............ DE GEKROONDE VALK

Laatst gewijzigd: 27-10-2019 © Jan Ruiten

DE GEKROONDE VALK
VERLIEST ZIJN KROONTJE
H.Geeststraat 1

Aanleiding voor dit opstel was het artikel in o.a. De Limburger dd. 19-10-2019*. Hierin wordt de herkomst van de gevelsteen aan het pand hoek H.Geeststraat beschreven. De steen met een gekroonde valk erop wordt in verband gebracht met Gysbert van der Vrecken, in 1787 primus aan het college De Valck te Leuven. Het huis zou toen op naam staan van zijn oom en tante, het echtpaar Barbou-van der Vrecken. We kennen dit echtpaar als de bouwers van het buitengoed Heysteren in de Linnerweerd en als bewoners van het pand Lindanusstraat 5. Na het wereldwijd opheffen van de orde in 1773 kocht het echtpaar het huis Jesuitenstraat 2, grenzend aan het voornoemde hoekhuis. Dit laatste pand stond rond 1800 evenwel op naam van bakker Custers. Een verband tussen de gevelsteen en het college te Leuven vervalt daarmee. Vraag is, of de gevelsteen oorspronkelijk dan nog wel bij het pand heeft behoord. (*DL-M.Limburg 19-10-2019, regio pag.5.)

|
Of de gevelsteen oorspronkelijk voor dit pand bedoeld was, is nog maar de vraag. De vermeende naamgever, in 1787 primus van het college De Valck te Leuven had in elk geval niets met dit pand van doen. Net zo min als zijn oom en tante, het echtpaar Barbou-van der Vrecken.

Een gedenksteen of een huisnaam?
o

= IN DEN GEKROONDEN VALCK =

de vermeende bewoners...

De paters hadden zich ruim twee eeuwen daarvoor in Roermond gevestigd, in de toenmalig zo genoemde Lombardenstraat. Naast het college en overige kloostergebouwen, hadden de paters het voornoemde huis aangekocht. Dit pand werd in de akten geregeld nog genoemd als "het huis der jesuieten" als buurpand van het hoekhuis waar dit opstel over gaat. Nu is dat Jesuitenstraat 2.

De orde werd in 1773 door paus Clemens wereldwijd opgeheven. In de Oosenrijkse landen ging men al spoedig over tot de verkoop van hun goederen. Zo ook in Roermond en het naburige Maasniel. Daar werd in 1775 de jezuieter Spick in delen verkocht. In het ambt Montfort gebeurde dat enkele decennia later.

In de huizenlijst van 1780 stond dit huis op naam van sr. Barbou en werd door "verscheijde huurlingen" bewoond. In de lijst van portes et fenêtres uit 1801 staat het huis onder nr. 524 op naam van de weduwe Barbou, met de vermelding "la maison des ci-devant jesuites".

Octaaf Barbou (1732-1800), geboortig van Amsterdam, trouwde in februari 1766 met Alexandrina van der Vrecken, de weduwe Brienen. In mei 1788 kochten zij het buitengoed Heysteren in de Linnerweerd. Zij lieten de pachtboerderij met herenhuis verbouwen tot een royaal kasteelachtig buitengoed. Daar gingen zij in de zomermaanden wonen. De buitenlucht was immers gezonder dan de binnenstad. 'sWinters verbleven zij dan weer in hun statige en meer comfortabele huis aan de Hoge Heghstraat (nu Lindanusstraat).

In die tijd werden meerdere pachthoeven in de streek door de welgestelde eigenaars uitgebreid en verfraaid, waardoor men heden ten dage nog is behept er riddermatige goederen aan te koppelen. In werkelijkheid betrof het daarvoor slechts een hoekhuis naast de varkensstal of een kamer boven de koestal. Nog steeds wil men van zijn uil een valk maken.

