............

Huisnamen-Roermond

(Afb. Fotocollectie GAR.)

Laatst gewijzigd: 22-10-2017 © Jan Ruiten

HUISNAMEN IN DE BINNENSTAD
(Deze pagina wordt voortdurend bijgewerkt. Zie datum per onderwerp.)

Het waren meestal herbergen, brouwerijen en winkels die een naam droegen. Dat was dan al gauw te zien aan het bord dat aan de gevel hing. Zo staat het enkele keren in de akten terloops vermeld: het huis waar tegenwoordig de Ster, of de Adelaar uithangt, of voorheen De Moriaan genoemd. Sommige namen hielden generaties lang stand. Andere namen gingen al weer gauw verloren. De Vier Heemskinderen en De Drachenfelz komen onder die naam slechts een keer in de akten voor. Hoewel er naast uithangborden ook wel gevelstenen geweest zullen zijn, staat ook dat nergens op schrift. Sommige huisnamen werden familienamen en vervolgens veldnamen. Een duidelijk voorbeeld daarvan is De Wolfskeel, nu gangbaar als Wolfskuil.

Nota. Een niet gering aantal burgers bezat wel twee, drie of zelfs vier huizen binnen de stadsmuren. De elkaar opvolgende eigenaars, hieronder beschreven, hoeven dus niet tevens de bewoners te zijn geweest. Zelfs wanneer de bronnen vermelden dat een echtpaar "zijn huis" beleent, kan het betreffende gezin toch in een van zijn andere huizen wonen. Slechts bij uitzondering staat in de akten vermeld "het huis waarin ze nu wonen". In enkele gevallen is dat alsnog te achterhalen middels gegevens uit andere bronnen.

Tijdens het lopende onderzoek komen steeds weer nieuwe gegevens boven water uit bronnen die nauwelijks of nog niet eerder geraadpleegd zijn. De onderstaande beschrijvingen worden van tijd tot tijd aangevuld, en indien nodig, gewijzigd. Nieuwe gegevens kunnen tot andere conclusies leiden, om vervolgens de tekst te herschrijven.


XTC HUIZEN INDEX XTC

Dit artikel beschrijft de historie van de huizen die een naam droegen, vanaf de Kraanpoort, langs de Markt,
de Varkensmarkt heen en terug richting Swalmerstraat en de route eindigt bij de Alde Apotheek aan de Sint-Christoffelkerk.
Ondertussen staan ook al de meeste kroegen en herbergen, gelegen tussen de Luifelstraat,
de Zoutmarkt en de Muur op deze pagina.
Steeds meer nieuwe gegevens worden geregeld toegevoegd, over de handel en wandel van diverse personen,
onenigheid met de buren, over verbouwingen,
aangevuld met stambomen enz.

De hoofdmoot ligt in de periode tussen de twee stadsbranden (1554-1665.),
maar is van sommige panden ondertussen al uitgebreid tot begin 19e eeuw.

||_____
Indien niet anders vermeld, stammen de gegevens uit het archief van het Hoofdgerecht, in het GA-Roermond.

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-0

In Den Swarten Ruyter
BuitenOp
"De waard in Den Swarten Ruyter was er vandoor gegaan toen hij beticht werd van rebellie, zoals in die tijd gangbaar was in Holland, Zeeland en elders, waar de nieuwe ketterij steeds meer aanhang genoot..." Bij terugkeer trof hij zijn huis leeg aan.

De huizen te BuitenOp vielen onder het gerecht van de laatbank als onderdeel van de erfvoogdij. Deze voerde een eigen administratie. Het laatgerecht kende een eigen laatscholtis en -schepenen. Gewoonlijk inwoners van Roermond. De akten werden dus niet op het stadhuis geregistreerd. Uiterst zelden zijn daarvan toch enige meldingen te vinden in de stukken van het Hoofdgerecht.

In februari 1599 droeg Gerhart Peters (weduwnaar van Fije Hacken) zijn helft in een huis te BuitenOp over aan zijn stiefzoon Dederich Custers en vrouw Truytgen van Hingen. Het huis stond bekend onder de vrijzinnige naam Den Swarten Ruyter. Om de kopers te verzekeren in het rechtmatige en onbezwaarde bezit van het huis, stelde Peters daartoe als onderpand zijn huis over de Stenen Brug. Zodoende werd de overdracht alsnog door het Hoofdgerecht genoteerd. (Hoofdgerecht 312-f.81.)

Uit een andere akte blijkt, dat het huis te BuitenOp was belast met een cijns aan de Sint-Michael-kapel in de parochiekerk van Sint-Christoffel. Die jaarrente was in 1607, na het overlijden van Peters, overgegaan op een ander huis in de stad. (Hoofdgerecht 312-f.213.)

Verdwenen inboedel van huismeubels en overige spullen...
Gerhart Peters en zijn vrouw Grietgen hebben ook nog een klein aandeel gehad in een huis in de Koolstraat. Het huis was afkomstig van zijn eerste vrouw. Jaren later wordt het huis te BuitenOp nog een keer vermeld wegens een andere lening. In januari 1622 is sprake van een rente van een goudgulden jaarlijks, afkomstig van een afgeloste lening op het huis Den Swarten Ruyter buiten de Nopperpoort, tegen het poortgebouw aan. Het huis stond in 1622 op naam van Philip van Tricht. Het geld was uitgezet door de broederschap van de St.-Jan, St.-Mathias en St.-Anna in de parochiekerk.
(Hoofdgerecht 314-f.18.)

