OSSENKOP


1553: Thijs van Osen

Laatst gewijzigd: 11-09-2019 © Jan Ruiten

HET HUIS MET
DE OSSENKOP

Brugstraat 14

Het huis Den Ossenkop lag vlak om de hoek. Of er toen ook zo'n stevige kop aan de gevel hing? Van sommige panden is bekend dat de beeltenis op de een of andere manier daadwerkelijk aan de gevel hing, via een gevelsteen of een uithangbord. Zonder zo'n herkenbare afbeelding had een aparte naam ook weinig zin. Wie het zich kon veroorloven, had de zin om te pronken met het uiterlijk van zijn huis. Dat was hier duidelijk het geval. Tegenwoordig moet het allemaal strakker en zakelijker.

Voor en na verwierven het echtpaar Janssens-Eynigh en hun aanhang begin 19e eeuw liefst zeven panden op hun naam: de even-nrs. 6 t/m 14 en twee huizen aan de overkant.

Rond 1800 woonde hier de adjoint municipal, de loco-burgemeester van de stad. David Daenen was tevens ambtenaar van de Burgerlijke Stand en overlegde geregeld in vergadering met ambtsgenoten in de omgeving. Hij was geboortig van Maastricht. Het huis was afkomstig van zijn schoonouders, die zelf aan de overkant van de straat woonden.

In de huizenlijst van 1779 stond het huis nog op naam van de weduwe Specken, Anna E. Galliot, en het huis ernaast (nu nr. 16) op naam van Henri Janssens. Kort daarop, in maart 1783 zijn beiden een erfbuiting aangegaan, een ruiling van onroerend goed. Janssens en zijn vrouw verwierven daarbij het huidige pand nr. 14 en de weduwe het huis ernaast. Omdat haar eigen huis groter was, legde Janssens er nog 250 pattacons op toe. (HGR inv.nr. 341-f.146.)

De panden rechts (6-8-10-12) stonden op naam van zijn zwager, de brouwer Seipgens, die getrouwd was met de zus van vrouw Daenen, en schuin aan de overkant woonde de broer van vrouw Daenen (13). Het ouderlijk huis ging over op de oudste zoon. Liefst zeven huizen naast en tegenover elkaar in dezelfde straat stonden begin 19e eeuw op naam van de twee zussen en twee broers, alle vier kinderen van koolschipper Hendrick Janssens en Anna Maria Eysingh. (Zie schema onderaan pagina.) Hierbij opgeteld het tussenpand (nr. 14), door hun tante Margriet Painsmay, weduwe van Mathis Seipgens, aangekocht, maakt het zevental compleet.

Voorheen was het de brouwersfamilie Loosen die vier of vijf huizen in de Brugstraat te verdelen had. Ook de familie Schoncken met aanverwanten hadden hier in de 18e eeuw meerdere huizen in bezit.


ochtend - middag - avond - nacht

foto's Jos Cox Maasniel

... een straat in puin en as

1553: Thijs van Osen
De geschiedenis van het huis is in doorlopende lijn terug te voeren tot midden 16e eeuw, ruim een jaar voor de eerste grote stadsbrand in Roermond. In januari 1553 stond het tochtrecht op naam van Katrijn Seycken, weduwe van Tijss van Oesen. Zij droeg het vruchtgebruik toen over aan haar kinderen, te weten Gaert van den Ertwech, in huwelijk met haar dochter Barbara, en Arndt die Peiss en vrouw Naele van Oesen. Zij verkochten het huis meteen door aan hun (schoon)broer Stoffer van Oesen en vrouw Hille. Het huis werd toen gesitueerd in de Brugstraat tussen enerzijds Reiner Vostermans en aan de andere kant Merten Schomeckers. (HGR inv.nr. 311-f.42.)
1553: Dirck Dorpmans
Enkele maanden later in juni 1553 verkochten Stoffer en Naele het vierde deel van hun huis door aan Dederich Dorpmans en vrouw Liesbeth. Dorpmans belastte de aankoop met een erfpacht van 2½ gouden gelderse rijders. Af te lossen met 50 gelijke rijders. (De rijder was toen 23 stuivers waard, tegen 20 stuivers voor een gulden.) (HGR inv.nr. 311-f.45.)
1560: Nijs van Dilsen

