+

............... genealogie familie Dijcks

Laatst bijgewerkt: 26-06-2017 © Jan Ruiten

DE FAMILIE DIJCKS
te Linne, Roer, Herten en Swalmen

In de 19e eeuw woonde in Herten veldwachter Dijcks. Hij is ook mandenmaker geweest, evenals zijn broer in Linne. Maar deze was meestal als Maasschipper onderweg. In dit opstel gaat het over hun afkomst en nakomelingen in Linne, Roer, Herten en Swalmen. Het zijn de nakomelingen van Leonard Dycks uit Havert en zijn tweede vrouw Maria Josephina Timmermans, die aan de rand van het dorp Linne zijn gaan wonen. De tekst is vrijwel gelijk aan de publikatie in Jaarboek '93 van de Heemkunde Vereniging Roerstreek, met enkele toegevoegde data.

Leonard Dijcks sr. werd in september 1748 geboren in Havert, een dorpje ten zuiden van Echt in het hertogdom Gulik. Hij was een zoon van Lambert Dijcks en Elisabeth Breuers (Brewers). Rond 1800 woonde Leonard als boer in Waldfeucht en was toen in tweede huwelijk getrouwd met Maria Josephina Timmermans. De vrouw was daar omstreeks 1780 geboren als dochter van Elisabeth Timmermans.

Het echtpaar Dijcks-Timmermans kreeg twee dochters en twee zoons. Anna in 1800, Elisabeth in 1805, Hendrik Lambertus in 1806 en Leonard in 1808. De jongste van het viertal werd naar zijn vader genoemd. Deze was nog voor diens geboorte gestorven. Leonard Dijcks sr. overleed op 25 september 1807 in de leeftijd van 60 jaar. De aangifte van zijn overlijden werd gedaan door Jean Joeris, zijn schoonzoon!

Naderhand vertrok de jonge weduwe met haar vier bloedjes van kinderen naar elders. Zij hertrouwde voor 1815 met de mandenmaker Dirck Putsch (1783-1844) uit Stevensweert, zoon van Theodorus van den Put en Catharina Elisabeth Jonck. Sindsdien woonde het gezin in Linne, waar Maria Timmermans als vroedvrouw werkzaam was. Ook uit dit tweede huwelijk werden vier kinderen geboren. De drie meisjes overleefden de kinderjaren niet.

Het gezin woonde in "een klijn huisken hetwelk zij op een plaatsken van de gemeente opgetimmerd heeft", slechts 35 ca. groot, gelegen aan de Berg. Nu is dat onder aan de Bergstraat, vroeger ook Meggelkens of Nelkens Straatjen geheten. Erg breed zullen ze het in hun huisje wel niet gehad hebben. Daar stierf Maria Josephina Timmermans op 11 maart 1840. "aan roerent niets als haar wijnig kleeding en huismeubelkens" achterlatend.

Haar beide dochters werkten in Linne als dienstmeid. Zoon Lambert woonde als mandenmaker in Herten en Leonard had het beroep van schipper gekozen. Joannes Puth (1822-1858) bleef als vrijgezel in het huis van zijn halfbroer Leonard Dieks wonen. Twee jaar later stierf Elisabeth Dijcks (1806-1860) in de leeftijd van 54 jaar.

Het huisje aan de Berg werd door de erven Dijks in 1879 verkocht aan Christiaan Cuypers, gelijk met de aangrenzende schuur en erf, tesamen ongeveer 1.20 are groot.

De naam Dijcks staat in de archieven op verschillende manieren gespeld. In Waldfeucht was dat nog Dycks. De Hertense tak van de familie schrijft zich Dijcks (met c). Ook de schrijfwijze Dieks komt voor. Die benadert het meest de plaatselijke uitspraak. In de B.S. van Linne hield men zich aan Dijks.

Lambert, de oudste, vertrok naar Herten. In dit eerste deel volgt het familie-relaas van zijn broer Leonard en diens nakomelingen.

tak II: de erven van
het echtpaar
Dijks-Geelen
te Linne

Maasschippers

Leonard Dijks jr. werd op 10 april 1808 geboren in het dorpje Waldvucht in het toenmalige departement van de Roer. Hij werd vernoemd naar zijn vader, die kort voordien overleden was. Lei Dijks jr. groeide op in Linne aan de voet van het Meggelkensstraatjen.

Van zijn stiefvader Dirck Puth leerde hij het vak van mandenmaker. Bij de militaite keuring was hij 1.68 m. groot. Hij had een rond gezicht met hoog voorhoofd, grijze ogen en donker haar, een dikke neus, kleine mond en platte kin.

Leonard trouwde in april 1840 te Linne met Angelina Geelen (1815-1882), metselaarsdochter van Leonard Geelen en Sibilla van Bree uit Merum. Het jonge echtpaar ging wonen in zijn huisje "aan de Maas", direct achter het getimmerte van Dirck Puts. Huis en tuin werden aan maat gerekend op 3.85 are. In 1859 werd er nog een schuurtje bijgetimmerd. Zijn erf grensde aan de Linner loswal, waar de Maasschepen aanlegden.

Leonard kocht meerdere akkertjes, in 1854 bij elkaar toch nog 1 ha. groot. De zgn. schaapsweide lag op het Schoor aan de Maas, maar door voortdurende "afspoeling" bleef daar steeds minder van over. In 1852 kocht hij van Joes Sampers nog een deel van een schuur met tuin boven aan de Bergstraat. Maar dat verkocht hij naderhand weer aan Joes Veggelers.