Dirck Custers had zelf ook nog een huis over de Stenenbrug. Dat huis gaf hij in 1603 in pandschap uit aan Gerard Haesen voor de duur van 15 jaar. Naderhand wordt dit omgezet in verkoop. Over zijn huis te BuitenOp komen we in de akten niets meer tegen.

In 1599 lag Derick in onenigheid met Herman de hoefsmid, wegens enkele meubelen die een tijdlang in Hermans huis hadden gestaan. Derick was zo'n zes jaar in Holland geweest, onderwijl de meubels, afkomstig van zijn overleden ouders, bij Herman zijn ondergebracht. Nu hij weer terug was van weggeweest, wilde Herman de meubels niet meer afstaan. Het betrof o.a. een bedstadt met een treckbedt, een bed, dat Derick slechts een keer gebruikt had, een tafel met een bank, een zetelstoel, twee korenvaten, een hekel en een paardenkribbe.

Verder beschuldigde Derick hem ervan, dat Herman op zijn naam bij Gerrit Peeters voor meer dan 2 gulden aan wijn is gaan halen, en dat hij enkele keren met z'n vrouw uit eten is gegaan, alweer op Dircks kosten.

De smid beweerde van enkele spullen dat hij die had gekocht, en van de andere spullen dat hij die nooit in huis heeft gehad. Vervolgens laat hij ons weten, dat de spullen door het Hof in beslag waren genomen, omdat Derick met anderen tegen Z.M. de Koning had gerebelleerd en vervolgens in Holland zijn heil had gezocht. Na zijn vertrek zijn z'n spullen publiekelijk verkocht.

Van geuzen, ketters en rebellen...
Dat we in deze zaak wel degelijk met dezelfde Derick Custers in Den Swarten Ruyter te doen hebben, blijkt wel uit de beweringen van de smid. Hij had Derick bij de verkoop van "het halve huis op de werf" enig geld voorgeschoten, o.a. tot betaling van de gebruikelijke lycoop (verteringen).

Dirck ontkent dat hij wegens rebellie de stad heeft moeten verlaten, of dat arrest op zijn meubilair was gelegd. Tijdens zijn verblijf in Holland heeft hij in een dorp met "zure arbeid" zijn kost moeten verdienen.

We zijn alweer zes jaar verder en het proces sleept zich nog steeds voort. Een van de getuigen die werd opgeroepen was de zoon van Johan Wenmeker, die zich wist te herinneren, dat zijn vader jaren terug een bedstadt (met twee deuren te sluiten) had uit erfenis van diens broer Hendrick van Doeveren*. Hij weet niet aan wie de bedstee toen verkocht is, maar de bedstee op de kamer van Herman Hoefsmid lijkt er wel veel op. (* schoonvader van Derick Custers)

Johan van Doorn wist zich nog te herinneren, dat hij de paardenkribbe uit Dericks huis heeft helpen dragen naar Hermans stal. Gerit Peters zlgr. had toen de meubels 's nachts uit zijn woning gehaald en vervolgens over de Roer gevaren naar het huis van Derick Custers. Daarvoor is hij nog in arrest geweest. (Hoofdgerecht inv.nr. 106-82.)

In andere rechtzaken is wel degelijk sprake van de handel en wandel van Dirck Custers als heretiek, een voorstander van de nieuwe ketterijen, zoals die in de landen van Holland, Zeeland, Engeland, Denemarken enz. enz. steeds meer aanhang genoten. Hij zou ook openlijk de bijeenkomsten van de geuzen en ketters in Wassenberg bezocht hebben. Krachtens het decreet van koning Karel uit 1580 werden zijn goederen in beslag genomen. Daaronder viel een rentebrief ten laste van de kerspel Swalmen tegen een pensioen van 15 gulden jaarlijks. Deze zegelbrief was voor Custers het onderpand voor een lening van gelijke 100 gulden, maar het document was ondertussen in handen van de kanselier (Peter Schrije, gnd. Patientie) gekomen. Naderhand werd het decreet weer teruggedraaid. (Hoofdgerecht inv.nrs. 113-305 en 113-311.)

Laatst gewijzigd: 11-06-2017
ABC 1. De Hulk
deel van Kraanpoort 9
 
"Rond 1700 was dit het huis van Guillaume Botquin, beziender van Zijne Majesteits maastol te Roermond..." De schuldenlast op het huis werd door zijn erfgenamen betaald met gerst, rogge, boekweit en een vet varken van 156 pond.






Direct achter de Opperpoort lag rechts het huis genaamd De Hulk. In oude stukken heeft het woord hulk de betekenis van een groot, log vrachtschip. Ook komt het voor als takelboot om een ander schip recht te trekken. Als huisnaam werd hier waarschijnlijk verwezen naar de kraan die men gebruikte bij het laden en lossen van de schepen.

In 1554 komt de naam al voor, wanneer Gerart Vercken door zijn zaakwaarnemer beslag laat leggen op het schip van wijlen Jacob in den Helk wegens een openstaande schuld van 300 gulden. Er zijn dan meer schuldeisers. Lyns Kannegieter bijvoorbeeld laat beslag leggen namens de kinderen Kaix (Cox) voor een bedrag van 99 gulden. (Hoofdgerecht 311-f.51.)

In mei 1556 kopen Johan van Ophoven en zijn vrouw Trijne het huis van Balthasar van Loeffelt en vrouw. De kopers blijven vooralsnog 200 gulden van de koopsom schuldig, die zij beloven spoedig te zullen aflossen. Mogelijk is de nieuwe eigenaar identiek aan Johan Heynrichs die in 1560 als eigenaar genoemd wordt. (Hoofdgerecht 311-f.89.)