De Nieuwe Koerier van 5 november 1891 deed nog eens uitgebreid verslag van het uitzinnige feest ter ere van de primus in 1787. Terloops werd ook melding gemaakt van bovenstaande gedenksteen, die aan deze gebeurtenis nog zou moeten herinneren. Maar is de schrijver niet iets te scheutig geweest? Ietwat kort door de bocht? Tot kort voordien prijkte deze steen aan de gevel van voornoemd hoekpand. Maar dan toch niet als gedenksteen?! Dan had daar toch minstens het jaartal van dit heuglijke feit op gestaan.

de werkelijke bewoners...

In de huizenlijst van 1780 stond het huis op de hoek van de H. Geeststraat, als nr. 654, op naam van de weduwe Sybert van Aestenbergh, bakker. Achter die naam ging Liesbeth Laumen schuil. Zij runde hier de bakkerij met behulp van dochter en schoonzoon.

Mathias Custers trouwde in juli 1776 bij de minderbroeders met Ida Sibilla, oudste van vier kinderen van Sybert van Aestenbergh en Liesbeth Laemen. De bruidegom (ca.1740-1817) was geboortig van Sint-Geertruiden. Het bakkersgezin Custers woonde rond 1800 in het hoekhuis aan het begin van de H. Geeststraat. Naderhand werd de bakkerij voortgezet door hun zoon Hendrik (1773-1854). Hij was in februari 1800 getrouwd met Maria Agnes Smeets (1758-1809), dochter van Gerard Smeets en Catharina Simons uit Maasniel.

Kort daarop werd hun dochtertje Maria Ida (1801-1875) geboren. Haar jongere zusje stierf kort na de geboorte. Maria Ida trouwde in maart 1829 met schoenmaker Jan-Frans Jennissen (1800-1841).

Vader Hendrik Custers en dochter, de weduwe Jennissen, runden naderhand de bakkerij en de winkel met inwonend personeel als gezel of dienstmeid. In oktober 1871 nam het echtpaar Leurs-Timmermans de zaak over. Het gezin met vier kinderen was afkomstig uit Sittard. Louis H. Leurs begon hier zijn zaak als suikerbakker met wisselend personeel. Tien jaar later keerden zij terug naar Sittard.

Volgens de bevolkingsregisters kwam hier toen vanuit Antwerpen banketbakker Jean Th. Janssens wonen, met vrouw zoon en dochter. En de jeugdige Alfons Plaum als bakkersgezel. Hij was getrouwd met Jeanne Plaum. Naderhand verhuisde het gezin naar de Hamstraat, om vervolgens in mei 1890 weer naar de Scheldestad tergug te keren.

Uit het bovenstaande blijkt al, dat de steen niets met het grote feest in 1787 te maken heeft. Dat blijkt ook uit de steen zelf met het opschrift: IN DEN GEKROONDEN VALCK. Dat geeft al aan dat het hier niet om een gedenksteen handelt, maar als huisnaam is bedoeld. Van een bakkerszaak bijvoorbeeld.

 

wat eraan vooraf ging...

Al in maart 1588 stond het hoekpand tegenover de H. Geestkerk op naam van Jan van Herkenbosch. Ook wel Jan Linssen van Herkenbosch genoemd. Hij was bakker van beroep, evenals zijn broer Walram Linssen, die zijn bakkerij had aan de poel op de Hamstraat. Hij was een zoon van Lins van Herkenbosch en Anna van Merum. Naderhand, in 1601 (zie afbeelding) en 1603 werd hier Jan van Herkenbosch, de bakker, genoemd. Het huis ging over op zijn erfgenamen, die het pand verkochten. Hij was een oom van Laurens Walrami, van 1606 tot 1636 pastoor te Maasniel. (HGR inv.nr. 311-f.410 en 312-f.107.)


- Jan van Herckenbosch den becker -

In 1636 stond het huis op de hoek van de H. Geeststraat onverdeeld op naam van de brouwer Corst Neijven en zijn vrouw Anna, en op naam van Henrick Beumers en vrouw. Beide partijen verkochten onafhankelijk van elkaar hun aandeel in het huis aan Johan Witlings en Trijnken Schirpen. De een voor 360 gulden en de ander voor 375 gulden. Kort daarop werd het huis met 300 gulden beleend bij het echtpaar Febus-Janssen, met een jaarrente van 15 gulden. (HGR inv.nr. 315-f.104-f.106-f.111.)