Zolang hij thuis was, hield Leonard zich bezig met het vlechten van korven en manden Al spoedig stond hij steeds vaker ingeschreven als schipper.

Het echtpaar kreeg vier kinderen. In 1841 werd Hubert Dicks geboren, twee jaar later Leonard (1843-1862), vervolgens Jozephina Dieks in mei 1845 en in 1848 de jongste, Hendrik Dijks.

Het meisje trouwde in juni 1866 met de vijf jaar oudere Bernard Peulen, zoon van Arnold Peulen en Anna Maria Golsteyn. Hun zoontje Leonard Hubert was toen al in aanocht. Als Maasschippers was het echtpaar voortdurend met vracht onderweg, stroomopwaarts richting België. De overige kinderen werden op het schip geboren en in de eerste aanlegplaats ingeschreven, in Ardenne, Luik, Schaerbeek, Vorselaer, Jemeppe en Inges. Het thuisadres was aanvankelijk in de Grootestraat in Linne en vanaf 1872 in de Maasstraat. In de Burgerlijke Stand van Linne werden de namen in de oorspronkelijke (Franse) schrijfwijze overgenomen. Arnold Ange Hodie Peulen werd in oktober 1866 in Andenne geboren en twee maanden later in Linne ingeschreven.

Leonard Dijcks verkocht in 1859 weer een groot deel van zijn akkertjes aan Jan Willem Dreesen, eveneens schipper, en aan Hendrik Kuypers, akkerman te Linne. In 1871 nam zoon Hubert huis, tuin en erf van zijn vader over. Terwijl zijn ouders nog op het huis bleven passen, was Hubert zelf geregeld als schipper op de vaart. Leonard Dickx stierf in augustus 1876. Zijn dochter bevond zich toen met haar man ergens in België. Hendrik Dijks vertrok het jaar daarop naar Harderwijk. Hij verkocht zijn erfdeel aan zijn broer en ging varen. Hun moeder Angelina Geelen stierf in februari 1882 in het huis aan de Maasstraat.

het echtpaar
Dijks-Meijers

Hubert Dijks

Hubert Dijks werd op 22 maart 1841 geboren in het ouderlijke huis "aan de Maas", nu Overen, onder aan de Bergsstraat. In maart 1860 werd hij opgeroepen voor militaire dienst. Zeven jaar later trouwde hij in augustus 1867 te Urmond met Maria Catharina Meyers (1841-1886). Zij was een dochter van Mathijs Meyers en Anna Maria Kusters, herbergiers. Ook Hubert was als Maasschipper vaak op de vaart, maar het mandenvlechten had hij toch niet verleerd. Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren. De oudste en de jongste stierven voortijdig. De anderen waren: Maria Ida (1870), Maria Josephina (1872), Joannes Hubertus (1874), Aldegonda (1876), Hubertina Angelina (1879) en Willem Hubertus (1881).

Hubert Dijks (1841-1904) ging alleen op de vaart en liet vrouw en kinderen thuis. Alleen in 1874 waren zij meegegaan. Zoon Joannes werd toen in Urmond geboren. Aanvankelijk ging het jonge gezin in de Grootestraat wonen, maar na het verblijf in Urmond verhuisde Hubert met vrouw en kinderen naar het huisje onderaan de Bergstraat. Huis en tuin, samen ongeveer 3 are groot, had hij in 1871 van zijn ouders gekocht. Het buurhuis, met schuur en tuin verkocht hij acht jaar later aan Christiaan Cuypers. Zijn akkers, bijna 40 are groot, waren merendeels gelegen op het Schoor en voorheen door zijn vader van de gemeente aangekocht.

De jongste, zoon Willem (1881-1951) zou als enige in Linne blijven wonen. Voorlopig althans. De overigen vertrokken op jeugdige leeftijd naar elders om er de kost te verdienen. Ida was nog geen 15 toen zij naar Amsterdam vertrok. Ook Aldegonda was niet veel ouder toen zij in 1892 in Brussel ging wonen. Angelina vertrok op 16-jarige leeftijd naar Luik. Joannes Dijks vertrok in 1902 naar Lanaken. Hij was schipper van beroep. Wegens "lichaamsgebreken" was hij vrijgesteld van militaire dienst.

De meeste kinderen verstrokken eerst na het overlijden van hun moeder. Maria Catharina Meyers stierf in januari 1886. Hubert Dijks hertrouwde in oktober van dat jaar met Maria Elisabeth van Vlodrop (1859-1918), jongedochter van Cornelia van Vlodrop uit Linne. Uit dit tweede huwelijk werden nog eens tien kinderen geboren.

Ook nu weer verlieten de dochters het huisje aan de Berg om elders als dienstmeid in de kost te gaan. Voor en na vertrokken zij om in de stad te gaan werken. Maria Elisabeth Dijcks reisde in 1904 af naar Rotterdam. Daar bleef ze zeven jaar. In 1911 kwam ze voor enkele dagen naar Linne om bij te praten en vertrok toen naar Brussel. Drie jaar later reisden Cornelia en Amelia haar na. De laatste ging naderhand in het krankzinnigengesticht Poortugaal werken.