Vijf jaar later in april 1565 verkoopt het echtpaar Ophoven zijn twee huizen binnen de stadsmuren. Het ene was gelegen aan minderbroeders naast De Gans, en het andere aan de Opperpoort. Beide huizen gingen toen over op Goert Eggels en Catharina Tielen. Het echtpaar Eggels had nog andere huizen in de stad, o.a. op de Varkensmarkt. (Hoofdgerecht 311-f.172.)

In oktober 1566 wordt het huis aan de Kraanpoort doorverkocht aan Selis Selissen (zoon van Arnt) en zijn vrouw Mettele. Het huis blijft voorlopig op hun naam staan. Selis had drie broers. Goerd Selissen stierf als eerste. Daarop droeg Selis aan de weduwe het volle bezit over van het huis in de Sint-Jansstraat ten bate van haar kinderen. De andere twee, Aloff en Henrich blijven ongehuwd. Voor hun zielenheil vermaken zij aan de huisarmen een spende van 4 sester rogge jaarlijks. De bedoeling daarbij was, dat steeds de oudste in lijn (alste bloet) via hun broer Selis zou toezien op de bedeling.

Een huis in verval...
Selis Arntz stierf voor augustus 1588 te Zevenbergen. Zijn weduwe stuurt mede namens haar kinderen een verzegelde brief met het verzoek aan de heren Goltstein en Rijcken om hun huis aan de Kraen- of Nopperpoort te verkopen. Als voornaamste reden wordt aangevoerd, dat het huis wegens "de laatste krijgsonlusten" zwaar vervallen is geraakt. Met het geld willen zij vervolgens hun schulden aflossen. (Hoofdgerecht 311-f.187 en f.415.)

Voor 500 gulden gaat het huis in augustus 1588 over op Borchartt Hopff en zijn vrouw Griet. Verkopers staan garant voor eventuele rechten van derden op het huis. Tot onderpand stellen zij de koopsom, die voorlopig op het huis blijft staan, en een erfpacht van 4 malder rogge ten laste van Walravenshof te Lerop. (Hoofdgerecht 311-f.416.)


De eerste vermelding van de Kraanpoort, augustus 1588? (GAR, Hoofdgerecht 311-f.315.)

Tien jaar later staat het echtpaar Hopff garant met zijn huis aan "die Craen oft Nopperpoirte" wegens een schuld van 400 gulden. In september 1603 verkopen de kinderen Peter, Nees en Jurgen Hopff met hun aanhang het huis tussen de gats achter de stadsmuur en het huis De Swaen aan Jacob Segers en Fijcken Cremers. Het huis zal in de afgelopen jaren danig herbouwd zijn, gezien de koopsom van 1725 gulden. Omdat Jurgen dan nog minderjarig is, zal zijn aandeel in de koopsom een jaar op het huis blijven staan, tegen de gebruikelijke rente. Daarna kan het geld opnieuw uitgezet worden. Inderdaad wordt het geld, 440 gulden als lening verstrekt aan molenaar Joost Scheijven, onder dezelfde voorwaarden. Scheijven gebruikte het geld om zijn volmolen op de Roer nieuw op te timmeren. (Hoofdgerecht 312-f.153 en f.165.)

Een kleine tien jaar later blijkt Fijcken te zijn hertrouwd met Geurt of Govert Grauss. Uit eerste huwelijk heeft zij een dochter, Aletgen Segers, die getrouwd is met Rut van Baexen. In november 1612 wordt Aletgens kindsdeel in De Hulck en in de overige goederen met 400 gulden beleend. Drie jaar later wordt de schuld door haar stiefvader afgelost. Het is tevens de enige keer dat het huis aan de Opperpoort als zodanig in de akten voorkomt. Met een verwijzing naar Jacob in den Helk, kunnen we stellen dat de naam beduidend ouder is. (Hoofdgerecht 313-f.111.)

Uit een akte, gedateerd in september 1614, blijkt de weduwe Segers uit haar eerste huwelijk ook een zoon te hebben. De kinderen Segers worden dan aangeduid met de patroniem Jacobs. (Hoofdgerecht 313-f.158.)

grafsteen van Rut van Baxen en Alitgen Segers in Minderbroederskerk

Bombazijnen, stokvis en kaas...
Geurdt Graus
en zijn vrouw Fijcken Cremers zitten goed bij kas, ook al gaan zij in maart 1617 een lening aan van liefst 1600 gulden. Als onderpand stellen zij daartoe een pandbrief van 3200 gulden staande op de (halve) visserij van de erfvoogd van Roermond. De laatste heeft eerder ook al zijn huis tegenover de Munsterabdij aan het echtpaar in pand gegeven. Samen met drie andere compagnons had het echtpaar Graus-Cremers de licenten en tollen op Rijn en Maas in pacht van de Rekenkamer van het hertogdom Gelder. Daarin gingen grote sommen geld om. Het aandeel van Govert hierin bedroeg 12500 gulden! Hiervoor stond hij o.a. garant met een pandbrief van gelijke waarde, staande op de weiden en landerijen van de erfvoogdij buiten de stad. (Hoofdgerecht 313-f.259-260.)