Corst Neijven kennen we al uit ander onderzoek. Hij werd ook wel Corst de brouwer genoemd en was getrouwd met Anna Vossen. Zij hadden in 1615 het huis met brouwerij in de Neerstraat gekocht, schuin tegenover het pand, dat wij nu kennen als De Stenen Trappen. Ook stond hij sindsdien ook wel bekend als Corst Neijven In Die Wilde. Hij was een zoon van Hendrick Nijven en diens vrouw Trincke. Zijn moeder hertrouwde in tweede huwelijk met bakker Jan Linssen van Herkenbosch. Uit dit tweede huwelijk werd een dochter geboren, met name Metge Linssen.

Metgen stierf, ongehuwd, na haar vaders dood. Het was haar tante Lysbeth Linssen, de weduwe Beunen, die toen de nalatenschap opeiste. Daar kwam Corst tegen in opstand. Hij was als halfbroer immers meer verwant. Hij liet er geen gras over groeien en spande terstond een proces aan. Dat was in 1634. Behalve de erfgoederen in Roermond zelf, waren dat ook de gronden en landerijen te Berg, te Ool en elders. Van de grond te Lerop onder Sint-Odiliënberg is bekend dat hij eigenhandig bezit had genomen, middels de gebruikelijke handelingen van "die schuppe daerinne gesteecken ende een deel daervan umme gegraeven". (HGR inv.nr. 132-763.)

Mede-eigenaar Hendrick Beumer was procureur, die namens anderen zaken aan het Hoofdgerecht afhandelde. In die hoedanigheid komt hij geregeld in de stukken voor. Hij was getrouwd met Marie Wondarts.



Nadat zijn huisbaas enkele keren het opmetselen van een bakoven had getraineerd, kocht Johan Witlings in 1636 het hoekpand tegenover de H.Geestkerk. Daar kon hij zijn nering naar behoren uitvoeren.

Johan Witlings was bakker van zijn stiel. Omstreeks 1630 had hij van Jan Worms een huis in de Schoenmakersstraat gehuurd. Enkele jaren nadien, was hierover onenigheid tussen beiden. Volgens Witlings was het huurcontract nog niet uitgeschreven. Gelukkig kon hij zich wel beroepen op getuigen over gemaakte afspraken. Het ging daarbij o.a. om het aanbrengen van een bakoven. Witlings had al afspraken gemaakt met de metselaars, maar de verhuurder had de uitvoer ervan steeds weten te verhinderen. Met de aankoop van het hoekhuis, kon Witlings zijn beroep als bakker weer opnemen en sijner naringhe verdienen. (HGR inv.nr. 132-754.)

In juli 1642 verwierf het echtpaar Witlings nog een ander huis, verderop in de Lombardstraat, in ruil voor een moestuin en 250 gulden in contanten. (HGR inv.nr. 315-f.206.)

Trijncken was zijn tweede vrouw. Bij dit tweede huwelijk was afgesproken dat de voor- en nakinderen gelijk zouden delen "in schuld en ontvangst". Zo blijkt uit een akte opgemaakt in mei 1650. Tevens blijkt, dat Witlings dan nog als bakker zijn nering verdiende. (HGR inv.nr. 316-f.106.)

Dezelfde Jan Witlings was al in 1618 getrouwd met Driesken Verlynden. In 1621 werd hij aangeklaagd wegens messentrekkerij. Het voorval deed zich voor ten huize van zijn oom Gerardt Witlinghs bij gelegenheid van het huwelijk van diens dochter Neeske. Johan was gevraagd om de gasten te helpen bedienen (tracteren). Daarvoor zouden hij en zijn makker Jan van Swaemen een "keersensnuiter" krijgen. (HGR inv.nr. 123-566.)