Hubert Dijcks stierf in juni 1904, Maria Elisabeth van Vlodrop bleef met twee dochters achter in haar huisje aan Overen. Daar stierf de weduwe in december 1918. In 1912 was haar zoon Willem weer thuis met zijn kersverse Belgische vrouw. Ook Elisabeth Dijcks keerde in maart 1920 uit België terug. Zij was ondertussen getrouwd met Henri Joseph van der Veer uit Overpelt. Hij werkte hier als electricien.


Arbeiders van de steenovens in Heissen (D.); uiterst rechts: Andreas Dijks.

de zoons
Willem Dijks
Lenard Dijks
Theo Dijks
Andries Dijks

De zoons

Willem Dijcks (1881-1951) trouwde in juli 1912 met de drie jaar jongere Anna Maria Dymphina Dierckx uit het Belgische Moll. De dag na hun huwelijk kwamen zij naar Linne. Waarschijnlijk bleven de echtelieden kinderloos, weshalve zij een pleegzoon in huis opnamen. Naderhand verlieten zij het dorp aan de Maas en zakten af naar het zuiden. Het echtpaar ging wonen in Maastricht.

Elders in de Grootestraat woonden de broers Leonard (1887-1978) en Theo Dijks (1897-). De een was werkzaam als magazijnbediende, terwijl zijn jongere broer nog als schipper de kost verdiende. Hier woonde ook het gezin van hun zus Hubertina Dijks (1900-1990), getrouwd met Joseph van der Loo, machinist van beroep. "Ome Lijke" verbleef zijn laatste jaren, na een werkzaam leven, in het zorgtehuis te Roermond.

Adreas Dijks (1891-1943) was nog geen dertien jaar oud, toen hij in 1904 naar de Roermondse Weerd vertrok om er als staljongen de kost te verdienen. Drie jaar later vertrok hij naar Hessen (D.), waar hij in de steenovens ging werken. (Zie foto hierboven) Niet voor lang, want in oktober 1908 trouwde hij met Elisabeth Nijssen uit Roermond. Voor korte tijd woonde hij met vrouw en kinderen aan de Breeweg. Na een verblijf van zeven jaar in Roermond keerde het gezin terug naar de Breeweg in Linne. Andreas ging toen in de mijn werken. Het echtpaar kreeg negen kinderen. De oudste, Hubertus Leonardus, trouwde in september 1939 met Maria Baetsen uit Herten. Hij verdiende de kost als stoker-machinist. Kort voor het uitbreken van de oorlog vertrok het echtpaar naar Geleen.

 


tak I: het echtpaar
Dijcks-Huskens
te Herten

Hoogstraat te Herten

Hendrick Lambertus Dycks werd op 1 november 1806 (5 Brumaire XIV) om 7 uur te Waldfeucht, kanton Heinsberg geboren. Hij groeide op in Linne. De akkerjongen Lambert Dijcks werd van de militaire dienst vrijgesteld "wegens gebrek aan maat". Hij was 1.47 m. klein. Tevens had hij zieke ogen en een verstijving aan de rechterarm. Verdere uiterlijke kenmerken: blauwe ogen en zwart haar, een spitse neus en kleine mond. Zijn gezicht en voorhoofd "rond".

Lambert leerde het mandenvlechten van zijn stiefvader Dirck Puts. Toen hij in 1830 te Herten trouwde, woonde Lambert alweer enige tijd in Roermond. Zijn vrouw Christina Huskens was op 24 april 1812 in Herten geboren. Zij was een dochter van veldwachter Jan Huskens en Mechtilda Geurts.

Het jonge paar ging aanvankelijk wonen bij de familie Roumen in huize Groenendaal aan de Veeweide te Merum. Daar werden drie kinderen geboren. Lambert werkte er niet als knecht, maar verdiende nog steeds als kurver de kost. Omdat de gemeente-secretaris in Ool woonde, vond daar ook telkens de geboorte-aangifte plaats. Als getuigen waren steeds akkerlieden uit Ool aanwezig. Vooral Antoon Evers moet het daarmee nogal druk gehad hebben.

Na zes jaar verhuisde het gezin naar Christina's geboortehuis in de Hoogstraat. Daar woonde ook koster Hoffman, kleermaker van Thorn en hoefsmid Caspar Kusters. De laatste was evenals veldwachter Huskens afkomstig van Maasniel. Ook Jans vader was in Maasniel bode/veldschut geweest, evenals zijn grootvader Joost Coenen en naderhand zijn halfbroer.

Van de dertien kinderen, geboren tussen 1830 en 1853, bleven uiteindelijk alleen de vijf jongsten in leven. De anderen stierven tussen de drie maanden en zeven jaren oud. Ook dochter Marie (1841-1863) overleefde nog de kinderjaren. Zij verdiende de kost als naaister, evenals haar oudtante, Wilhelmina Geurts. Het huis aan de Hoogstraat stond reeds enkele generaties op naam van de familie Geurts. De vrouw verkocht in 1836 "de onverdeelde helft in een huis met schuur, stalling en moeshof" aan Lambert Dieks. De verkoopster verklaarde, dat het hier ging om haar "patrimonieel goed, nagelaten door haar overleden ouders, en gedeeltelijk als door haar hertimmerd".