Ruth van Baexen woonde met vrouw en kinderen in zijn huis op de Markt, naast het huis De Boon. Hij was als gaffelknecht en institor (verkoper) in dienst van het kremersambt, voor wie hij het geld moest innen van de goederen en waren die de gezellen ontvingen. In diezelfde functie van institor verkocht hij ook zelf goederen door. Johan van Neer de jonge was hem (eind 1618) nog ruim 267 gulden schuldig gebleven, hetgeen aan de kooplieden toekwam wegens afgehaalde boemesijnen* en andere waren, waaronder 250 pond kaas. Verder was er sprake van 63 gulden wegens een kippe (lading) stokvis en van 8 gulden voor geleverde waren uit zijn boutique of gaem (gaam = winkel).

De zaak werd eerst voor het Hoofdgerecht aangespannen en nadien voor het Hof van Gelder voortgezet. (RHCL te Maastricht 01.004: archief Hof van Gelder te Roermond, inv.nr. 303-446.) (*bombazijnen: stof voor werk- en onderkleding, aanvankelijk alleen van wol, naderhand met katoenen inslag. Hier: waarschijnlijk van elders ingevoerd, evenals de stokvis en de kazen.)

In 1636 is sprake van Geurd Graus, weduwnaar. Kort nadien, in februari 1637 hertrouwt hij met Catharina Maroyen.* Het huis aan de Kraanpoort is ondertussen overgegaan op zijn stiefkinderen Alitgen en Corst Jacobs. Alitgen was toen al weduwe van Rut van Baexen en in september 1630 hertrouwd met Hendrick Smits. Toen is afgesproken dat haar kinderen bij huwelijk 300 gulden uit haar tochtgoederen zouden krijgen. Haar dochter Gysbertgen van Baexen was (op dezelfde februaridag als haar stiefvader) getrouwd met Jan Pass.
* Zie ook In Den Emmerick: zijn zoon, wachtmeester Jacob Graus, uit eerste huwelijk met Fijcken Cremers.

Ook in haar tweede huwelijk woonde Aletgen in voornoemd huis op de Markt. Haar zoon Henricus Baexen was in zijn leven presbiter kanunnik te Essen en vicaris in de parochiekerk te Roermond. Zijn moeder en stiefvader hebben grote kosten gemaakt om hem te laten promoveren. In september 1645 geeft hij zijn instemming om zijn erfgoederen te belenen en daarmee de schulden te betalen. (Hoofdgerecht 316-f.40 en f.130.)

Het huis aan de Kraanpoort raakte (opnieuw) in verval en was aan een kant ingezakt. Er was dringend geld nodig om het huis nieuw op te bouwen. In maart 1650 belenen Hendrick Smits en Corst Jacobs, elk met de vrouw, het huis met 500 gulden. Tot bijpand stellen zij een stuk land in de Weerd. In 1665 wordt het geld afgelost door genoemde Hendrick Smits en Lenardt Cox. (Hoofdgerecht 316-f.100.)

Lenardt Cox (1632-1712), brouwerszoon uit de Brugstraat, was in november 1654 getrouwd met de jeugdige Sophia Segers, alias Jacobs (1636-voor 1683), dochter van Corst Jacobs en Helena Theelen. In juni 1682 verkochten Lenardt en de erfgenamen van Alitgen het huis aan de Kraanpoort. Voor 1800 gulden ging het huis over op Guillaume Botquin, beziender van Zijne Majesteits tol te Roermond. Als drinkgeld werd een souverein (ad 6 pattacons) op de koopsom toegelegd. De huur van dat jaar verliep met st. Remigius (1 okt.). Botquin was in oktober 1674 getrouwd met Anna Knop. (Hoofdgerecht 318-f.232.)

In 1681 hadden de erfgenamen van Alitgen Baexen (lees: Jacobs) het huis aan de Markt naast De Boon verkocht aan Johan Schoncken. Daarop wenste Henderick Segers, toch al op leeftijd, als bloedverwant van de verkopers het huis te naasten. Omdat hij wegens lijff swaeckheijt niet gaan en staan kon, tekende zijn dochter Liesbeth namens hem beschud aan. Schoncken had daar niet veel tegen in te brengen. Wel wilde hij, dat Segers ook het aandeel van de erfgenamen Waels, waarop beslag was gelegd wegens openstaande schuld, voor zijn rekening zou nemen. Liesbeth overhandigde aan Schoncken de 397 gulden die hij al had betaald en vergoedde tevens de overdrachtkosten, zoals van gedronken bier en wijn. Aan goud en zilver telde Liesbeth een jacobus en een rijpeerdt neer. Johan Cnop stond borg voor de overige kosten, mocht Segers in gebreke blijven. (Hoofdgerecht 318-f.213.)

Openbare verkoop van huis en hof...
In 1713 stond het huis nog op naam van de erven Botquin. Een van die erfgenamen was toen Matthias van Vlodrop, brouwer en wijnkoopman, zoon van de Marienborgh in de Neerstraat. Hij was enkele jaren daarvoor, in juni 1709 getrouwd met Petronella Botquin. Vlodrop had in 1713 bij peyburgemeester en kerkmeester Johan Cox 500 pattacons geleend met als onderpand de helft in een perceel land in de Roermondse Weerd en de helft in het huis naast de Kraanpoort. Anno 1727 bekende het echtpaar de rente over enkele jaren schuldig te zijn gebleven aan neef Leonard Cox. Het huis werd toen, zoals blijkt uit de leenakte, bewoond door procureur Berbers. (Hoofdgerecht 327-f.29.)

Gedurende 10 jaar was de achterstallige rente opgelopen tot liefst 200 pattacons. In plaats daarvan had de meesterbrouwer wel meerdere leveringen gedaan in gerst, rogge, spelt en boekweit, ja zelfs met een vet varken van 156 pond, maar daarna restte van de achterstallige renteschuld nog steeds 118 pattacons. Na het overlijden van Matthijs had de weduwe ook nog te kampen met meerdere schulden op het sterfhuis in de Neerstraat. (Hoofdgerecht inv.nr. 224-2662.)