Het huis was vol bezet met bruiloftsgasten. De jeugd zat boven op de zolder. Toen Johan naar huis wilde gaan en aan zijn oom vroeg om de belofte in te lossen voor het helpen bedienen, raakten beiden in onenigheid. De ruzie tussen beiden hield aan. Het was al op de tweede dag van het bruiloftsfeest, dat Gerardt Witlings hoorde over nieuwe ruzie. En dat hij sommige gasten op smadelijke woorden trakteerde. Toen hij daarop zijn neef hardhandig wilde aanpakken, trok de jongeman zijn mes. Een van de bruiloftsgasten, die tussenbeide wilde komen, werd daarbij geraakt. Ook zou Johan een van de knechten van de bruidegom met het mes hebben aangevallen.

De ruzie hield aan tot op de derde dag van het bruiloftsfeest. Er was nog veel volk in huis. Naderhand werd Johan Witlings aangeklaagd voor het verwonden van de twee voornoemde gasten. Naast een geldboete van 24 goudgulden, hing hem een gepaste lijfstraf boven het hoofd, plus een bijdrage van 50 gulden voor het nieuwe orgel in de kerk.

Twee decennia na de aankoop werd het huis in september 1656 verkocht aan het echtpaar Wolters-Meijers. De koopsom bedroeg 930 gulden. Het zal geen vrijwillige verkoop zijn geweest. Hierbij trad namelijk de schout namens de heer (lees: de overheid) op als medeverkoper. Witlings was zwaar in de schulden geraakt en het huis was nog steeds met genoemde lening belast. Na uitspraak van het gerecht werd het huis verkocht en van de koopsom werden de schulden afgelost. (HGR inv.nr. 317-f.2.)

 

Gerardt Wolters was afkomstig uit Brugge. Hij was getrouwd met Merrij Meijers. Het huis werd gesitueerd tegenover de H. Geestkerk op de hoek met de Lombartstraat. Daar grensde het huis achterlangs tegen "het huis van de jezuieten" en aan de andere kant langs het erf van Evert van Thoor.

Nog geen jaar later verkocht het echtpaar Wolters het hoekhuis voor 1000 gulden door aan Jan Theunissen en Stijncke Putten. De hoge koopsom zal ongetwijfeld gebruikt zijn om de overige schulden af te lossen. Dat was een kapitaal van 30 gulden aan Encken Leutiens, 200 gulden aan de materse van het begijnhof, en met 100 gulden aan de moeder van advocaat Bordels. (HGR inv.nr. 317-f.19.)

Stijncke van Cruchten was in februari 1650 in eerste huwelijk getrouwd met Johan van der Leeck. Van hun drie kinderen werd naderhand alleen nog hun dochter Gertruy genoemd. In juli 1657 hertrouwde Stijncke met Jan Theunissen, de bakker. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen bekend: Anna, Anthoin en Willem Theunissen.

De nieuwe bewoners van het hoekhuis zaten beter in de slappe was. Half mei 1665 kochten zij ook het huis ernaast in de H. Geeststraat. Ook dit huis was met meerdere kapitalen belast. Beide panden werden niet omgebouwd tot een groter geheel, maar bleven afonderlijk als woning in gebruik. Wel is naderhand sprake van waterafvoer via het hoekpand en een gezamenlijk gebruik van het secreet. De aankoop van het bijpand was nog geen twee weken voor de grote Roermondse stadsbrand...

Na de grote stadsbrand was Jan den becker al snel begonnen het hoekhuis nieuw op te timmeren.

Veel inwoners verloren toen hun hele hebben en houden. De buren op de H. Geeststraat verkochten twee jaar later de lege huisplaats voor 335 gulden aan het echtpaar Simons-Wolffs. Ook de twee huizen van Theunissen waren in vlammen opgegaan. Het hoekhuis werd al gauw nieuw opgetimmerd. De lege huisplaats ernaast bleef voorlopig onbebouwd. Daar werd in de tweede helft van 1668 een nieuwe timmer opgericht. Voor deze extra uitgave werd een lening (van 500 gulden) opgenomen tegen een rente van 30 gulden jaarlijks. (HGR inv.nr. 317-f.221.)

