
Voor meer foto's: klik op bovenstaande afbeelding.


|
Laatst
bijgewerkt: 27-12-2012 © Jan Ruiten
DASWEYLERHOF
IN HET REUTJE
Linssenhof: gemeente Roerdalen, gehucht Reutje, St. Petrusstraat 7.
(51° 7' 42,43 N - 6° 0' 23,46 O.)
Linssenhof aan de rand
van het Reutjesbroek is van oorsprong een Gelders leengoed. In voorbije
tijden werd de boerderij genoemd naar de (oorspronkelijke) eigenaar:
Daswijlerhof. Vanaf 1438 is via de leenboeken een lijst van elkaar
opvolgende eigenaren op te stellen. Rond 1600 verwierf Marcelis Cox,
raadsheer aan het Hof van Gelder te Roermond “dat goedt in gen
Raedtgen”.
Sindsdien is de boerderij drie eeuwen lang van generatie op generatie
via erfenis doorgegeven. De boerderij werd verpacht aan boeren uit
de streek. In 1668 woonde hier Jan Pachtlandt, vervolgens de familie
Rijnboom enz. Eind 18e eeuw boerde Lins Linssen op Daswijlerhof. Mogelijk
nog tijdens zijn leven werd de boerderij naar hem Linssenhof genoemd.
Met de komst van de Fransen werd de leenverhouding opgeheven en werd
de boerderij met haar landerijen een vrij goed. Sinds 1820 woonde
hier de familie Zeegers. In 1907 verwierf de boerin op Linssenhof
de boerderij met 13 ha land en wei in eigendom.

Binnenplaats van Linssenhof (St.
Petrusstraat 7) jaar: ? fotograaf: ?
Uit het fotoarchief van de Heemkunde Vereniging Roerstreek, nr. BM860-OB051-FT001
Het is best mogelijk, dat de schatheffer
in 1679 bij het opmaken van de huizenschat de route ook werkelijk heeft
afgelegd, zoals op de lijst genoteerd staat. Vanaf hoeve De Waerdt
is hij dan via de twee Ouwen naar het abdissengoed aan genen Munnichsbosch
getrokken.
Vervolgens heeft hij dan de mistweg verkozen. Dat was immers een hele
afkorting naar het Reutje toe. Wanneer hij evenwel te paard was, dan is
hij van daar teruggekeerd naar de karbaan, die dwars door de heide van
Echt naar Vlodrop voerde.
Nadat hij de Aeckerweg was gepasseerd, lag rechts het
Reutjesveld en links het akkerland van Daswijlerhof, dat reikte tot aan
de Holleweg. Vervolgens is hij dan de veldweg ingeslagen richting boerderij.
De pachthoeve van dhr. Monsouw werd belast met 6 rijksdaalders. Daarbij
behoorde ongeveer 23 bunder akkerland. Ook over de limiet met Posterholt
lag nog enige grond. (Inv. archief
schepenbank St.-O'berg (ASO) in het RHCL, inv. nr. 22: huizenschat anno
1679.)
Op de boerderij woonde toen Jan Pachtlandt, weduwnaar
met drie knechten en twee meiden. (ASO,
inv. nr. 160 hoofdenschat anno 1668.) Ter vergelijking: de boerderij
in het Munnichsbosch werd aangeslagen voor 9 rijksdaalders,
terwijl de boeren en keuters in het Reutje voor hun behuizing meest 2
of 3 rijksdaalders betaalden. Ook bij het opmaken van de beestenschat,
trok de schatinner gewoonlijk van stal naar stal, om de beesten te tellen.

Detail kadasterkaart omstreeks 1840, gemeente
Sint-Odiliënberg, sectie C blad 3
Terugzoekend in de tijd komen we hier geregeld “Koecks
goed” tegen. Al in 1591 en ook daarna werd Marsiliss Koicks
(= Marcel of Selis Cox) genoemd als grondeigenaar in het Reutje; nog voordat
hij omstreeks 1610 de nabijgelegen Aerwinkel verwierf. (ASO,
inv. nr. 15 overdrachten 1588-1648, blz. 7.) Bij deze pachthof
direct over de limiet met Posterholt behoorden ook 12 bunder land om en
nabij het Reutje.
Selis Cox, burger van Roermond en raadsheer aan het Hof van Gelder, was
getrouwd met Catharina Oidtmans. De band met de latere eigenaars van de
pachtboerderij kan men vinden in de stamboom van de Roermondse regentenfamilie
Cox, opgesteld door J.J. Verzeyl. (Gemeentearchief
Roermond (GAR) verzamelingen Verzeijl, stamboom COX en PETIT.)
Daaruit blijkt mevrouw Monzeau een kleindochter van genoemd echtpaar te
zijn. Achter die naam gaat namelijk Isabella Cox schuil,
dochter van Jan Cox (1596-1658) en Emerentiana van Velpen. Haar vader
bekleedde diverse openbare functies, zoals geheimraad van de vorst van
Hohenzollern. Na zijn overlijden te Aken werd hij begraven in de kathedraal
van zijn geboortestad Roermond.
Isabella Emerentiana Cox (1647-1736) trouwde op zeer jonge leeftijd met
Henri Florentin de Marechal, heer van Monceaux (+1688/89).
Hij was geboortig uit Frankrijk. In zijn leven was de man kamerheer van
de keurvorst van de Palts en overste van diens lijfgarde. (GAR:
Oud Archief Roermond, inv. nr. 477. Daarin het stuk genaamd “fin.
Beheer” m.b.t. een rente die de stad schuldig was aan wijlen kanunnik
Dirrick Cocx en anno 1673 aan het echtpaar Monceau.)
De ene keer werd Henri du Monceau betiteld als kolonel, dan weer als luitenant.
De overste was voorheen getrouwd met Elisabeth van Kerckhoven (+ 23-6-1658),
weduwe van Albert Thomas Graus. (GAR:
Hoofdgericht Roermond, inv. nr. 140, procesnr. 980: de Monceau contra
die van Melick.)
Uit zijn huwelijk met Isabella Cox zijn meerdere kinderen geboren. Tijdens
hun verblijf elders werden de belangen van de overste luitenant en zijn
vrouw hier behartigd door Jacob Straetmans, die zich opwierp als hun rentmeester.
Al in 1664 beheerde hij diens goederen in het Reutje, wat erop duidt dat
de overste toen alweer hertrouwd was met Isabella Cox.
(Idem, inv. nr. 163, procesnr. 1432: de erfg. Hendrick Maroijen tegen
jr. Godfrid van Hoengen, gn. Wassenberg.)
Na het overlijden van haar man, kort na 1680, resideerde de douairière
de Monceau geruime tijd te Dusseldorf. (ASO,
inv. nr. 167: obligaties t.l.v. de schepenbank; dd. 29-8-1686: 1920 gulden
van de weduwe van wijlen de overste du Monceau, residerende binnen Dusseldorp.)
Dat had waarschijnlijk te maken met de politieke toestand in de Pfalz.
De nieuwe (katholieke) regering verkoos Dusseldorf boven Heidelberg als
hoofdstad, terwijl de Zonnekoning niet kon wachten het land binnen te
vallen.