Lambert verplichtte zich "de verkoopster gedurende haar leven lang in kost, drank en woning behorig te onderhouden", wat geschat werd op 40 franken per jaar. Twee jaar later na het overlijden van zijn schoonouders, kocht Lambert Dijcks de wederhelft van de boerderij van de erfgenamen Huskens voor de som van 375 franken. Hij verschafte zich het nodige geld via een lening van 360 franken bij de Venlose koopman Frederic Schmassen, tegen een rente van 5%.

 

veldwachter...

Jan Huskens (1767-1837) was tot zijn laatste levensadem veldwachter te Herten geweest. Op 14 november 1837 getuigde de gemeenteraad van Herten, "dat haar actueelen veldwachter, Joannes Huskes, door zijnen reeds ver gevorderden ouderdom en zwakke gesteldheid, niet meer in staat is deze functie behoorlijk te bedienen". Bij gebrek aan een ander wilde de raad hem nog tot het einde van het jaar aanhouden, "om in dien tusschentijd gevoeglijk in zijne plaatsvervanging te kunnen voorzien". Maar de veldwachter stierf reeds op 11 december, 70 jaar oud.

Uit twee kandidaten werd zijn schoonzoon Lambert Dijcks, mandenmaker van beroep, aangesteld tot diens opvolger, vooral ook omdat de tweede kandidaat niet kon lezen en schrijven. Maar deze benoeming tot garde-champêtre ging niet zonder slag of stoot. De gouverneur van de provincie weigerde deze benoeming te aanvaarden, omdat Lambert Dijcks "n'a pas la qualité de Belge"! (1830-1839: Herten was toen Belgisch). Verder kon de gouverneur zich niet indenken, "que pour un traitement de 220 francs et autres avantages, qui peuvent etre attachés aux functions de garde champêtre , il ne se trouve dans votre commune, ou dans les environs, auqune personne convenable qui veuille accepter cet emploi". Voor zijn royale vergoeding van 200 francs kon volgens hem toch gemakkelijk een ander gevonden worden.

Doch andere geschikte kandidaten waren niet te vinden en de raad kon ook niet zonder veldwachter blijven zitten "in belang der veiligheid, bewaring der eigendommen enz." Al spoedig deed Lambert Dijcks zijn dagelijkse ronde in de gemeente. De briefwisseling vond overigens plaats via het kantonhoofd.

In 1845 schreef het gemeentebestuur aan de gouverneur te Maastricht "dat het ons verlangen is, dat de thans fungeerende veldwachter dezer gemeente, Lambert Dijcks, aangesteld door het gemeentebestuur alhier den 12 december 1837 met een traktement van f.100,- in deszelfs betrekkingen worde bijgehouden". Acht jaar later werd de benoeming wederom verlengd. In zijn vrije tijd nam Dijcks zijn oude beroep van korvenmaker weer op.

De processen-verbaal, die de veldwachter opmaakte, berichten over verboden "zeumeren", over gras maaien in andermans wei, over een burenruzie in zijn eigen straat enz.

 

processen-verbaal...

28 mei 1843. Nadat hij al een jongen had verboden diens koe op gemeentegrond te laten grazen, bemerkte de veldwachter niet ver vandaar een andere jongen met zijn kudde schapen, "welke hij op voornoemd Merummerweegske liet weiden". De veldwachter bericht verder in zijn procesverbaal: "Alsdan zeide ik tot deze jonge. Zo dat gaat niet goet hier. Is dat uwe weide? Waarop hij zeide: neen, dat is onze weide niet, maar voor een keer. Waarop ik hem tot antwoord gaf: Gij zijt er voorleden donderdag onder de hoogmis ook op geweest. Hetwelke hij ontkende. Alsdan zeide ik hem dat hem wel vier of vijf persoone gezien hadden, die op hem gefluit hadden, maar dat hij toch gebleven was. Alsdan zeide ik hem van er zich dadelijke van af te maken, hetgeen hij ook deed".

26 mei 1836. Een (kleine) burenruzie in de Hoogstraat. Aanleiding was een scheldpartij onder kinderen. Dan bemoeiden de grote mensen er zich mee. De kleermaker berispte het jong van de koster. Toen Christien Huskens er zich in mengde, kreeg ze te horen dat zijzelf de kinderen had "opgesteukt". En daarop: "Gij zijt een koeteltès en lorkarre". En een andere buurvrouw: "Ik ben een hoer, maar gij zijt nog grooter hoer en loeder dan ik". Vrouw Dijcks riep haar getuigen op, die verklaarden "hetzelfde duidelijk te hebben gehoord".

Tien jaar later. De veldwachter voelde zich in zijn goede naam aangetast. Zijn buurman had hem "op publieke straat" beschuldigd -in bijwezen van enkele omstanders- 'snachts de deur van zijn woning "met geweld te hebben opengestoten en daarna met steenen op hetzelve huisraad hebben geworpen". Lambert Dijcks vreesde nu, dat deze beschuldigingen hem "in verachting en haat der inwoners zou brengen". Zijn herbenoeming tot veldwachter datzelfde jaar getuigt, dat dit bij de gemeenteraad niet het geval was. Groter feiten staan in de processen-verbaal niet te lezen. De enige inbraak die te melden valt, zou dan door de veldwachter zelf gepleegd zijn.