Bij de stadsbrand in 1554 gingen alle huizen in de Brugstraat verloren. Jaren later waren er nog lege plekken in de straat. Op Sint Remeis, 1 oktober 1560 werd de halve bouwplaats met de aldaar begonnen timmer verkocht aan Nijss van Dilsen, zoon van Korst, en zijn vrouw Nese. Zij namen een lening van 200 gulden op het nieuw te bouwen huis. (HGR inv.nr. 311-f.153.)


j tymmerplaitz mit die helfft van etzlicher [huidige] tym-
mer dair op staende ende suis iuriby
[zijn gerechtigheden] gelegen in de Brugstraete
[de j -i met streep erdoor- staat voor half]

Twee decennia later, in juni 1575, was sprake van een erfcijns van 5 hornse guldens (ad 12 stuivers) die Stoffer te vorderen had uit het huis van zijn buurman. Daarmee stond Stoffer van Osen garant voor zijn aandeel in een huis te Hecx (B.), aangekocht door pastoor Ververs. (HGR 311-f.283.)

Naderhand blijkt Nijss van Dilsen te zijn hertrouwd met Immel. In december 1596 worden zij genoemd, samen met hun vier kinderen Johan, Willem, Hendrick en Claerke. Nijs en Immel verkopen dan het huis in de Brugstraat door aan Merten Hacken en Else Koich, ook namens de drie kinderen uit het eerste huwelijk van Merten. Verkopers woonden toen met de kinderen in Dordrecht, blijkens de getekende volmacht uit februari 1591.

Het echtpaar Hacken bezit dan al het huis aan het begin van de straat op de hoek van de Marktstraat. Binnen de termijn van zes weken tekent Matthijs Vinckenbosch, als naast verwant aan verkopers, het beschud aan. Dat betekent, dat Hacken het huis moet afstaan. De nieuwe eigenaar verwierf het huis tegen dezelfde voorwaarden als vernoemd in de oorspronkelijke koopakte. (HGR inv.nr. 312-f.55 en f.57.)

In september 1586 zou Immel voornoemde lening van 200 gulden aflossen, maar de rechthebbenden waren "niet inlandig". Johan Hacken stelde zich borg voor het geld, dat bestemd was voor Lysken Hacken. Enkele jaren later, in september 1589 liet Lysken weten dat het geld was afgelost en dat haar kinderen elk hun deel hadden gekregen. (HGR inv.nr. 311-f.153.)

De nieuwe eigenaar komt in de akten meestal voor als Mathijs Schrijvers van Wessem, zaakwaarnemer. Toch blijkt deze overdracht niet door te gaan. Na een minnelijke schikking droeg hij het huis weer over aan zijn zwager Nijss van Dilsen en vrouw. Daarbij beloofde Goetse Rijcken aan om Schrijvers schadeloos te stellen. Nijss moet kort voordien gestorven zijn. Vijf jaar later blijkt het huis nog op naam van de kinderen Dilsen te staan. Een akte anno 1607 geeft aan, dat genoemde bemiddelaar Goetse was getrouwd met Ummele, de weduwe Nijss. (HGR inv.nr. 312-f.60 en f.75 en f.143.)

1607: Dirck Royen erfg.

Het huis was na meerdere overdrachten dan toch in de familie gebleven. In september 1607 wordt het huis voor 2260 gulden verkocht aan de kinderen van wijlen Dirck Royen uit diens huwelijk met Jenne van Dilsen. Hun moeder zou haar leven lang het weduwenrecht op het huis genieten. Verkopers zijn haar broers Willem en Hendrick met hun aanhang, de kinderen van wijlen Johan en het kind van wijlen Clara van Dilsen. Willem van Dilsen woonde in die tijd met zijn vrouw Else in Dordrecht. (HGR inv.nr.312 f.217.)

Jenneke, ondertussen hertrouwd met Albert Vostermans, draagt haar tochtrecht als weduwe over op haar kinderen Jenneke, Derick en Nijss Roijen. Gelijk met haar rechten op zekere tuin met de heggen en staketsels op de Eempsel. Huis en tuin worden vervolgens door haar kinderen belast met 1600 gulden tegen de penning 16 (is 6¼ %) bij de freulin Anna gravin van den Bergh te Stevensweert. (HGR inv.nr. 313-f.142.)