Naderhand eerst vestigde mevrouw du Monceaux zich in Roermond. Daar bezat
zij o.a. twee huizen aan de Hegstraat nabij het bisschoppelijke paleis.
In april 1666 werd de bode van de kanselarij te Roermond gelast om de
kelder van het huis van overste luitenant Monsou te verlaten en een gezondere
plaats als woning te betrekken. (GAR:
Hoofdgericht Roermond, overdrachtsprotocollen: inv. nr. 318: dd. 5-7-1678,
dd. 6-6-1680; inv. nr. 321: dd. 10-9-1699; inv. nr. 322: dd. 11-3-1702.)
Het huis op de hoek van de Hegstraat, afkomstig van jonker Dursdael, was
belast met een erfcijns aan de Christoffelkerk. Uit het rekenboek van
de kerkmeesters blijkt, dat de overste in eind 1688, begin 1689 is gestorven.
(GAR, Aanwinst Maastricht: Rekenboek kerkmeesters
parochiekerk.) Kort daarna verstrekte de weduwe aan de gemeente
St. Odiliënberg twee leningen van samen 800 pattacons. De jaarlijkse
rente bedroeg 40 pattacons ofwel 96 gulden. De schuld werd in 1714 afgelost.
(ASO, inv. nr.19: o.a. lijst van kapitalen
ten laste der bank.)
De Aerwinkel was al in 1612 overgegaan op haar oom Peter Cox (ca.1590-1649).
Zijn vader heeft dus maar kort dit landgoed in bezit gehad. Selis Cox
stierf immers niet in 1628, zoals genoemde stamboom vermeldt. Een opmerking
uit september 1613 geeft aan, dat raedtzherren Koxs dan al zalig is. Hij
stierf nov./dec. 1612.
Een maand later liet Korst Neiven uit het Reutje weten, dat hij zijn schulden
met Catharina Oidtmans, de weduwe Cox, heeft vergeleken. Vervolgens werd
de pacht aangehouden en was opnieuw met St. Andries te betalen. Omdat
Neiven toen al in Roermond woonde, ging het hierbij enkel om een erfpacht
op Neyvens land. (ASO, inv. nr. 15 overdrachten
1588-1648, blz. 28: dd. 17-9-1613; blz. 29: dd 15-10-1613.)
Het leengoed Daswijlerhof
Juist in de tijd dat “Linssenhof” als benaming voor de boerderij
gangbaar werd, komen we een andere en oudere naam voor deze pachthoeve
in het Reutje tegen. Zodoende kon ook de herkomst van de boerderij achterhaald
worden.
Jan Schoenmakers behoorde tot de boeren in de gemeente, die aan de omvang
van hun landbouwgronden het recht ontleenden nog schapen te houden. Een
nieuw reglement, dat sinds kort van kracht was. In 1792 beschikte hij
over 60 morgen akker- en weiland als pachter van Daswilderhoff van commissaris
Petit. (RHCL: G.H.A. G. Venner: Inventaris
van achieven van overheidsfunctionarissen in het ambt Montfort, inv. nr.
1591.)
De geschiedschrijver Wolters noemde naderhand in een lijst van lenen van
het Ambt Montfort uit 1619 o.a.: Dat goed In gen Raetgen, genoemd
Daswyler. Nog verder terug was er ook een familie met die naam.
Rond 1350 komt de welgeboren Willem van Daswijlre in deze streek voor.
Twintig jaar later in 1369 werd hij genoemd in een schatlijst vanwege
zijn goederen onder Udelenberg. Waarschijnlijk woonde hij in Roermond.
(G.W.G. van Bree: Inventaris van de oude
archieven van de stad Roermond, 1259-1796 (Roermond, 1989) in G.A.R.,
inv. nr. 801. Augustus 1365: Willem van Daswijlre en Didderic van Pardelaer
verklaren dat sinds hun heugenis niemand dan de voogden van Roermond schapen
mogen houden in de Weerd.)
Omstreeks 1410 trad zekere Johan van Daswijlre op als schout van Echt,
zoals te lezen is in de rentmeestersrekeningen van het ambt Montfort uit
die jaren. (Vriendelijke informatie van
Fedor Coenen, Montfort.) In 1421 wordt hij samen met Wolter van
Pardelaer en Johan en Gerard van Oesen genoemd as knapen van wapen, die
al meer dan veertig jaar het houtgeding van de Meinweg hadden bijgewoond
in het gevolg van de drost van Montfort. (Dr.
G.H.A. Venner: De Meinweg (Assen/Maastricht 1985), blz. 126, 128 en 315.)
In 1438 werd de boerderij in het Reutje als leengoed door (zijn zoon?)
Willem Daswijler verheven. De boerderij werd nog vier eeuwen later naar
deze familie vernoemd als Daswielerhof. (En alle variaties
van dien.)
In 1463 stond het leen op naam van Lysbet van Osen, de weduwe van deze
Willem en ondertussen hertrouwd met Rytzart Speden. Vier jaar later werd
het leen voor haar verheven door Arnt Broick als hulder. Met haar overlijden
verviel het goed terug aan het Hof van Gelder.
Aan de hand van enkele leenregisters kon ook de verdere geschiedenis van
de boerderij achterhaald worden. In september 1533 komt het Daswylregoet
in den ampt van Montfort in handen van Peter van Gulich, priester. Na
zijn overlijden zou het leengoed aan zijn drie zussen toevallen. Dat doet
vermoeden, dat hij het van zijn ouders had geërfd. Deze keer werd
het leen verheven door Herbert van Wuestenrade.
Nu komen we ook te weten, dat het leen meer omhelsde dan alleen de goederen
in het Reutje. Ruim 7 bunder land in het kerspel van Echt waren ondertussen
op meer andere personen overgegaan. En dan was er nog land onder Postairt.
In 1556 trad dezelfde Herbert op als hulder van het hofken In gen Raetgen
namens Andries Busch of Buyscher, schepen te Roermond. Voor het laatst
heeft Herbert van Wuestenraede in 1582 het leen opgedragen. Hij stierf
enkele jaren later.
Schout, burgemeester
en schepenen te Echt schrijven burgemeesteren, schepenen en raad der
stad Roermond dat hun burgemeester Herbert van Wuestenraede onlangs
door Dreiss Busscher, burger van Roermond, voor het gerecht van Herten
gegijzeld is wegens een achterstallige jaarrente gaande uit goederen
te Echt. Deze procedure is strijdig met het landrecht en de rechten
van die van Echt en Roermond elkaar wegens schuld niet in persoon
te arresteren. Verzoeken Dreiss te gelasten de gijzeling op te heffen.
Gemeentearchief Roermond: Oud archief,
regest nr. 1371A. 1562 october 4.
Andries Busch was getrouwd
met Else Severijns, de weduwe Cox. Na het overlijden van zijn stiefvader
liet Selis Cox in 1587 het leengoed verheffen als de nieuwe eigenaar,
soo hij seyde. In feite was hij dit slechts voor de helft.
Pas twintig jaar later, nadat de drie erven van hun oom Andries hun aandeel
aan Cox hadden verkocht, was deze in het volle bezit van het leen gekomen.