 

 

 

 

 

 

.

tak I: de erven van
het echtpaar
Dijcks-Huskens:
Cath. x H.Cuijpers
Bair x E.Schmitz
Lei x C.Knoops
Peter x E.Beurskens
Frans x J.M.
Tegelbeckers

boerenwoning...

Zes kinderen zijn gebleven. De zoons Hubert (=Bair) en Leonard (=Lei) gingen boeren in de buurtschap Roer. Peter trouwde in Swalmen en dochter Catharina in september 1875 te Melick met Hub. Cuijpers.

Christien Huskens kampte al in mei 1875 met een ernstige ziekte. Zij stond onder behandeling van de Roermondse geneesheer Hermus. De vrouw stierf uiteindelijk op 11 maart 1880 in de leeftijd van 67 jaar. Meteen daarop werd besloten om de woning te verkopen. Waarschijnlijk hadden de kinderen daarop aangedrongen, omdat zij elders woonden en over hun erfdeel wilden beschikken. Op 20 april vond de openbare verkoop plaats in café Mulders. Met een advertentie in de Maas- en Roerbode werd de verkoop aangekondigd. 's Morgens viel het roerend goed, zoals huismeubelen, akkergerei en vee, onder de hamer van deurwaarder Regnier. De opbrengst bedroeg 230 gulden. 's Middags werd het huis met plaats en tuin, samen 4.20 are groot, door notaris Milliard verkocht voor 650 gulden.

Frans Dijcks (1852-1924) werd toen de nieuwe eigenaar van de boerderij. Na aftrek van de verpleeg- en begrafeniskosten van hun moeder en de hypotheek op het huis bleef er nog 312 gulden te verdelen.

Frans was vrijgesteld van militaire dienst wegens broederdienst. Bij de keuring was hij 1.66 m. groot, hij had grijze ogen en bruin haar. Frans Dijcks trouwde in oktober 1878 te Maasniel met de vier jaar jongere Joanna M. Tegelbeckers. Hun beider verwantschap gaat terug op de gerichtsbode Coen Huskens. Zij gingen wonen in hun huis op de Hoogstraat, waar in november 1879 hun dochtertje Liesbeth werd geboren.

Lambert Dijcks trok in 1882 bij zijn zoon Peter in huis. Hij overleed tenslotte in juli 1866 te Roer in de leeftijd van 82 jaar. Een half jaar later, in februari 1889, werd de boerderij opnieuw voor verkoop aangeboden. Uit naam van Frans Dijcks verkocht notaris Strens het huis bestaande uit twee boerenwoningen met stal, tuin, schuur en erf aan de meestbiedende. Wederom vond de zitting plaats in het café van Mulders.

Frans verhuisde met vrouw en dochter naar Roermond. Hij giing als magazijnbediende werken bij de firma Knipping. Bij zijn vertrek kreeg hij in augustus 1922, na jarenlange trouwe dienst, de eremedaille in brons uitgereikt, verbonden aan de orde van Oranje Nassau. Twee jaar later stierf hij in Swalmen in de leeftijd van 71 jaar. Zijn thuisadres was toen nog aan de Willem II-singel te Roermond. Hun dochter Elisabeth Dijcks (1876-19--) was in mei 1906 getrouwd met Jacob H. Heijnen (1876-1964), baanwachter uit Swalmen. Vanwege zijn beroep moest Jacob vaker verhuizen. Het gezin woonde achtereenvolgens in Roermond, Swalmen, weer in Roermond, Maastricht en Vlodrop.

Bair Dijcks (1847-1924) werd bij de keuring in 1865 geschikt bevonden voor militaire dienst. Hij was toen 1.67 m. groot. Hij had licht-bruine ogen en donker haar en een grote neus. Naderhand woonde hij als landbouwer te Roer. Ook is hij op het kasteeltje Hattem in dienst geweest als koetsier. Weer later verhuisde hij naar de Kapel int Zand, waar hij als dienstbode werkzaam was.

Peter Hubertus Dijcks werd op 24 juni 1851 geboren in Herten op de Hoogstraat. Hij werkte aanvankelijk als dienstknecht in Herten toen hij in mei 1871 werd opgeroepen voor militaire dienst. Bij de keuring was hij 1.63 m. groot. Hij had een hoog voorhoofd, grijze ogen en blond haar. Bij zijn huwelijk vier jaar later diende hij nog in het 2e regiment infanterie. Hij trouwde op 26 mei 1875 te Swalmen met Elisabeth Beurskens (1837-1900), dochter van Jacob Beurskens en Mechtildis Backers.

Enkele weken later kwam Peter vrij uit dienst. Het jonge paar woonde tijdelijk in huize Beurskens op de Heide in Swalmen. Daar werden ook de drie kinderen geboren. In oktober 1880 vertrok het gezin naar Melick, waar Peter Dijcks als baanwachter werkzaam was. Volgens zijn kleindochter werd hij ontslagen omdat hij tijdens zijn werk in slaap was gevallen en de spoorbomen had opengelaten. Het gezin keerde toen weer naar Swalmen terug. Jacob Beurskens (1809-1880) heeft waarschijnlijk aan Blankwater gewoond. Zijn vrouw kwam uit Nunhem. Hun zoon Arnold heeft dan de boerderij overgenomen na het overlijden van zijn moeder. Jacob liet zijn vier kinderen ruim twee ha. akkerland na, ter waarde van 1025 gulden.