1625: Gerardt Haesen

In februari 1625 verkopen Dierick Roijen en Lennart Soetermans de blote eigendom van het huis in de Brugstraat aan Albert Vosterman en Jenneke van Dilsen. Het echtpaar verkoopt vervolgens het huis aan Gerardt Haesen en vrouw Gerbrecht Ewalts. Middels erfwisseling draagt het echtpaar Haesen zijn huis over de brug over aan de verkopers Derick en Lennart en daar bovenop nog 100 gulden. Dirck en Lenart nemen tevens een lening van 1200 gulden op bij Haesen met hun huis in de voorstad als onderpand. Het geld werd gebruikt om de lening bij de gravin af te lossen. (HGR inv.nr 314-f.103.)

Het volgende proces speelde zich af toen het gezin Haesen nog over de brug woonde. Aan Otto van Hinsberg was het werk gegund op de ticheloven van de stad. Deze had bij Haesen aangeklopt voor brood, kaas, boter en andere etenswaren, voor hem zelf en zijn arbeiders gedurende de tijd dat zij op de steenoven werkten. Wanneer zij op de betaaldag van de burgemeester het geld zouden krijgen, zou afgerekend worden.

De kosten waren al opgelopen tot 80 gulden en Gerardt Haesen had nog geen geld gezien. Daar sprak hij vervolgens Peter Roeijen, de peijburgemeester op aan. Deze liet weten, dat hij zelf ook had geconstateerd, dat er nog geen steen gebakken was, maar hij zou de zaak wel regelen. Naderhand, Haesen had ondertussen nog voor eens voor 115 gulden aan rantsoen geleverd, schakelde de winkelier het gerecht in. Alles goed en wel, maar de burgemeester had een andere uitleg. Hij had als goed nabuur beloofd te helpen waar hij kon, maar hij ontkende dat hij voor de gemaakte kosten garant zou staan. De afspraak was immers niet met hem maar met de tegelbakker gemaakt. (HGR invnr. 121-513.)

Om de hoek (schuin) tegenover de Koolpoort woonde Seger van Hingen en vrouw Marie. In februari 1630 verkochten zij een stal of achterhuis met een deel van de plaats aan Gerard Haesen voor 400 gulden. Enkele weken later beleende Hingen zijn huis bij genoemde achterbuurman met nog eens 425 gulden.

Nog in april 1640 werd Gerardt Haesen zijdelings genoemd als eigenaar van het huis. Kinderen uit hun huwelijk zijn niet bekend. Toch wel een hele poos daarna in maart 1657 was hier zijdelings sprake van de weduwe van Gerardt van Hingen, toen de hoefstad van de buren verkocht werd. Uit meerdere stukken blijkt, dat zowel Haesen als ook laatstgenoemde oorspronkelijk van over de brug kwamen, waar hun ouderlijk huis stond. (HGR inv.nr.314-f.172 en 317-f.10.)

 

1661: Claes Ramakers

... een huis met schulden beladen

Waarschijnlijk had de vrouw nog veel schulden openstaan, o.a. vanwege de aankoop van het huis. Mede op last van Gerardt Haesen te Roermond en zijn naamgenoot te Utrecht, te weten vader en zoon, vond in augustus 1661 de gedwongen verkoop plaats. Dat gebeurde door de schout als executeur, ook namens de overige schuldeisers zoals Hendrick Smits, Mathijs Becx en de weduwe Kindt. De openbare verkoop bij opbod met de kaars vond plaats in herberg Het Crenske achter de Muur. Na drie zittingsdagen mocht Claes Ramaeckers als laatste hoger voor 2435 gulden* zich de nieuwe eigenaar van het pand noemen. (*Afgaande van het aantal hoogsels na de eerste inzet van 1900 gulden.) (HGR inv.nr. 317-f.71.)

Claes was getrouwd met Mettel Scherers. Het echtpaar had al eerder, in februari 1650 een huis in de Brugstraat gekocht. Toen verwierven zij voor 2400 gulden de woning van het echtpaar Vorstermans richting Brugpoort. Tussen de twee huizen in woonde nog het gezin van Jan Claessen.

Volgens de huizenlijst uit 1677 blijkt, dat hij toen reeds overleden was. Als hoofdbewoner werd genoemd de weduwe Ramaeckers, winkelierster, met twee nichten, een meid en een klein kind. Het voorhuis was ingedeeld in drie kamers en een winkel. Daarachter lag de keuken en de bijkeuken, en nog een kamer met schouw. Halverwege de verdieping bevond zich een hangkamer en vervolgens nog een grote slaapkamer met schouw; het geheel overzolderd. Achter het huis stond nog een paardenstal, groot genoeg voor twee paarden. (OAR inv.nr.965.)