Evenals de goederen onder Echt betrof het hier verspreid gelegen stukken
grond. Aan het Daswijlergoed in het Reutje was ook een tiendeke op akkervruchten
verbonden, ter grootte van 10 malder rogge.
In 1582 werd het goed omschreven als: "dat leen Ingen Raetgen,
gent. Daeswiller, endt van dat haeffken to Postaert". En ook
in 1613, toen Derick Cocks (1594-1646) het leen verhief, mede namens zijn
broers en zussen, werd bij het goed nog genoemd het hoofken to Postart.
En daarmee werd in elk geval niet de Aerwinkel bedoeld, die hun vader
kort voordien had aangekocht.
Zoals we verderop zullen zien, was de grond in Posterholt bij elkaar ongeveer
15 morgen groot. Toch werd met “het hofken” onmiskenbaar de
boerderij in het Reutje bedoeld, die daar al in 1556 stond.
De beschrijving van het leengoed, moet ook in die tijd al tot onduidelijkheid
hebben geleid. Bij de leenverheffing uit 1587 werd dan ook opgemerkt:
“men verstaet dat dit goet oft leen meestendeel gelegen is in
den kerspel Bergh”. In 1628 liet Derick, die ondertussen kanunnik
was geworden, het leen verheffen door zijn broer Peter Cocks, schout van
Daelenbroek.
Na het overlijden van Dederich trad in 1648 een andere broer op als hulder
van het leengoed, namelijk geheimraad Johan Cocks (1596-1658).
Na diens overlijden werd de boerderij vererfd op zijn jonge dochter.
(De diverse leenboeken bevinden zich in
RHCL 16.1117: Inventaris archief kasteel Baarlo, inv. nrs. 30-36, leenregisters
anno 1326-1654. RHCL 01.004: Inventaris archief Hof van Gelder, inv. nrs.
218, 224, 960-963: leenregisters anno 1645-1759. RHCL 0.002/1: Inventaris
Gelderse Rekenkamer Roermond, inv. nrs. 91-105.)
Het meisje was nog maar 12 jaren jong,
toen zij er met voornoemde luitenant kolonel er vandoor ging. Dat was
in de zomer van 1659. De goegemeente in de stad sprak er schande van en
men vreesde het ergste voor de goede afloop. De oudere man zou geen serieuze
trouwplannen hebben en het meisje zou met schande overladen achterblijven.
Maar het stel hield zich op in Frankrijk en zover reikte de macht niet
van de plaatselijke, noch van de lands-overheid.
(RHCL: Archief Staten Overkwartier Gelderland, inv.nr. 746-16. Met dank
aan Jos Cox Roermond voor de vriendelijke informatie.)
Enkele jaren later (1662) blijkt het stel dan toch getrouwd te zijn, hoe
groot ook het leeftijdsverschil. Uit dit huwelijk werden meer dan tien
kinderen geboren, waarvan enkel een dochter haar moeder zou overleven.

De familie Pachtlandt
Volgens het bunderboek van 1717 stonden 17 bunder akkerland
op naam van mevrouw Monzeau, met daarbij nog 7 bunder hei. Dat moet toch
terug te vinden zijn in de veestapel van haar pachter. (ASO,
inv. nr. 20: bunderboek 1717.)
In 1668 boerde Jan Pachtlandt op mienheer Mansau hoeff Indt Redtgen.
Ik vermoed dat de pachter hier al voor 1660 van buiten de gemeente met
vrouw en kinderen is komen wonen. Naderhand komen we hier nog zijn dochters
Anna en Sophia op de boerderij tegen. Hun moeder stierf in september 1676.
De boer had drie knechten en twee meiden in dienst. In de stal stonden
7 koeien, terwijl de scheper met 40 schapen naar de hei trok. Al in 1661
werd de pachter in het Reutje genoemd als grondeigenaar te Posterholt.
Dat kan wijzen op zijn afkomst.
Jan Pachtlandt werd toen aangeslagen voor liefst 16 morgen
land. Meestal werd bij de halfwinning afgesproken, dat de pachter geen
ander land onder de ploeg mocht hebben. Hij zou dan immers zaaigoed en
mest van de boerderij daarvoor gaan gebruiken en daarmee de hoflanden
tekort doen. Ook in het Reutje had de boer nog wat land van z'n eigen;
maar niet zo veel.
In oktober 1669 trouwde zijn dochter Anna (in tweede huwelijk) met Dries
Lutters van Herkenbosch. Tijdelijk heeft het echtpaar elders
geboerd. Naderhand is het gezin toch weer op de pachtboerderij komen wonen.
Kort voor het overlijden van zijn schoonvader heeft Dries de akkerwinning
op Daswijlerhof overgenomen. Jan Pachtlandt stierf in februari 1678. De
boer had toen een knecht en meid en een scheper in vaste dienst. Voor
personeel, jonger dan 17 jaar, werd hij in de “hoofdenschat”
niet belast, en dat is in de lijsten dan ook niet teug te vinden. Tien
jaar later werd Dries nog aangeslagen voor 8 koeien en 30 schapen. Lutters
is hier voorlopig gebleven totdat de pacht omstreeks 1700 door zijn zwager
werd overgenomen.
Voorheen werd Dries nog door een boer uit het Reutje aangeklaagd. De pachter
zou land hebben afgevaren van een akker naast eigen land. Maar Dries verweerde
zich, dat het puur als vergissing gebeurd was en hij de grond nog voor
de dingsdag wederom soude terugge hebben gevaeren. Er werd nog lang over
de kwestie geruzied. Uiteindelijk werd Lutters een boete van liefst 2
goudgulden opgelegd, plus de gerechtskosten.

Erfgenamen
Reinboom (ook: Rinboem, Reijnbaum, Rinboms enz.)
Anna's jongere zus Fijcken Pachtlants (ca.1650-1721)
was in februari 1679 in de kerk van 'Berg getrouwd met Corst Rinboom.
Zij gingen voorlopig in Posterholt boeren. Daar werden hun vijf kinderen
geboren.
In 1686 was Ida Spee aanwezig op het doopfeest van de kleine Hendrick,
het zoontje van de pachter. Mevrouw Bordels was een dochter van Gerardt
Spee, schout van Echt. Zij had in Posterholt twee pachthoeven geërfd.
Nog in 1732 verklaarde Willem Reynboom, dat zijn ouders
voorheen liefst 21 jaar halfluydens van Wijerhof zijn geweest.
Bij de doopinschrijving van zijn jongere broer Jan in 1682 werd de vader
dan ook genoemd: “Christiani op den Wijer”. De pastoor was
blijkbaar de familienaam ontschoten. (Zie
ook: M.J. Veelen: De Vuren- of Wijerhof te Posterholt, in Roerstreek ’91,
blz. 114.)
De nieuwe pachter op Daswijlerhof van mevrouw de Monceau was eind december
1641 in Montfort geboren als oudste zoon van Willem Rinboem en Mercken
NN. Zijn vader was afkomstig van Sint-Odiliënberg als zoon van schepen
Heinrich Rinbaum en Lysken van Poll.