Peter Dijcks was een levensgenieter. Hij kwam veel in café's, dronk en zong veel en was altijd vrolijk. Het gezin woonde aan de Heide in Swalmen. Het huis met erf werd bij het overlijden van Elisabeth Beurskens eind mei 1900 geschat op 536 gulden. Peter trok naderhand bij zijn zoon in huis. Hij overleefde zijn vrouw vele jaren. Zoon Houb kon steeds voor de schulden van zijn vader opdraaien. Zijn vrouw verzuchtte vaker: "Als ik zelf niet zo goed in de kleren zat, had ik nog niets om mijn kinderen te kleden." Peter Dijcks stierf tenslotte in de leeftijd van 86 jaar na Driekoningen 1938.

 

Mrie van Pesjtoeër

Maria Christina Dijcks (1877-1958) ging in de huishouding werken. In Swalmen zelf, in Beesel, Roermond en Herten en zelfs in Maastricht. Maar nergens kon zij echt haar draai vinden. De ene keer bleef zij een jaar weg en dan kwam zij weer na enkele maanden terug. Maar ook thuis hield ze het niet lang uit. Nadat ze enkele jaren bij de familie Willems in de Steegstraat in Swalmen gediend had, verhuisde Mrie Dijcks naar Herten.

In zijn boek "Dialect en Volkskunst in Herten" schreef P.H.H. Beenen in 1980 over haar: "Wanneer ik de naam van pastoor Drehmanns ter sprake breng, zou ik onvolledig zijn, wanneer ik niet in één adem zou noemen: Mrie van Pesjtoeër, zijn bij iedere autochtone Hertenaar bekende huishoudster. Deze Mrie nam in onze gemeente een zodanige plaats in dat men, in plaats van het bovengenoemde duo (pastoor en kapelaan) beter zou kunnen spreken van: trio."

Mrie Dijcks deelde op de pastorie de lakens uit. Kwam iemand van school voor nieuwe schriften, dan had ze daar direct haar commentaar op. Tevens was het haar gewoonte, om in de kerk bij de schoolkinderen te patrouilleren. Nog sterker. Tijdens de Lourdesreizen, door bisschop Drehmans georganiseerd, ging zij steeds -ongeacht haar leeftijd- als bruidje mee. Op de foto posteerde zij zich dan vooraan naast de bisschop.

In 1935 keerde zij naar Swalmen terug en kocht daar een woning in de Steegstraat. Ze had in Herten bij de pastoor blijkbaar goed verdiend. Naderhand ging zij naar het bejaardentehuis in Swalmen. Daar hield ze het niet lang uit. Een tijdlang woonde zij in het huishouden van Peter Dijcks. Tot zij ook daar teveel was. Zij stierf uiteindelijk op 80-jarige leeftijd in mei 1958 in het bejaardentehuis van Wessem.

Haar twee jaar jongere zus Tiel Dijcks (1879-1967) vertrok in september 1903 naar Duitsland. Daar leerde ze haar man Andries Flapper (1881-1951) kennen. Deze was geboortig van Westhem (elders: Wijnbritseradeel). Erg honkvast blijken zij niet te zijn geweest. Het gezin kwam vanuit Vierssen voor korte tijd naar Swalmen. Na enkele jaren in Leeuwarden te hebben gewoond, keerden zij terug. Onder de vele adressen waar het gezin heeft gewoond behoort ook de voorstad St. Jacob te Roermond, waar Fien een winkel dreef tegenover de Stenen Brug. Mechteld Dijcks stierf in mei 1967 te Asten, waar zij de laatste jaren sleet in het zorghuis.


De winkel van echtpaar Flapper-Dijcks te Swalmen.
v.l.n.r. Maria, Catharina, de kleine Ferd op de arm bij Mechteld, Suus en Dirk

Het echtpaar Flapper kreeg elf kinderen, waarvan er drie op jonge leeftijd kwamen te sterven. Op de onderstaande foto ontbreken de drie (dan nog levende) oudste kinderen Lies, Marie en Frans.


25-jarig huwelijksfeest echtpaar Flapper-Dijcks.
v.l.n.r. Dirk, Ann, Andries, Ferd, Mechteld, Suus, Nel en hun tante Mrie Dijcks.

Johannes Hubertus Dijcks (1876-1942), beter bekend als Nollese Hoep, werd als enige zoon vrijgesteld van militaire dienst. Hij trouwde in januari 1904 met Margaretha Schmitz. De vrouw werd in mei 1884 geboren in Neroth-Gerolstein, een plaats in Rijnland-Paltz in Duitsland. Zij was een dochter van Nicolaus Schmitz en Gertrud Reichertz. Margaretha was via Vorst (D.) in Swalmen terechtgekomen. Huib zelf werkte rond 1900 als dienstknecht over de grens in Kempen.

Het echtpaar woonde in Swalmen aan de Rijksweg-Noord. Daar werden hun 17 kinderen geboren. Vele stierven reeds na enkele dagen of maanden. Ook de Spaanse griep is aan dit gezin niet voorbij gegaan. De overigen noem ik hier bij hun roepnaam. Trui (1904); Piet (1905), tuinier; Harrie (1909), kolenhandelaar; An (1912); Bair (1917); Lies (1919), winkeljuffrouw; Jan (1921), arbeider; en de tweeling Sjaak (1923), kapper, en Lei (1923), landbouwer. Toen Trui ervoor groot genoeg was, heeft ze haar moeder menigmaal geholpen bij de geboorte van de jongste broertjes en zusjes.


