecken, hebben der weerdt gheroepen om hunne begagie te mogen hebben, denwelcken mit hun die trap opgaende, heeft die duer gheopent ghevonden ende dat die schleup van het schlot was vuijtghetrocken ende hij deponent ingaende, heeft sijnen mantel ghemist ende niet ghevonden, die hij oversulx van de weerdt compt heijschen ende daervan eistadinghe versoeckende als daervan responsabel sijnde, daerover reght versueckende mit eijsch van costen, daerbij naer voorgaende lectuire persisterende et nesit seribere.
Dese verclaeringe is alsoe gedaen voor mij onderss. greffier ten overstaen ende bijwesen van den burgemr. ende secretaris Bosman, in oirconde geteekent, Cor Henr. Oortts.

Op huijden den 24 juny 1642 compareerde voor den heere borgemeister Bosman, ter presentie van greffier militair alhier, Werner Schalck, weerdt in Die Keijsers Croonen, ende heeft onder eijde verclaert dat den zaterdagh lestleden vijff ofte ses ruijter tot sijnen huijse sijn ghecomen, ende de peerden in den stall geleijt hebbende, sijn int huijs gecommen, ende een plaetse versoght om hun saecken ende pistolen daer in te leggen, ende dat hij hun dieselve ghetoont ende gheopent heeft, ende dat sij ettelijcke saecken daerop gheleght hebben, sonder dat hem in particulier bewaer ghegeven sijn, maer dat hij hun dieselve alleijn naer constuyme verslohten ghelent heeft, zeggende verners dat hij deponent op den eenen ende des anderen verseuck tot drie ofte vier maelen die deur gheopent heeft ende dat sij elcker reijse ennighe saecken hebben op ende affghedragen, sonder dat hij daerop heeft ghelet wat het ghewest is.
Adderende daer beneffens dat ennighe voor ende d'anderen naer vertrocken sijn, ende dat den geenen sot sijn cappot soude verlooren hebben mit den kneght van den huijse naer die camer sijn ghegaen, om die cappot te haelen, ende dat sij doen die caemer opghebrocken ghevonden hebben, verclaerende verners onder denselven eijdt dat hij den voorss. cappot ofte pistolen niet en heeft nogh ter quader trouwen verbracht heeft, ofte oick niet en weet wy dieselve verbraght heeft als sij onder hun lieden concluderende, tot absolutie van dese instantie, cum expensis. Ende naer voorgaende lecture heeft daerbij ghepersisteert ende dese onderschreven. Was onderteeckent, Werner Schalck.

Agnes Coopman, werdinne in Die Keijsers Croonen, seght dat verleden saterdagh eenighe ruijters t'haeren huijse sijn commen logeren, ende dat sij van haeren man verstanden heeft, dat ennighe ruijters gerne eene camer hadden om hunne saecken daer op te leggen dat sulx geschiedt is ende ghemerckt 't huijs vol volck was, en weet anders niet te seggen dan retirert haer tot verclaeringe van haeren mans, knechts ende maghden, ende naer voorgaende lecture heeft daerbij ghepersisteert ende dese onderscreven. Was onderteckent Agnes Coopmans.

Jurgen Weijer, alt 25 jaeren, verclaert onder eijde dat voorleden saterdagh eenighe ruijters bij hun in die herberghe sijn commen logeren ende dat doen die drie leste ruijters wolden vertrecken, dat hij den schlutel van den camer naeme om die te openen, ende dat hij mit die voorss. ruijters die vamer opghebrocken heeft ghevonden, ende dat den eenen sijnen capot, ende die andere twe haere pistolen seijden te missen, d'selve soekende onder die bedtstedem verners verclarende onder den selven eijde dat hij denselven cappot ofte pistolen niet en heeft nogh en weet wy dieselve hebben magh. Ende naer voorgaende lectuire heeft daerbij ghepersisteert ende des bemerckt. +

Catharina Bronchuijsen, alt 30 jaeren, verclaert onder ghedanen eijde ander nyet te weten dan dat den saterdagh lestleden ennighe ruijters bij hun sijn comen logeren, ende ennighe saecken versoght te leggen op ein camer ende naerderhandt ghehoort te hebben, dat sijluijden enighe pistolen mit ein mantel souden ghemist hebben. Ende verners niet daervan te weten, overmits sij in die keucken mit koecken doende was, nogh datselve niet te hebben ofte te weten wy dieselve heeft. Ende naer voorgaende lectuire heeft daerbij ghepersisteert ende dese bemerckt. +

Arnolt van Nexsendorp, alt ontrent 40 jaeren, dinar van den heere van Hellenraedt, verclaert onder ghedaenen eijde dat den saterdagh lestleden bij hun ennighe ruijters in die herbergh sijn commen logeren ende doen ghesien te hebben, dat seeckere ruijter van de camer alwaer die voorss. pistolen ende cappot in bewaer waeren, vuijtghecommen is, ende die trappe affcommende ghesien dat hij onder sijnen mantel einen roden cappot mit een par pistolen hadde ende dat tw daedde witte schletten op die pistolen waeren ende dat hij daermede vuijt den huijse is ghegaen, oirsaecke sijns wetens dat hij int voorhuijs op ein block naest die trappe gheseten heeft, ende dat hij ontrent een vierdel vuijren wederom is commen ende van de werdinne gheheischt heeft twe pistolen soe hij haer te bewaere hadde ghedaen, diewelcke die werdinne hem oock heeft weder ghegeven ende is also op sijn peerdt gaen sitten ende wegh ghereden ende als mit die wegh ghereden was, sijn die andere drie ghecommen ende hebben naer hunne pistolen ghevroeght, ende dat hij doen heeft hoeren seggen dat die camer was opghebrocken ende die pistolen mit die cappot ewegh van de meerrest seght van dese saecke niet te weten.
Gevraeght sijnde wat voor eene person waere die deselve hadde affghedraghen, seght denselven te wesen middelbaer van statuir, rwet van ansight, bruij van baerct, ende een vospeerdt, een wenigh ghesprinckelt ghehadt te hebben. Ende naer voorgaende lectuire heft daerbij ghepersistert ende deze onderteckent. Was onderteckent Arnolt van Exendorp.

Accordat P Bossman.

Niet gefundeert... en de aenleggeren in die costen condemnerende ter taxatie ende mederatie van het Hoofdgericht. dd. 26 juni 1642.