Het echtpaar woonde in het dorp aan ‘t valderen angen endt. Schepen
Rinbaum was overigens in eerste huwelijk getrouwd met Lisken Buijsers
uit het Reutje. Hun huwelijk was echter kinderloos gebleven, waarna Hendrick
haar erfgoederen aan haar familie terugverkocht.
In februari 1667 hertrouwde Willem in de kerk van Vlodrop met Marie Hoems.
Hij woonde toen als pachter op de Aerwinkel tot zijn overlijden in januari
1678. De weduwe Hoems hertrouwde daarop met Jan Gerards uit het Reutje.
Deze heeft de pacht nog enige tijd voortgezet.
Ook Areth Renboom (ca.1667-1744), halfbroer van Corst, was in het Reutje
gaan wonen. En naderhand volgde Jan (1673-1729), de jongste zoon uit het
gezin. Beiden bevestigden in 1723 dat hun vader voordien pachter was geweest
op de Aerwinkel, alwaar Jan geboren en getogen was. Alleen van Areth is
de doopinschrijving nog niet gevonden. (Jan
Ruiten: Wilken ayn gen Rinboum, in Roerstreek 2002, blz. 161 e.v.)
Corst Rinboms liep al tegen de zestig toen hij op Daswijlerhof
kwam wonen. Maar kort daarna stierf hij in oktober 1702. Na het overlijden
van haar man hield Fijcken de boerderij nog vele jaren onder haar hoede.
En we zullen het nog vaker tegenkomen in de geschiedenis van de hof in
gen Raetgen, dat na de dood van de halfer diens weduwe nog voor langere
tijd de pacht aanhield. De leiding in het huishouden en de akkerwinning
regelde zij zelf.
Ook nadat haar zoon Willem oud genoeg was om het werk van haar over te
nemen, stond Fijcken nog steeds aan het hoofd van het boerenbedrijf. De
weduwe Reijnbooms had drie knechten en een meid in dienst. In de beestenschat
van 1710 werd de vrouw aangeslagen voor 10 koeien en 40 schapen. Dat is
zelfs nog meer dan Beckers op Munnichsbosch.
Misschien mogen we ervan uitgaan, dat de pachterse ook het land van de
weduwe Monzeau onder Posterholt liet beakkeren. Daarvan hebben we alleen
de landschat uit 1661 ter beschikking. Toen werden de erfgenamen van Johan
Cox voor ruim 15 gulden aangeslagen. Dat waren evenzoveel morgen land.
De Aerwinkel was toen al overgegaan op zijn nicht, Maria Cox (1631-1678),
dochter van zijn broer Peter. Kort daarop trouwde de vrouw met Joannes
van der Heyden, naderhand drossaard van het Ambt Montfort. Vanwege haar
akkerland in Posterholt werd zij aangeslagen voor 50 gulden en dat komt
overeen met de morgentalen van dit buitengoed.
De goederen van licentiaat Johan Cox zouden naderhand op zijn dochter
Isabella overgaan. Nergens echter staat vermeld dat diens grond te Posterholt
door de boer op Daswijlerhof werd bebouwd. Maar omgekeerd akkerde wel
de pachter van de Aerwinkel ook op het zaailand in het Reutje.
In 1718 werden op de boerderij 13 koebeesten en liefst 56 schapen geteld.
Fijcken Pachtlandt stierf drie jaar later in februari 1721 op hoge leeftijd.
De pacht op de boerderij was kort voordien al overgegaan op haar zoon
Wullem Rinboom (1679-1739). Hij was in april 1704 getrouwd met Maria van
der Beeck. Vier kinderen werden uit dit huwelijk geboren. Naderhand komen
we hier nog zijn dochter Christina en zoon Plechelmus tegen. De kleine
Isabella Odilia (*1707) werd enerzijds vernoemd naar mevrouw du Monceaux,
terwijl de pastoor namens de parochie als peetvader aanwezig was.
Rond 1710 zitten we midden in de Spaanse Successieoorlog, waarvan deze
streken eveneens hun deel kregen. Meerdere boeren uit 'Berg werden gesommeerd
tot karrediensten voor de vreemde legers.
Ook Wulm Renbooms is toen in november 1709 samen met andere boeren uit
de gemeente op last van het Nieuwburgse leger vier dagen onderweg geweest.
Voor de swaere dienst naar Geleen had hij twee paarden ingezet. Een maand
later was hij opnieuw onderweg. Deze keer naar Bisschopskempen. Vlak voor
de kerst was hij weer thuis.
In de daaropvolgende zomer werden de peerdtslieden opnieuw opgeroepen
voor militaire diensten naar o.a. Peer. Op die manier kwamen de boeren
nog eens ergens. Uit de lijst van declaraties zijn de troepenbewegingen
in de streek na te gaan. Tevens komen we erachter welke “hoevenaars”
over een paard beschikten. (ASO, inv.
nr. --: zware diensten.)
In 1734 werd Wullem aangeslagen voor 13 koeien en 55 schapen. Dat was
weleens minder geweest. Ook hield hij enkele bijenkorven. Verder had Reynboom
drie knechten en twee meiden in dienst. Er was blijkbaar veel werk te
doen.
Christina Reinboom (1705-1760), de oudste van vier kinderen,
trouwde in oktober 1729 met Hendrick Cremers (+1774). Zij lieten hun dochtertje
Sibilla Josepha in maart 1733 vernoemen naar prenobilis domina Anna Sibilla
de Monseau, enige dochter van Isabella Cox. Ook deze keer was de peettante
niet persoonlijk bij de doop aanwezig.
Het echtpaar Cremers woonde toen nog op de pachtboerderij in het Reutje,
waar zij werkten als knecht en meid. Enkele jaren later verhuisde Hendrick
met vrouw en dochters naar Posterholt. Daar gingen zij boeren op de Oudenhoff
aan de Holst.
Pillegift als
geschenk
Al in 1699 had de weduwe de Monceau haar huis op de hoek van de Hegstraat
in Roermond verkocht aan het erachter gelegen Carmelitessenklooster
voor 600 pattacons. In september 1732 schonk haar dochter de moeshof ertegenover
aan de nonnen om er een woning voor hun kapelaan op te richten.
Als tegenprestatie wenste zij een jaargetijde voor haar vader zaliger
en voor haar moeder, welcke den Almogenden noch langh in leven sal
gelieven te houden. En tenslotte, dat zij haar in hun gebeden zouden
gedenken, soo haest sij uijt dit jamerdal der traenen sal sijn gescheijden.
Zal zij nog enige vreugd gekend hebben? (GAR:
Hoofdgericht Roermond, inv. nr. 328: overdrachtsprotocollen, dd. 18-8-1732.)
De verkoop 1699 door de douariere de Monceau geschiedde tevens namens
haar kinderen! In 1732 noemt de vrouw Anna Sebilla als haar eensighe
wereldtlijcke dochter.
Vijf jaar later schonk de vreulijn aan het klooster de rente uit een kapitaal
om jaarlijks aan de armen te bedelen. De oorzaak is duidelijk: Anna
Sebilla du Monceaux was ondertussen als novice ingetreden bij
de “ongeschoende Carmelitessen” te Roermond.