In juli 1664 namen de buren in de H. Geeststraat een lening van 200 rijksdaalders op hun huis. De buurman links werd toen aangeduid alls Jan den Becker. En in april 1667 andermaal. In beide gevallen betrof het hier Jan Theunissen. Hij had dus de bakkerszaak van Witlings voortgezet.

In maart 1701 verkochten hun kinderen het hoekhuis. Het pand grensde achter langs aan het erf van de paters en in de H. Geeststraat aan hun eigen erf met de kleine plaats, tegen de muur van het achterhuis. Die kinderen waren de Anthoin Theunissen, kapelaan aan de kathedrale kerk, zijn broer Willem en zus Anna. Zij handelden hierbij ook namens het dochtertje van hun halfzus Gertrui Leeck uit diens huwelijk met Lambert Cnoops. (HGR inv.nr. 322-f.133.)

De voor- en na-kinderen van Stijncken Putten komen we in maart 1684 tegen bij aflossing van een oude lening, te betalen uit hun huis naast het hoekpand. Dat waren Gertruydt van der Leeck, in huwelijk met Lambert Cnoops, en de drie na-kinderen Anna, Anthoin en Willem.

Voor 600 rijksdaalders waren mr. Hendrick Berbers en vrouw Jenneken Janssen, alias van Wessem, de nieuwe eigenaars van het "oorthuijs aan de Lombartstraet". Er was bedongen, dat de achterste muur tevens de scheidsmuur was, en door bijde partijen onderhouden werd. Deze mocht niet hoger gemetseld worden, om het licht in de kamer van de verkopers niet te beletten.

De afvoer van het hemelwater en ander water zou lopen via het erf van de kopers. Het secreet was door beide partijen te gebruiken en te onderhouden "ende in tijdt van noode op de bequaemste plaetse begraeven worden".

Berbers en zijn vrouw waren omstreeks 1690 getrouwd. Hendrick kwam uit een familie van bakkers gedurende enkele generaties. Van hier af, werd het huis met de winkel via zoon of dochter doorgegeven. Hun dochter Maria Ida Berbers trouwde in april 1713 met Hendrick (van) Aestenbergh. Met hun zoon Sybert zitten we in de derde generatie. Hij trouwde in september 1736 met Elisabeth Laumen. Het verdere verloop staat hierboven beschreven.

Ook Hendrick Berbers was bakker van beroep. In november 1720 waren de bakkers gaan staken. Met Berbers voorop besloten de gezamenlijke bakkers geen brood te verkopen. De burgers kwamen er tegen in opstand. Hendrick Berbers kreeg door de magistraat een boete van 3 goudguldens opgelegd. Het jaar daarop was hij verkozen tot meester van het bakkersambt. (A.F.v.Beurden: Handelingen Magistraat.)


- a. jezuietenklooster --b. het huis van de paters jezuieten ---c. het hoekhuis ---d. H. Geestkerk -
 

Toen Hendrik van den Bongaert in 1890 het huis nieuw liet opbouwen, kwam er tevens een einde aan zo'n drie eeuwen bakkers-geschiedenis in het hoekhuis in de H. Geeststraat. Het begon in 1588 met bakker Johan Linssen van Herkenbosch. Vervolgens in 1636 overgenomen door Jan Witlings, die al eerder pogingen had gedaan in de Schoenmakersstraat een bakkerij te beginnen. De kinderen Theunissen verkochten het pand in 1701 aan Hendrick Berbers, waarna de bakkerswinkel van generatie op generatie werd vererfd.

Een tijd lang stond het bakkershuis op de hoek van de H. Geeststraat onder het teken van De Gekroonde Valk. Onduidelijk blijft, uit welke periode de gevelsteen stamt en wie daartoe het initiatief had genomen. Maar een gedenksteen is het zeker niet.