Het huis blijft nog wel een tijd in de familie en wordt vererfd op peiburgemeester Ramaeckers (1741). Aanvankelijk werd hier als eigenaar genoemd Seger Ramaeckers. Hij was (1677) getrouwd met Anna E. Offermans. De enige Seger die hiervoor in aanmerking kwam was de zoon van Jan Ramaeckers en Maria Peuss aan de overkant van de straat. Zij komen eveneens als doopgetuigen voor. Bovendien zijn er uit het huwelijk van Claes en Mechteld geen kinderen bekend.

In mei 1705 stond procureur Ramaeckers borg met zijn bezittingen in een zaak tegen drost Van der Heijden. Dat was zijn aandeel in de twee huizen in de Brugstraat. Het ene huis voor 2/6 deel en het hier beschreven huis naast buurman Vlodrop voor 1/7 deel. Er waren dus nog mede-erfgenamen van voornoemd echtpaar. (HGR inv.nr. 322-f.78.)

In oktober 1741 wordt als eigenaar genoemd peiburgemr. Wilhelm Ramaeckers. Mogelijk de jongste zoon van de procureur en zijn vrouw. Eerder dat jaar stond het huis gedeeld op naam van enerzijds Gerard Vostermans en vrouw en hun (schoon)broer de kruisheer Johan Daemen en voor de andere helft op peiburgemeester J.M. Ramaeckers. Het schijnt dat brouwermeester Peter van Loosen na openbare verkoop als laatste hoger de nieuwe eigenaar was. (HGR inv.nr. 330-f.183.)

Een akte, opgemaakt in juli 1759 spreekt dit tegen. Dan staat het huis op naam van de erfgenamen Eloy. Dat waren de kinderen van Jan Eloy en Marij van Loosen. (HGR inv.nr.336-f.42.)

1773 Anna Galiiot, weduwe Specken

... een huis voor levensonderhoud

In februari 1773 beweerde eveneens Peter van Loosen dat Michiel Eloy (1692-1781) zijn huis aan hem had overgedragen. In werkelijkheid echter blijkt al gauw, dat Michiel wegens zijn blindheid het huis had vermaakt aan Anna Galliot, de weduwe Specken, in ruil voor levensonderhoud. Joes Langer kon de koopakte tonen, gedateerd op 31 januari en ondertekend door dhr. R. Backers namens de verkoper.

De vrouw zou hem tot zijn sterfdag in kost en drank houden, gelijk een kostganger, en verder met vuur en licht, wassen en plassen, en in geval van ziekte de kosten van de arts, chirurgijn en apotheek, zwartzuster (een augustijner ziekenzuster) enz. dragen. Mocht het zijn dat beiden elkaar niet meer zouden verdragen en hij aldus elders intrekken, dan zal zij in plaats van kost en drank hem jaarlijks 40 pattacons uitkeren tot zijn overlijden. (HGR inv.nr. 340-f.30.)

1783: koolschipper Hendrick Janssen

Anna Galliot was weduwe van Jan Joseph Specken. Het echtpaar kreeg tien kinderen, waarvan er meerdere jong stierven. Na het overlijden van haar medebewoner was het huis voor haar alleen te groot. In maart 1783 vond een erfbuiting plaats, een ruiling van onroerend goed, zoals bij de inleiding beschreven. De weduwe droeg haar huis over aan buurman Hendrick Janssen en Margaretha Eijsingen. Zij kreeg in ruil het huis van Janssen plus een bedrag van 250 pattacons. De kosten van overdracht werden gelijk verdeeld. (HGR inv.nr. 341-f.146.)

Koolschipper Hendrick Janssen was geboortig van Urmond. Hij was in 1747 getrouwd met Maria E. Eijsingen, elders ook Margaretha genoemd. Zelf hd het echtpaar twee huizen in de straat in eigendom. Na de erfwisseling waren dat de nummers 14 en nummer 17 aan de overkant. Onder de kinderen was dat al snel uitgebreid tot liefst zeven panden! Enkele huizen waren in gebruik als bedrijfsruimte voor de brouwerij van kleinzoon Seipgens.

1779: nr. 129 wed. J.Joseph Specken, kremer; 1801: huisnr. 115 Henri Janssen (bewoner David Daenen, koopman); 1812: huisnr. 117 D.Daenen; 1821: D.178 C.J. Coenegracht; 1843: D.152 J.N.Benedict, goudsmid.