Zij deed afstand van haar wereldse bezittingen. Daarvan profiteerde vooral
haar petekind Florens Cox. Kort na het overlijden van haar moeder vermaakte
de vrome vrouw het leengoed in het Reutje aan haar “neefje”.
De jongen was maar net acht jaar, toen hij in november 1737 van zijn peettante
Daswijlerhof als pillegift kreeg. Een verlaat doopgeschenk dus. (RHCL
01.013: G.H.A. Venner: Inventaris van het archief van het Hof van Gelder
te Venlo 1717-1795: inv. nr. 960.)
Florens Joseph Cox (1729-1754) was het jongste kind van Frederick
Jacob Cox (1684-1757). Zijn vader bekleedde hoge functies. Zo
was hij naast advocaat bij het Hof te Venlo tevens landscholtis van het
Ambt Montfort. In augustus 1731 werd hij door zijn peettante gemachtigd
om in haar naam op te treden als hulder van het goed Daswieler,
na het overlijden van de vorige “leendrager” J.B. Cruijsancker,
oud-burgemeester der stad Roermond. (RHCL
01.013: G.H.A. Venner: Inventaris van het archief van het Hof van Gelder
te Venlo 1717-1795: inv. nr. 960 t/m 963.)
Jan Paulissen,
pachter
Na Willems dood bleef de weduwe Rijnbooms nog geruime tijd op de boerderij
wonen evenals haar schoonmoeder voordien. In 1740 werkten op de boerderij
twee knechten en twee meiden. Dat waren o.a. haar zoons Gerard (1716-na
1739) en Plechelmus (1710-1748). De laatste was in oktober 1738 getrouwd
met Margaretha Haeren.
Na het overlijden van de schepenen Corsten en Everts werd Plechelmus in
april 1745 als een van de mogelijke opvolgers genoemd. Daar is het echter
bij gebleven: twee andere kandidaten werden benoemd. Zij konden wel lezen
en zelfs hun naam schrijven. Verder was Plechelmus niet zelf in de gemeente
gegoed. Daarom viel hij al snel af voor het ambt. (RHCL:
Archieven van het ambt Montfort, inv. nr. 1551.)
Naast zijn moeder was hij de man in huis, maar ook nu bleef de weduwe
Reinboom tot haar overlijden gezinshoofd op de boerderij. Plechelmus stierf
een maand na zijn moeder in april 1748. Naderhand komen we dochter Elisabeth
(1741-1788) en zoon Willem (1744-1789) in het Duitse tegen. Beiden trouwden
in Randerath, waar ze zich hadden gevestigd. Hier woonde nog familie van
hun moeder.
Margaretha Haeren bleef achter met vier kinderen. In
het voorjaar is het altijd druk op de boerderij. Er moest nog veel gebeuren.
De weduwe op Daswijlerhof hertrouwde in juli 1748 met Jan Paulissen, de
nieuwe pachter op de boerderij.
In april 1750 was F.J. Cox aanwezig bij de doop van de kleine Florens
Joseph Paulissen. De jongeman had toen al zijn eigen pachtboerderij en
dat wilde hij weten ook. Jan Paulissen werd in maart 1717 in Vlodrop gedoopt
als zoon van Jan Paulissen en Catharina Janssen. Zijn ouders woonden toen
in Posterholt.
In de kennissenkring van het echtpaar Paulissen-Haeren komen we in 1752
nog Christina Rijnboom tegen. Kort na het overlijden van zijn vrouw hertrouwde
de pachter in maart 1754 met Catrien Timmermans (1729-1796) uit het Reutje,
dochter van Martin Timmermans en Maria van Helden.
Nog datzelfde jaar overleed Florens Cox. Hij stierf te
jong om enige ambitie waar te maken; te jong ook om in de voetsporen van
zijn vader te treden. De schout van het Ambt Montfort overleefde al zijn
kinderen. Zijn enige erfgenamen waren de kinderen van zijn dochter Cornelia
met Peter Petit, landscommissaris van Oostenrijks en Pruisisch Gelder.
In oktober 1759 verhief deze namens de minderjarigen Daswielerhof als
leengoed. (RHCL: Hof van Gelder te Venlo,
inv. nr. 962.)
Zo’n twee jaar later, waarschijnlijk al met Pasen 1761 verliet Paulissen
de boerderij. Het gezin ging aanvankelijk aan de Aerwinkelsweg wonen.
Boerde hij voorheen met 11 koeien en 45 schapen, nu had Jan aan de halfwinning
nog 4 beesten overgehouden. Hij had dus enig akkerland gepacht, immers
hoe meer vee, destemeer land men kon bemesten. Eind 1764 verhuisde het
gezin Paulissen naar Posterholt, alwaar Jan in april 1767 stierf. Naderhand
keerde de weduwe Paulissen terug naar het Reutje.
Lins Linssen als pachter
In oktober 1741 trouwde Lins Linssen (1713-1801) voor
de pastoor van 'Berg met Gertrudis Wijnen. Lins was eveneens geboortig
van Posterholt als zoon van Peter Linssen en Ida Tellers. Aanvankelijk
woonde hij met vrouw en kinderen aan de Aerwinkelsweg in het huis van
Stocx.
Twintig jaar later verhuisde het gezin Linssen met Pasen 1761 naar Daswijlerhof.
De pachter had de hulp van twee knechten en een meid, evenals zijn voorganger
voordien. Natuurlijk werkten de kinderen mee op de boerderij. Lins startte
met 9 koeien en 31 schapen. Spoedig wist hij het veebestand weer uit te
breiden tot 12 koeien en 50 schapen.
Naar hem werd de boerderij naderhand Linssenhof genoemd. Deze nieuwe benaming
voor de boerderij moet toch al vrij vroeg gangbaar zijn geweest. Want
al in 1773 sprak men over “Lijnsse bongart int Reutjen”. Daar
had de pachter toen het hout uit het Reutjesbroek opgestapeld, dat bestemd
was voor het batten van de Roer.
De naam Linssenhof komen we in de archieven voor het eerst in 1838 tegen.
(GAR: Memorie van successie van Pieter
van Helden, overleden Sint-Odiliënberg dd. 9-5-1838: akker, grenzend
aan (land van) Linssenhof.) En Linssensteeg (1830)
is de veldweg die van de boerderij rechtstreeks naar Petitenveld liep.
Daarmee werd dan weer het Roskammerveld bedoeld waarvan ruim 12 hectare
op naam van Petit stond. (GAR: Inv. archief
notaris J. Cornelis, Roermond, dienstjaar 1830, volgnummer 249: dd. 28-7-1830,
koop 54: “akker en slaghout aan Linssen steeg”.)
Oud van jaren liet de pachter het werk op de boerderij over aan zijn schoonzoon.
Zijn vrouw was in augustus 1783 overleden en hun dochter Ida (1751-1833)
trouwde kort daarop met Jan Schoenmakers. Ook nadat deze vijf jaar later
de pacht had overgenomen, bleef Lins op de boerderij werkzaam. Daar stierf
hij na een arbeidzaam leven op 88-jarige leeftijd in mei 1801.