Het gevolg hiervan was, dat de halve eigendom in het huis aan de Kraanpoort en in de drie stukken akkerland in De Weerd na executie in november 1736 werden verkocht. De goederen gingen daarbij over op Leonard Cox. Toch was daarmee de schuld van 500 pattacons niet afgelost. Datzelfde jaar zag de weduwe Vlodrop, door geldzorgen geplaagd, zich gedwongen om haar aandeel in het familiegoed De Mouthagen te verkopen. (Zie: Jan Ruiten Onder den Klockenslagh, blz. 293 e.v.)

De wederhelft van het huis aan de Kraanpoort waren overgegaan op Maria E. Botquin, in maart 1700 getrouwd met Adolph Th. à Closs. Deze helft is vervolgens in twee partijen tussen de kinderen opgedeeld. Jaren later, in 1736 stond een vierde deel van het huis op naam van de gezusters Janssens te Brussel, die het weer hadden uit erfenis van hun vader, wijlen raadsheer P.I. Janssens. (Zie verderop: 4. De Waag.)

Leonard Cox kwam overeen met de dames Janssens om samen hun belangen in het huis te verkopen aan Aldegonda Spee. De vrouw was zelf met 100 dukaten als pandhouderse in het bezit van het resterende vierde deel. De verkoop werd gesloten voor 200 pattacons. (Hoofdgerecht 329-f.113 e.v.)

Midden 1751 probeerde Maria Reijpkens haar bezittingen binnen de stad aan de man te brengen. Daartoe behoorde o.a. haar huis aan de Kraanpoort, tussen het straatje langs de stadsmuur en t.a.z het huis Den Hemel van raadsheer en Sijben. Het huis ging bij de openbare verkoop in september van dat jaar over op Joannes van Namen als laatste hoger. Waarschijnlijk was de verkoopster een dochter van Martin Reijpkens en Maria Spee. In dat geval had zij het huis naast de Kraanpoort verworven uit erfenis van haar tante. (Hoofdgerecht 333-f. 154 e.v.)

Johan van Namen en zijn vrouw Maria Jacoba Saijer namen kort daarna een lening op van 200 bij het echtpaar Griffen met het huis aan de Kraanpoort als onderpand. De lening werd in juli 1780 afgelost door de nieuwe eigenaar.

In mei 1780 verkopen de voogden van de minderjarige Dominicus van Namen aan het echtpaar Sijben-Frische diens huis tussen het straatje langs de stadsmuur en het huis van de aankopers, genoemd Den Hemel. Het huis is belast met een kapitaal van 200 pattacons dat het echtpaar zal overnemen. Daartegen betalen zij aan verkopers 10 Franse kronen ten behoeve van hun pupil. Het huis werd in de lijst, opgemaakt begin 1780, wel nog afzonderlijk genoemd op naam van de "erfg. van Namen". Daarna is het pand samengetrokken met het huis van burgemeester Sijben. (Hoofdgerecht 341-f.73.)

In de eerstvolgende lijsten begin 19e eeuw komt het pand niet meer afzonderlijk voor.

Laatst gewijzigd: 20-02-2017

BCD 2. De Zwaan
Kraanpoort 7
 
"Merten Montenack was bevriend met de maasschipper Peter Anthony, als broeders gelijk, zoals de genegenheid tussen David en Jonathan..."
 

Het eerstvolgende pand is het huis De Zwaan. In 1550 wordt Vaes Boem als eigenaar genoemd. Naderhand is dat zijn zoon Korst Boem (lees: Boom). Het huis is belast met een rente van 12 gulden jaarlijks. In november 1580 wordt het huis tegenover de Moederkerk namens zijn enige nagelaten dochter Wendelken Boems verkocht aan Merten van Montenacken en vrouw Mettele Haen. Enerzijds lag het huis van Selis Selissen (zie boven) en straatopwaarts het huis van de kinderen Cocx. (Hoofdgerecht 311-f.333.) Het echtpaar Montenacken bezit dan al een huis achter de Muur (nu: Roerkade), afkomstig uit het eerste huwelijk van Mechteld met Mattheis Severins. Haar eerste man was de natuurlijke zoon van de rector in de parochiekerk, Pauwel Severins, priester. Uit dit huwelijk volgen drie dochters.

Het roerige leven van Merten Montenack...
Marten Montenack was
al schepen te Sint-Odiliënberg in die jaren tot zijn overlijden in 1613/14. Hij had die functie al van voor 1588, het jaar waarin het eerste overdrachts-register werd aangelegd en de schepenen werd gewezen hoe daarin te handelen. Hij was tevens de laatste schepen aldaar, die buiten de gemeente woonde. De goederen die hij daar (merendeels onder Lerop) in bezit had, waren afkomstig van zijn schoonfamilie. Marten en zijn broer Peter waren geboortig van Weert. De eerste was getrouwd met de weduwe Severins en de tweede met haar oudste dochter.

Marten en zijn vrouw kopen eind 1592 nog een huis achter de Muur nabij de Brugpoort, dat het echtpaar Maroyen op het jaargeding had verworven, maar alsnog heeft besloten om het weer van de hand te doen. Vooral ten gunste van Mettele, laten Marten en zijn vrouw bij die gelegenheid vastleggen, dat de langstlevende van hun beiden naderhand vrij over het pand mag beschikken, zonder inbreng van de kinderen. (Hoofdgerecht 312-f.7.)