.Het echtpaar Dijcks-Knoops met de kinderen Harie, Marie, Sjtien, Peer en Greet, Anna en Bair.

Leonardus Hubertus Dijcks werd op 11 juli 1849 geboren op de Hoogstraat in Herten. Hij werd vrijgesteld van militaire dienst wegens broederdienst. Lei trouwde aldaar in april 1879 met Catharina Knoops. De vrouw werkte toen sedert twaalf jaar als dienstmeid bij de familie van Cruchten in Merum. Catharina werd op 25 oktober 1849 op de Thuserhof geboren. Zij was een dochter van Peter Knoops en Joanna Wulms, akkerlieden uit Asenray.

Het echtpaar ging nog datzelfde jaar boeren op Kruisbroerenhof te Roer, toen huisnr. 13. In de bevolkingsregisters van die jaren werd Lei Dijcks meestal herbergier genoemd. Voor het vele werk had hij personeel in dienst.

In 1890 verhuisde het gezin Dijcks naar huisnr. 8. Dat was tegenover de hofstee van de familie Michiels van Kessenich. Waarschijnlijk was Lei toen als landbouwer in dienst van deze familie.

de kinderen
Dijcks-Knoops
Het echtpaar Dijcks-Knoops kreeg tien kinderen, waarvan er twee jong stierven. Hun moeder stierf op 7 juni 1917. Anderhalf jaar later overleed haar man op tweede kerstdag 1918.
Dochter Anna Dijcks (1880-1957) vertrok al in 1894 naar Den Haag. Naderhand in juli 1901 trouwde zij aldaar met bakker Frans Rutten.
Sjtien Dijcks (1883-1960) vertrok op 16-jarige leeftijd naar Luik. Na twee jaar keerde zij terug naar Roermond, waar zij als dienstbode ging werken. Met haar man Willem Inderhees verhuisde zij in november 1906, kort na hun huwelijk, naar Dusseldorf. Een jaar later keerde zij hoogzwanger weer thuis terug. Haar man was in Duitsland doodgeschoten. In juli 1911 trouwde zij met Sef Timmermans, zoon van Rozenhannes. (Zie foto onderaan deze pagina.)
 

. .. .40-jarig huwelijksfeest van echtpaar Ruiten-Dijcks met kinderen en wederzijdse familie.

Greet Dijcks (1884-1952) trouwde in april 1910 met Bair Ruiten, slager te Linne. In 1919 begon het echtpaar een slagerij in de nieuwe Roermondse wijk Het Veld.
Marie Dijcks
(1887-1963) werkte voor haar huwelijk eveneens als dienstbode. In september 1905 vertrok zij naar Den Haag, waar zij in mei 1909 trouwde met de fotograaf Jan Ypma, afkomstig uit Bolsward.
Betje Dijcks (1890-1986) verhuisde op 16-jarige leeftijd naar Arnhem. Twee jaar later kwam zij weer naar huis. Betje trouwde eind januari 1812 te Roermond met Sjeng Janssens (1889-1966). Samen bouwden zij het eier-exportbedrijf Janssens-Dijcks op. Begin april 1936 woedde er een grote brand in de gebouwen van het bedrijf langs de spoorweg. Het eiermagazijn en drie opslagplaatsen waren door de brand vernield. De brand ontstond in de loodsen van de eierexporteur en sloeg over op de aangrenzende loodsen. 40 wagons tarwe, 800 kisten eieren en twee partijen meubels in aangrenzende panden werden door de vlammen verteerd, aldus De Nieuwe Koerier. (DNK dd. 9-4-1936.)


- Links de watertoren van het spoor met de brandende loodsen; rechts een geblakerde kar. -

De zoons van Lei Dijcks noem ik hier in omgekeerde volgorde.
Harie Dijcks (1892-1966) was nog maar 13 jaar jong, toen hij naar Beek vertrok. Kort daarop verhuisde hij naar Kohlscheid (D.), waarvandaan hij in 1910 naar Roer terugkeerde. Na het overlijden van zijn vader was hij het hoofd van het gezin. Hij trouwde in 1919 met Anna Vossen (1895-1927) uit Herten. Na het overlijden van zijn vrouw hertrouwde hij in januari 1928 met Marie Maessen uit Melick. Nu verhuisde hij naar de Muggenbroekerlaan alwaar hij als landbouwer ging werken. Daarnaast had hij in zijn huis aan de Kapel int Zand een café.
Bair Dijcks (1889-1926) werkte al vrij jong als dienstknecht in de Roermondse Weerd. Weer thuis bleef hij in de landbouw werken. Later begon hij een ijzerhandel. Bair Dijcks was getrouwd met Lies Vossen uit Ool. Twee jaar na zijn overlijden, hertrouwde de weduwe met Har Ariaans. Meer over het gezin Dijcks-Vossen verder op deze pagina.
Pieër Dijcks (1881-1961), de oudste zoon thuis, vond het niet nodig om op de militaire keuring te verschijnen vanwege zijn ongemak. Als reden werd opgegeven "kreupel". Uitslag: Geschikt! Pieër Dijcks leerde in Antwerpen het schoenmakersvak. Hij verhuisde eind 1912 naar Herten, alwaar hij trouwde met Anna Helwegen (1873-1941).
Beenen schreef over hem: "Pieër exploiteerde een schoenmakerij die gelegen was naast het oude gemeentehuis. Vanwege een gebrek aan een zijner benen liep deze Pieër steeds op een kruk. Hij was een echte typische dorpsfiguur, steeds vol streken en grappen en "overlopend" van humor van de eerste soort. Antje, zijn bovengenoemde vrouw, zorgde voor aanvulling van het gezinsinkomen door het wassen en strijken van "frontjes" en boorden voor haar mededorpsgenoten."