Jan Schoenmakers (1761-1836) was gehoortig van Karken
als oudste zoon van Michiel Schoenmakers en Gertrudis van Kempen. Zijn
ouders waren in april 1755 in Vlodrop getrouwd en zijn kort daarop verhuisd.
Ook zijn broers Willem en Godfried en hun zus Maria Catharina zijn hier
komen wonen.
Na het overlijden van hun ouders waren de kinderen Schoenmakers aanvankelijk
naar Posterholt teruggekeerd. Het huwelijk van hun oudste broer werd immers
ook in Vlodrop ingeschreven. Toen Jan in 1790 in de hoofdenschat werd
aangeslagen voor drie knechten en een meid, zouden daarmee weleens zijn
broers en zus bedoeld kunnen zijn.
Marie trouwde kort daarop met Christiaen Evers, de zoon van Frymersumshof.
Willem Schoenmakers verdiende naderhand hoofdzakelijk de kost als herbergier
op de Roskam en ook Fridus komen we dan nog in het Reutje tegen als akkerbouwer.
Het echtpaar Schoenmakers woonde nog tot 1820 op Linssenhof. Toen verhuisde
het gezin naar Posterholt. Toch al op leeftijd gekomen nam Schoenmakers
de pacht op de Aerwinkel over. Omdat hij niet genoeg
beesten van zijn eigen had, ging hij een lening aan ter versterking van
het veebestand op de boerderij. (Zie vorige
noot: koop 42.)
Uit het volksregister van 1796:
( RHCL: Frans Archief, inv. nr. 1055.)
Volgens opgave van de pachter in 1792
telde Linssenhof zo’n 60 morgen (ongeveer 20 ha) akkerland. Geen
grote pachthoeve dus zoals het nabijgelegen Munnichsbosch of de Aerwinkel.
Ook de schatlijsten van rond 1800 geven die indruk.
In de belastinglijst op “huizen en gebouwen, dienende
tot den akkerbouw” uit 1797/98 werd de bouwhoeve van Petit wel weer
hoger aangeslagen dan de boerderij op ‘t Zittard. Kort daarop werd
de belasting op ramen en deuren ingevoerd.
Er waren boeren in het Reutje die voor evenveel (namelijk 4) als de pachter
werden aangeslagen. Hendrik van Cruchten zelfs voor 5 en Gootsen op de
Roskam voor het aantal van 7 ramen en deuren en bovendien nog een wagenpoort.
Maar ook bij het eigen huis van Schoenmakers aan de overkant van de straat
kwam men uit op 5 ramen en deuren. Jan Schoenmakers werd in de schatlijsten
telkens twee keer genoemd, namelijk als brandevicier (jeneverstoker) en
als pachter/huurder. (GA Roerdalen: Inv.
arch. gem. Sint-Odiliënberg, inv. nr. 8 en 9.)
Het zou erop kunnen duiden, dat Linssenhof in die jaren, door gebrek aan
onderhoud, deels was afgebroken en kort daarop nieuw werd opgetrokken,
zoals te zien is op de Tranchotkaart van omstreeks 1810. Uitgezonderd
enkele verbouwingen is het grondplan van de boerderij sindsdien niet meer
veranderd. Maar ook de belastinglijst van dat jaar wijst niet op enige
aanbouw; de aanslag is nog steeds hetzelfde.
Een staat uit het jaar VIII (= 1799/1800) geeft een meer gedetailleerde
opsomming van het veebestand en de veldgewassen. Voor de akkerwinning
beschikte Schoenmakers over een paard (naderhand 2) en trekos, vier koeien
en zestien schapen. Verder had hij nog twee varkens in het kot.
De boer had 40 morgen land met rogge bezaaid, 2 morgen gerst en 4 morgen
haver. Zoals meer boeren in het Reutje had hij nog een lap grond voor
de vlasteelt. (Idem, inv. nr. 1192: lijst
van landbouwers en granen en beesten jaar 8; inv. nr. 1280: staat van
paarden anno 1812.) In 1814 komt Jan Schoenmakers voor op een lijst
van kiesgerechtigden, samen met de brouwer op de Roskam en de pachter
op Munnichsbosch. (Idem, inv. nr. 111:
lijst van kiesgerechtigden anno 1814.) De overige naburen betaalden
daarvoor te weinig belasting. Trouwens, hij maakte toen al sinds jaren
zelf deel uit van de gemeenteraad en zou dat voorlopig nog wel even blijven
(1800-1819).
Familie Petit als nieuwe
eigenaars
De papieren van de familie Petit zijn terug te vinden in de familiearchieven
Van den Bergh en Magnée de Horn. Maar geen enkel document over
de pachtboerderij in het Reutje, dus geen pachtcontracten of rekeningen,
die enig inzicht over de bedrijfsvoering geven. Pachtboerderijen werden
vaak in halfwin uitgegeven. De helft van de akkervruchten was voor de
pachter en de andere helft voor de eigenaar.
Ook het vee werd half om half gedeeld, waarbij elke partij zorgde voor
de halve inbreng van het veebestand. Toen Schoenmakers naderhand op de
Aerwinkel ging boeren, bleek hij niet genoeg vee van zijn eigen te hebben.
Om hieraan te kunnen voldoen, nam hij bij de verpachter een lening op
van 368 gulden. Bij de verpachting van Linssenhof was het waarschijnlijk
anders geregeld.
Schoenmakers werd in de schatlijst van het jaar 1800 namelijk cultivateur-locat
genoemd en niet fermier zoals Wolters op Munnichsbosch en Cremers op Genouwen.
Voor het akkerland zou hij dan jaarlijks een afgesproken hoeveelheid veldvruchten
leveren, ongeacht een goede of slechte oogst. Voor het gebruik van de
boerderij en het weiland betaalde hij een vaste huur in geld.
Daarnaast kunnen nog andere afspraken gemaakt zijn, zoals de levering
van het aantal schoven voor onderhoud aan het dak en de karrenvrachten
bij het herstel der gebouwen. Maar nogmaals, concrete gegevens hierover
zijn niet bekend.
Jonkheer Petit overleed in juni 1827. De nalatenschap bestond o.a. uit
vier pachtboerderijen. Te weten de “Zoeterbeek” met 24 bunder
land te Baerlo, de “Nuuwenhof” en de “Dreeve”,
respectievelijk met 21 en 13 bunder land te Herten en tenslotte “Daswielerhof”,
bestaande uit behuizing met stalling, schuur, moestuin, boomgaard, bouw-
en weiland en bossagien, tesamen 28 bunder. In Posterholt lag nog eens
zo’n 20 bunder land en bos, waaronder het Wijers- en het Pollaertsbroek.
Uit de nalatenschap van zijn vrouw volgde hiertoe nog de hoeve “Genouwen”
in de gemeente Montfort en hun woonhuis op de Steenweg te Roermond.
Linssenhof ging over op hun dochter freule Cornelia Petit (1788-1876).
Zij woonde met haar zus en twee dienstboden in hun huis aan de Swalmerstraat.
Bij haar overlijden liet de adellijke dame vele goederen na, o.a. in Roermond,
Haelen, Herten, Maasniel, Beesel en Montfort. Linssenhof werd toen geschat
op 15.000 gulden.