Het is niet bekend voor hoelang, maar in elk geval voor 1604 was Marten Montenack, burger van de stad Roermond, in Echt gaan wonen: jetzunt hinselvest binnen Echt residerent. In 1612 staat het huis nog op naam van Montenacken, zij het enkel als vruchtgebruiker. Na het overlijden van zijn vrouw is het huis van den Schwaen aan derden verhuurd geweest. Ondertussen is hij dan niet meer bij machte om zijn zaken zelf te regelen. Johan van Asselt neemt dan de zaken van zijn swegervaeder in rechten over.

Zo treedt hij namens Montenack op in het langslepende proces over een openstaande schuld, dat na jaren van stilstand door Peter Anthony, schipper en blauwverver uit Maaseik alsnog wordt opgepakt. Over en weer hadden beiden in het verleden elkaar gedurig bijgestaan in geldzaken, die zij tussentijds ook steeds hadden vergeleken. Maar de broederlijke vriendschap tussen beiden, waarnaar meermaals verwezen wordt als de liefde tussen David en Jonathan, is inmiddels bekoeld. Voorheen eindigde Montenacken zijn brieven aan zijn vriend met "U.L. ende gunster geneigter frundtt Jonathan genantt Martten Montenack". Het was een band tussen beiden, zoals de maasschipper opmerkte, die Merten overtreden had door alleen op eigen gewin uit te zijn. Nog in 1614 worden beiden ten huize van Aret Meisenborgh in aanwezigheid van scheidsmannen uitgenodigd het geschil "als broeders gelijk David en Jonathan" weer bij te leggen. Maar Peter Anthony komt dan toch weer terug op zijn oorspronkelijke eis, waarvan hij niet af wil wijken. (Hoofdgerecht inv.nr. 108-168.)

In juli 1625 treden de lct. Hendrick Maroyen, namens zijn moeder, en Johan van Asselt, namens de gebroeders Montenacken, samen op als verkopers van het huis achter de Muur. (Hoofdgerecht 314-f.113.) Johan was getrouwd met Peetgen, dochter van Marten Montenack (en Mettel Haen). Uit hun huwelijk zijn drie kinderen bekend: Gerardt, Mathias en Mechtel.

  Pas in september 1603 duikt de naam van Den Swaen op.* Vanaf 1595 wordt elk jaar uit het huis een rente van 25 gulden betaald aan Jenneke Haen. In juli 1611 laten weduwnaar Montenack en zijn schoonzoon Johan van Asselt vastleggen, dat na het overlijden van Marten de rente door Johan aan Jenneke zal worden doorbetaald, haar leven lang. We hebben hier te doen met Johanna van Megen, weduwe van Johan Haen. In 1607 werd hierover nog proces gevoerd tussen beide partijen. De rente werd betaald uit een kapitaal van 200 daalders door het echtpaar aan hun schoonbroer Marten Montenack uitgeleend. (Hoofdgerecht 313-f.66 en inv.nr. 109-172.)
Zie ook onder nr. 34:
De Pauw
.

*Dat komt toevallig(?) overeen met het andere huis van Montenack, achter de Muur, dat tot aan de verkoop in 1602 de naam van De Pauw droeg.

Toen Hendrick Smits c.s. in maart 1650 zijn (bouwvallig) huis aan de Kraanpoort met 500 gulden beleenden, om de nieuwe timmer te bekostigen, werd als buurman genoemd Louys van Straeten. Deze Ludovicus was in maart 1631 getrouwd met Mechteld van Asselt, enige dochter, en mogelijk enige erfgenaam van haar ouders Johan van Asselt en Peetgen Montenack. Bij het huwelijk was o.a. hun "neef" de licentiaet Henricus Maroyen als getuige aanwezig. In februari 1652 is dan sprake van de weduwe van Louys van der Straeten in haar huis in de Lage Hegstraat (t.o. Prinsenhof). De herkomst is terug te voeren tot Pauwel Severins, priester. (Hoofdgerecht 316-f.100 en f.159; Hoofdgerecht 314-f.107.)

Vererving van het huis De Swaen...
Het duurt dan tot 1664 wanneer de broers Joris en Merten van Montenacken, alias van Sittard, hun helft van het huis Den Swaen aan de Kraanpoort verkopen aan Elisabeth Cox, weduwe van Matthijs Maroyen, schout van Echt. De vrouw bezit dan al de wederhelft van het huis. Als buren worden nu genoemd Alitgen Segers en t.a.z. de kinderen van Udo Oitmans en Anna Bosman uit Erkelenz. (Hoofdgerecht 313-f.130.)

Hoe de eigendomsverhouding tussen beide families tot stand was gekomen, is uit de overdrachten niet naar tevredenheid aan te tonen. Uiteindelijk krijgen we hierover meer duidelijkheid middels de gegevens uit een proces door de schout aangespannen tegen Marten Montenack. Mettel Haen, geboortig van Erkelenz, was weduwe uit eerste huwelijk van Mattheis Severins, van wie zij drie dochters had. De middelste, met name Anna Severijns, was getrouwd met Henrick Maroyen. Hun zoon Mathias trouwde Liesbeth Cox. (Hoofdgerecht inv.nr. 107-163.)

De gedeelde eigendom van het pand volgt uit de erfdeling onder de kinderen Severins. Daarin waren ook de goederen te Erkelenz, Posterholt en Lerop verbonden. Johan Maroyen had al in 1592 bezit genomen van het huis van buurman Daniel Kocx zaliger, het pand tussen De Swaen en De Helm. Dat jaar heeft Maroyen de schulden op het huis met rente en kosten geheel afgelost. (Hoofdgerecht 311-f.346.)