Foto gemaakt ter gelegenheid van het huwelijk Timmermans-Dijcks in juli 1911. V.l.n.r: Lei Dijcks, Guus Timmermans, Betje Dijcks,
fotograaf Ypma, J.J.H. Janssens, Bair Dijcks, Marie Dijcks, Marie Timmermans,
"Rozenhannes", Jozef Timmermans en Betje Timmermans.
= Het is geen officiële bruilofts-foto. De bruid en andere aanwezigen waren nog binnen. =

 

 



 

 

Merummerkerkweg

Bair Dijcks (1889-1926), jongste zoon van de pachters op Kruisbroerenhof te Roer, trouwde in juni 1914 met Lies Vossen (1890-1952) uit Ool. De vier oudste kinderen werden in Herten geboren. Daar stond hun huis met magazijn en tuin. De geboorte van de twee jongste kinderen werd in Vlodrop ingeschreven, maar het gezin keerde weldra weer terug naar Herten. Het gezin Dijcks-Vossen woonde links aan het begin van de Merummerkerkweg, op de hoek met de latere Groene Kruisstraat. (Naderhand zaal Inderhees, nu als parkeerplaats ingericht.)

De grond aan de Putkamp was afkomstig uit een groter geheel en werd rond 1900 bebouwd door slager Mathis Giesbers. In 1920 werden huis, tuin en erf bij openbare verkoop aangekocht door schoenmaker Peer Dijcks, die het huis een jaar later aan zijn broer doorverkocht. Peer en zijn vrouw woonden in de Schoolstraat.

Bair Dijcks verdiende hier de kost als koopman, handelaar in emaille spullen, ijzerwaren en huishoudelijke artikelen. Zijn koopwaar werd geleverd door bedrijven uit Venlo, Roermond, Weert, Maaseik, en verder weg uit Groningen en Rotterdam.

Bij het overlijden in maart 1926 werd Lies Vossen als moeder en voogdes genoemd van Leo, Cato, Peter, Gertrui en Jozef Dijcks. Het verblijf van haar man in Maastricht was slechts tijdelijk geweest, maar Bair Dijcks was vanwege een ernstige ziekte toen al onder doktersbehandeling. Behalve huis en hof aan de Putkamp, bestond de nalatenschap uit huismeubelen, keukengerief, handelsgoederen en kleren. Het huis was belast met een hypotheek van 1500 gulden, ongeveer hetzelfde bedrag dat hij in contanten en nog te vorderen geld naliet. Lies Vossen hertrouwde in april 1928 met Harie Ariaans. Samen hebben zij de winkel voortgezet.

(Bronnen uit kadaster, bevolkingsregisters en memorie van successie te Herten, nu GAR Roermond.)

Met vriendelijke dank aan de echtparen Sniedt-Schers (+) en Ruiten-Kurvers (+), de dames T. Mackendas-Dijcks (+) en M. Dijcks-Kurvers (+), aan mevr. M. Evers-Ruiten (+) voor de foto's en aan emeritus pastoor Hendricks (+) te Linne voor het beschikbaar stellen van foto's en informatie.

Bronnen
GEMEENTEARCHIEF VAN LINNE: kadastrale kaart en leggers; bevolkingsllijsten en registers van de Burgerlijke Stand.
GEMEENTEARCHIEF VAN HERTEN: Kadastrale kaart en leggers; bevolingslijsten en registers van de Burgerlijke Stand; personeel der gemeente; inv.nr. 1219; processen verbaal inv.nr. 2078.
GEMEENTEARCHIEF VAN SWALMEN: Bevolkingslijsten en registers Burgerlijke Stand, inv.nr. 3278.
GEMEENTEARCHIEF VAN ROERMOND: Bevolkingslijsten en registers Burgerlijke Stand, register van dienstboden; archief notaris Milliard; Kranten-verzameling, o.a. dd. 17-4-1880 en 14-2-11889.
RIJKSARCHIEF LIMBURG TE MAASTRICHT (nu: RHCL) Memories van Successie; Melitie-registers: keuringen; Huwelijkse Bijlagen
P.H.H. Beenen: "Dialect en Volkskunde van Herten"1973, blz. 321 en blz. 451.
Jo Schreurs: "Uit het verleden van de kruisbroerenhof te Roer" in Roerstreek 88.blz. 110.

NB Tegenwoordig kan veel van bovenstaand archief-onderzoek middels diverse websites op het internet gedaan worden.

Foto's, die bij dit artikel passen, zijn welkom.
Met dank aan mevr. E. van Leeuwen uit Eindhoven voor de foto's uit Swalmen.
Met dank aan Marcel en Hester Dijcks voor het dubbel-portret van hun grootouders Dijcks-Vossen.