Dat was slechts een fractie van het totaal. Haar bezittingen werden immers
geschat op ruim het 10-voudige. De pachtboerderij in het Reutje ging over
op haar nicht, freule Maria Anna Petit d’Oudenborg.
Zij trouwde in mei 1881 met dhr. Magnée de Horn.

In 1894 werd de wei naast het huis met
fruitbomen beplant. De kadastrale leggers in het gemeentearchief geven
geen bouwaktiviteiten aan. Toch heeft er in de loop der tijd enige aanbouw
plaatsgevonden, maar het oude grondplan van de boerderij is in twee eeuwen
tijd gelijk gebleven.
In 1877 werd de tuin tegenover het huis aangekocht, ruim 8 are groot.
Vier jaar eerder werd de woning die daar stond, afkomstig van de familie
van Helden, afgebroken.
Na het overlijden van de weduwe Magnée in 1906 werden de goederen
in het Reutje onderhands verkocht. Maar toch niet meer als een geheel.
De boerderij telde daarna nog slechts 13 ha akkerland.
Grondbezit van Cornelia Petit in en om het
Reutje volgens het kadaster in 1843.
Inzet: de hofplaats.
De familie Zeegers op
Linssenhof
Omstreeks 1820 kwam hier het gezin van Jan Zeegers (1792-1828)
uit Posterholt wonen. Hij was in 1815 getrouwd met Margaretha Puts (1795-1862).
Ook zijn moeder verhuisde mee naar het Reutje. Joanna Leunings was weduwe
uit eerste huwelijk van Peter Segers en overleefde ook haar tweede man,
Hendrik Knoben. Jarenlang hebben zij Bergerhof gepacht.
Bij haar overlijden in november 1831 liet zij haar vier kinderen een boerderij
in Posterholt na en nog zo’n 460 are land, verdeeld over 22 percelen.
Hoewel haar zoon de pacht op Linssenhof had overgenomen, had zij daar
toch wel haar aandeel in. Haar inbreng bestond uit het aanzienlijke meubilair,
haar akkergereedschap, en verder een paard, twee koeien, 3 rinderen, een
kar en ploeg.
Haar zoon Herman Zeegers boerde toen op de Roskam. Naderhand nam hij Vurenhof
in Posterholt in pacht. Voorheen had daar nog Hendrik Puts gewoond, een
broer van Margaretha. Vervolgens ging hij boeren op Jongenhof.
Hun dochter Catharina trouwde met Hendrik Timmermans. Hun nakomelingen
wonen nog steeds op de pachthoeve in Lerop. Margaretha’s ouders
woonden aanvankelijk aan de Donk in Posterholt. Het echtpaar Puts-Gelissen
kocht eerst in 1811 de boerderij van de erven Simon Smeets aldaar.
De pachterse op Linssenhof hertrouwde in september 1832 met Peter
Smeets (1806-1843) uit het Reutje. In 1840 woonden zij hier met
de vijf voor- en de drie nakinderen. De oudsten werkten spoedig mee op
het boerenbedrijf.
De pachterse had de hulp van een meid en verder was er nog een schaapherder
in dienst. Een lijst uit 1836 geeft ons een laatste blik op de veestapel
in de gemeente. De pachter op Linssenhof beschikte over twee paarden en
een veulen, 9 koebeesten en 3 kalveren en een kudde van 39 schapen. Verder
scharrelden er nog twee varkens rond.
In de beestenschat van de voorbije periode waren varkens
nooit belast en werden dus niet vermeld. Maar zou het beeld anders zijn
dan in 1836? Naast Munnichsbosch en Linssenhof waren er slechts drie boeren,
die elk één varken hielden.
Na het overlijden van haar tweede man
zette de weduwe het werk voort, bijgestaan door zoon Peter (1816-1875).
Toen hij de pacht van zijn moeder overnam, telde Linssenhof 5 koeien,
2 runderen en 5 kalveren. Alles zwartbontvee. Dat kwam hier het meest
voor.
Peter Zeegers trouwde eerst in mei 1865 met de meid Mechteld
Smeets (1842-1916). Zijn broer Theo was in oktober 1857 getrouwd met Christina
Vos uit Echt.
Tot 1863 hebben zij in Posterholt geboerd. Waarschijnlijk als pachters.
Tijdelijk kwamen zij terug naar Linssenhof in het Reutje, maar het jaar
daarop verhuisden zij alweer naar Echt. Ook kwamen de neefjes Jan, Hendrik
en Peter Smeets na het overlijden van hun ouders op de boerderij wonen.
Zij waren ondertussen oud genoeg om de handen uit de mouwen te steken.
Verder had de pachter een knecht en meid in dienst. Zo leerde Hendrik
Smeets hier Heleen Cuypers beter kennen. Na hun huwelijk gingen zij verderop
in het huis van Metsemakers aan het Stepken* wonen.
Mechteld Smeets, halferse
Toen de pachter op Linssenhof met de meid Mechteld trouwde, werd bij de
notaris een huwelijkscontract opgesteld. Het betrof voornamelijk
de goederen die beide echtelieden zelf mee in het huwelijk brachten. Peter
had toen al meerdere percelen aangekocht, bij elkaar zo’n 93 are
land en wei.
Kort daarop erfde Mechteld van haar ouders drie stukken grond. Ieder behield
de eigendom van het eigen land, terwijl de opbrengsten daarvan voor gemeenschappelijk
gebruik waren. Gezamenlijk kochten zij in 1867 uit de erfenis van het
echtpaar Smeets huis, hof en akker. Puur zakelijk was dit huwelijk ook
weer niet. “Om zich wederzijds hunne genegenheid en liefde te betoonen”,
vermaakten de echtelieden in elk geval het vruchtgebruik van alle goederen
aan de langstlevende. (GAR: Inventaris
archief notaris J.A. Dirix, Roermond, dienstjaar 1865, volgnummer 44:
huwelijkse voorwaarden tussen P. Zeegers, halfer, en A.M.M. Smeets, huishoudster.)
Peter Zeegers stierf in juni 1875 en opnieuw is het de
vrouw, die de pacht voortzette. Mechteld was nog maar 33 jaar toen zij
met vijf kinderen achterbleef; de oudste pas negen jaar. Om het werk op
de boerderij aan te kunnen, moet de jonge vrouw toch wel enkele knechten
en meiden in dienst hebben gehad. Maar over inwonend dienstvolk staat
niets vermeld in het bevolkingsregister van die tijd (1882-1900).
-Dat is wel anders in het vorige deel (1861-1881), waarin elke verandering
nauwkeurig werd bijgehouden.- Zonder hulp heeft de pachterse het op Linssenhof
niet kunnen rooien. Zeker dertig jaar lang stond de weduwe tot op hoge
leeftijd aan het hoofd van het boerenbedrijf.
De oudste zoon Jan (1866-1919) trouwde in april 1894 met Sophia Puts.
Het echtpaar ging kort daarop wonen in het huis aan de Aerwinkelsweg,
in 1867 door zijn ouders aangekocht uit de nalatenschap van Mechtelds
ouders.