Laatstgenoemd pand werd echter door Winand Maroyen in februari 1618 doorverkocht aan de ouders van voornoemde Anna Bosman. (Zie hierna: De Helm.)

Het huis De Swaen stond in 1682 nog op naam van de erfgenamen van de weduwe Maroyen. Elisabeth Maroyen, in huwelijk met de schepen en lct. J.B. Cruijsancker, en haar zuster Maria Odilia, getrouwd met de lct. B.A. van Lom, voorheen schout van de stad Roermond, verkopen in augustus 1713 het huis aan de bewoners Johan Jongers, meester van het schoenmakersambt, en Mechteld Bervoets.

De koopsom bedroeg 900 pattacons, waarin ook de reparaties aan het huis zijn begrepen. Hiervan werden 100 pattacons in mindering gebracht. Er was namelijk bedongen dat verkopers er hun leven lang hun vruchten mochten laten schudden, zoals voordien ook het geval was geweest. Verder zou het echtpaar jaarlijks een mis laten opdragen ter intentie van de verkopers. Ook de erfcijns van 18 stuivers* aan de kathedraal kwam voor rekening van de kopers. (Hoofdgerecht 324-f.109.)
* Vergelijk het kasboek van de kathedraal anno 1684 e.v. "de erfgenamen van schout Maroyen wegens het huis De Swaen 18 oud vlaams, worden betaald met 18 stuivers".

De Zwaan vliegt naar Den Hemel...
In april 1736 verkochten Mettien Bervoets, de weduwe Jongers, haar meerderjarige dochters Mechteld en Clara en zoon Joannes hun huis aan de Kraanpoort, tussen het huis van de erven Botquin en het huis van armenmeester Janssen, aan raadsheer Sijben en vrouw, zijn broers en zus en mevrouw Linsingen, allen erfgenamen van Elisabeth Maroyen, de weduwe Cruijsancker. De koop werd gesloten voor 675 pattacons plus 5 jaar achterstallige rente verschuldigd aan genoemde erfgenamen. Verder nog een "erkentenisse" van 50 pattacons aan verkopers te betalen, bovenop de last van 18 stuivers aan de kathedraal. (Hoofdgerecht 329-f.95.)

In een akte gedateerd de 1e juni 1736 is voor het eerst sprake van "de behuijsinge genaemt Den Hemel".

We hebben hier te doen met Marcel Albert Sijben, via zijn moeder Gertrudis Elisabeth was hij een kleinzoon van Mathias Maroyen en Elisabeth Cox. Marcel Sijben was getrouwd met Maria Joanna Dispa. Uit dit huwelijk zijn alleen twee kinderen bekend. Naderhand werd het huis De Hemel vererfd op hun zoon Johan Baptist Sijben. Bij diens doop in mei 1727 was de bestemoeder Gertrudis Elisabeth Sijben-Maroyen getuige. Zij was geboortig van Weert (1677-1727/41) als dochter van burgemeester Marcel Maroyen en Anna Loijen en vermoedelijk identiek aan de Elisabeth Maroijen die eind 1697 te Venlo trouwde met zekere legerkapitein Siben. Uit dit huwelijk werden zeker een dochter en drie (of meer) zoons geboren. Alleen Marcel Albert is daarvan met name bekend. (Zie ook: Hoofdgerecht 330-f.287.)

Marcel Albert Sijben was secretaris der Staten van Oostenrijks Gelderland (1736-1744). Zelf kon hij bij de overdracht van het huis niet aanwezig zijn, omdat hij toen wegens zijn functie in Brussel moest zijn. Hij stierf op nieuwjaarsdag 1755 en werd begraven in de kathedraal in het familiegraf Maroyen bij het altaar van O.L.Vrouw.

Achter "mevrouw Linsingen" gaat dlla Theresia Maroyen schuil, (jongste) dochter van Marcel Maroyen, burgemeester van Weert, en Anna Loijen, die in maart 1709 was getrouwd met Ernest Fredericus baron de Linsingen, uit Hessen, kapitein van een compagnie voetknechten in het leger van de prins van Nassau. Het echtpaar bezat 3/3 deel in een huis met moeshof, plaats en poortweg in de Hoge Hegstraat; mogelijk aangekocht van de overige erfgenamen. Omstreeks 1723 was het huis verhuurd aan de weduwe van schepen Warmers en (vervolgens) aan Gerardt van Laer tegen 31 pattacons jaarlijks. (Hoofdgerecht 323-f.76; en Aanwinsten Maastricht, los briefje.)

In juli 1741 vond een deling van goederen plaats tussen de momber Sijben en zijn tante, mevrouw T. de Linsingen(-Maroyen). Hoewel de laatste bij die gelegenheid het woonhuis van wijlen haar oom de lct., schepen en oud-burgemeester J.B. Cruijsancker verwierf, droeg zij dit huis achter de Luif kort daarop over aan haar neef. Deze had het huis aan de Kraenpoort, ook namens zijn zuster en broers, verworven. (Hoofdgerecht 330-f.287.)

 

Marcel Maroyen (ca. 1645-1707), voorheen burgemeester van Weert, was met vrouw en kinderen naar Venlo verhuisd. Daar verdiende hij de kost als controleur der accijnzen. Van daaruit stuurde hij begin 1707 zijn zoon Matthias, voogd van Cruchten, Wegberg en Brempt naar Roermond, om een lening van 1200 pattacons op te nemen bij de Ursulinen. Eind dat jaar kwam Maroyen te sterven.