Land van zijn eigen had Jan nog niet. Mogelijk bewerkte hij de akkers
die zijn ouders in eigendom hadden. Mogelijk had hij ookander land gepacht.
Eerst de opgave uit 1910 vermeldt, dat Jan Zeegers zo’n 175 are
akkerland had gepacht. Zijn zus Margreet (1867-1959) woonde enkele huizen
verderop. Zij was getrouwd met Jan Hendriks (1872-1948), tuinier bij de
familie Geradts op de Aerwinkel.
Zoon Hendrik (1869-1947) en de dochters Leen (1872-1957) en Marie (1875-1958)
woonden toen nog thuis op Linssenhof. Ongetwijfeld heeft Hendrik zijn
moeder veel werk uit handen genomen bij de akkerwinning. Verder werkten
er nog twee knechten op de boerderij. Het dienstvolk kwam hoofdzakelijk
uit het Reutje, zoals Willem Cloudt, An Backes en voor langere tijd neef
Jan Smeets.
Zeegershof
Dat vrouw Zeegers de pacht daadwerkelijk zelf heeft aangehouden na het
overlijden van haar man, blijkt o.a. uit het verloop vande geschiedenis
van Linssenhof. In 1907 verkochten de erven Magnée de boerderij
in het Reutje aan de pachterse. Mechteld Smeets verwierf
de bouwhoeve met 13 ha land en weide. Men spreekt nu ook wel van Zeegershof.
De “Petittekamp” in het Roskammerveld werd in meerdere stukken
verdeeld. De weduwe Zeegers hield daarvan twee percelen, ofwel 5 ha over.
Naderhand is dat nog maar een akker van 324 are. De aankoop van de boerderij
werd deels bekostigd met een lening van zesduizend gulden bij de Boerenleenbank.
Dat gebeurde op zondag 11 augustus na de mis. De vrouw bespaarde zich
daarmee een extra gang naar het dorp. Aan de meerrest van de koopsom hadden
haar kinderen (elk naar vermogen) meebetaald. (GAR:
Inventaris archief notaris H.J.Fr. Brinkman, Roermond, dienstjaar 1907,
volgnummer 72: dd. 11-8-1907, hypotheek door Mathilde Smeets. RHCL 07.J05:
Magazijnlijst van de hypotheekbewaarder te Roermond anno 1879-1948, inv.
nr. 167, aktenr. 201.)
Ter voorkoming van eventuele geschillen tussen de erven na haar overlijden,
liet Mechteld Smeets twee jaar later een testament opstellen. Huis, schuur,
stal en de boomgaard met de sloot daarachter, de tuin tegenover het huis
en 10 ha akker- en weiland zouden op zoon Hendrik (1869-1947) overgaan.
Hij was getrouwd met Joanna Thissen (1877-1931). De vrouw was geboortig
van Herten. (GAR: Inventaris archief notaris
H.J.Fr. Brinkman, Roermond, jaar 1909, volgnummer 315: testament dd. 26-12-1909
van A.M.M. Smeets, weduwe Zeegers.)
Haar ouders, het echtpaar Thissen-Verlinden,
verhuisden in 1897 met de kinderen naar Posterholt. Daar trouwde Joanna
in april 1910 met de zoon van Linssenhof. Sindsdien was Hendrik pachter
van zijn moeders erf.
Volgens de landbouwopgave uit dat jaar
had hij 13 ha land van haar in pacht. Voor de akkerwinning hield hij een
paard. Op stal stonden 4 koeien, die zojuist gekalfd hadden, en 5 varkens
in het hok. Het pluimvee werd geteld op 140 kippen. (Hoe deden ze dat?)
Na het overlijden van zijn moeder in
januari 1916 verwierf Hendrik Zeegers de hofplaats met
de tuin, en 965 are land in eigendom. Daar kwamen nog eens 127 are bij.
Een deel van de boomgaard (7.55 are) ging toen over op zijn zus Margreet.
Enkele kleinere akkers waren op de anderen overgegaan. Voor het overige
werden zij door hun broer in contanten uitbetaald, elk naar diens aandeel
in de koopsom.
De totale waarde van de erfgoederen werd in 1916 geschat op f.9100; zonder
aftrek van schulden en lasten. Hendrik nam met de boerderij ook de hypotheek
van zijn moeder over, die hij kort daarna afloste.
Bij haar overlijden bezat de weduwe Zeegers geen roerend goed meer van
haar eigen. De verdeling van de meubels, het akkergerei en het vee was
voorheen tussen haar kinderen onderling al geregeld.
In oktober 1930 plaatste Hendrik een elektromotor in de schuur “voor
te dorschen”. Bij de gemeente diende hij daartoe een schets
in met een globale indeling van de boerderij.

In rood: de goederen die Hendrik Zeegers verwierf uit erfenis van zijn
moeder in 1916.
A. Linssenhof, bestaande uit huis, schuur, stal, tuin, boomgaard, sloot
en wei; B. wei aan Uijlenbosch;
C. strook gras in het Reutjesbroek; D. akker aan Reutjes veestraat; E.
akker in Roskammerveld;
F. schaapswei; G. tuin tegenover het huis; H. dennenbos en akkerland aan
de Zwarte Bergen.
Slot
Toen Bair Zeegers (1913-1998) de boerderij in 1947 uit erfenis van zijn
ouders verwierf, had hij nog slechts 670 are landbouwgrond ter beschikking.
Een eeuw eerder was dat nog vier tot vijf keer zoveel. Toen de freule
Petit stierf, telde Linssenhof ruim 31 ha.
De erfgenamen Magnée de Horn verkochten in 1908 nog bijna anderhalve
ha, waaronder de Uylenbosch, aan Peter Rijks, die er zijn huis bouwde.
Veel was er dus niet meer over toen Bair de boerderij verwierf. Zijn drie
zussen kregen bij de deling in 1947 samen 5 ha. Hubert Zeegers kocht er
nog 40 are in het Reutjesbroek bij. Maar voor en na verkocht hij toch
weer meerdere stukken land.
Rond 1960 telde Zeegershof nog maar 390 are, voornamelijk
wei- en akkerland. De woeste gronden waren voorheen al afgestoten, evenals
een groot deel van het akkerland. Het bedrijf is in de loop der jaren
overgeschakeld op de veeteelt. Middels aankoop van enig grasland wordt
het grondbezit nu geschat op 445 are. Geen grote bouwhoeve meer als centrum
van het oorspronkelijke Reutje.
De hofplaats is buiten enige aanbouw onveranderd gebleven. De boerderij
met schuur, boomgaard, wei en sloot worden gemeten op ruim 47 are. En
tegenover het huis ligt de tuin. Geen moderne silo of golfplaten dak voor
de “schop”.
Zeegershof oogt nog als twee eeuwen terug. Het is een verdienste o.a.
van haar bewoners, dat het Reutje nog de oude sfeer uitstraalt, die op
de toevallige bezoeker een weldadige rust achterlaat.

Linssenhof in het Reutje
(St. Petrusstraat7) jaar: ? fotograaf: ?
Uit het fotoarchief van de H.V.R. nr. BM860-OB051-FT001


|