Vele jaren en enkele aflossingen later stond nog een schuld van 300 pattacons open. Het waren Theresia en haar zuster Gertruijdt Elisabeth Maroyen geweest, die als erfgenamen hiertoe hadden bijgedragen. Hun broer Mathijs Maroyen was gestorven zonder lijfserven na te laten. De schuld werd derhalve op de twee gezusters verhaald.

In 1757 werd daarover voor het Hof te Venlo proces gevoerd tegen genoemde Theresia en de erfgenamen van haar zus Gertruijdt, die op de restschuld van hun resp. broer en oom werden aangesproken. In de akte wordt Gertuijdt Elisabeth Maroyen genoemd als weduwe van R. Sijben, in zijn leven luitenant kolonel ten dienste van de keurvorst van Beieren.

Het zijn dezelfde partijen die in 1741 overgingen tot de verdeling van de erfgoederen in Roermond. En het is dit juist dit echtpaar, dat A.F. van Beurden slechts zijdelings noemt in de door hem opgestelde stamboom over de familie Sijben: Johan Rochus Sijben en Gertruijdt E. Maroyen. De ouders van Marcel Albert Sijben, raadsheer aan het Hof te Roermond. (RHCL te Maastricht 01.013: archief Hof van Gelder te Venlo, inv.nr. 489-1225.)

 

Jan Baptist Sijben was in eerste huwelijk getrouwd met Maria Sophia van Daell, dochter van Hendrick van Daell en Anna Maria Janssens. Hij was schepen van het Hoofdgerecht van Roermond, burgemeester van 1767 tot 1790, syndicus van de Staten van Oostenrijks Gelderland (1746-1805).

In mei 1780 verkopen de voogden van de minderjarige Dominicus van Namen aan het echtpaar Sijben-Frische diens huis tussen het straatje langs de stadsmuur en het huis van de aankopers, genoemd Den Hemel. Het huis is belast met een kapitaal van 200 pattacons dat het echtpaar zal overnemen. Daartegen betalen zij aan verkopers 10 Franse kronen ten behoeve van hun pupil. Het huis werd nog in de lijst van begin 1780 afzonderlijk genoemd. Daarna is het erf samengetrokken met het huis van burgemeester Sijben. (Hoofdgerecht 341-f.73.) Afbeelding: zegel van JOANNES BAPTISTA SYBEN (RHCL te Maaglestricht 16, 1190: archief familie Sijben, inv.nr. 48.) Foto: Jos Cox, Maasniel.

Niet alleen uit genoemde bevolkingslijst van 1780, maar ook uit een oudere akte blijkt dat het gezin Sijben het huis aan de Kraanpoort toen niet zelf bewoonde. Sindicus J.B. Sijben had ook nog een huis achter de Luif, in voorbije tijden het woonhuis van zijn "oudoom" J.B. Cruijsancker. Dat was toen het tweede huis vanaf de hoek met het Visserstraatje. Nog verder terug in de tijd (1594) stond het huis, met een poortweg uitkomend in het Visserstraatje, op naam van Henrich Marojen. (Hoofdgerecht 312-f.29.)

Daar heeft Sijben dus gewoond met zijn tweede vrouw en de minderjarige kinderen uit beide huwelijken. In november 1773 stonden zijn zoon de kanunnik Sijben en zijn oudste dochter, in huwelijk met J. Bloemarts, borg voor hun vader, wegens een kapitale som van 1000 pattacons, omgerekend 2800 gulden. Tot zekerheid stelden zij o.a. hun kindsdeel in het woonhuis van burgemeester Sijben en in het huis De Hemel. Acht jaar later werden de huizen hiervan ontlast. (Hoofdgerecht 341-f.268.)

De verschillende lijsten die na 1800 zijn opgemaakt, waaronder de belastinglijsten op deuren en ramen, en uiteindelijk de gegevens van het kadaster tussen 1821 en 1843 geven nog eens aan, dat het huis Den Hemel niet op de hoek van de Kraanpoort en de Sint Nicolaasstraat heeft gelegen, zoals moet blijken uit enkele publicaties. Het huis van de momboir Sijben en vervolgens van zijn zoon Johan Baptist Sijben, secretaris van het Overkwartier van Gelder, was enkele huizen verderop gelegen. Waarschijnlijk identiek aan Kraanpoort 7. Volgens de lijst uit 1802 blijkt het gezin Sijben ondertussen hierheen verhuisd te zijn.


Handtekening van Marcel Sijben...

Over de stamboom Sijben-Maroyen...
In 1893 heeft A.F. van Beurden een boekje uitgegeven met daarin de oudste generaties van de familie Sijben, die sinds 1725 te Roermond voorkomt. Hij is daarbij uitgegaan van een handgeschreven stamboom uit het begin van de 19e eeuw, door de familie zelf samengesteld. De opzet wordt al gauw duidelijk, men wilde aantonen, dat de herkomst van de familie in Beieren lag, en aldaar tot hooge rangen in het leger opklommen. Van Beurden heeft dat grotendeels overgenomen.

Maar zowat alles wat van hieruit is na te gaan, blijkt niet te kloppen. Zekere kolonel Carolus Syben zou getrouwd zijn met Maria Gertrudis de Maroije (1658-1726), jongedochter van Marcelis de Maroije, raadsburgemeester en schepen van Roermond, en Anna Loyens. Laatstgenoemd echtpaar trouwde overigens in 1671 te Weert en is daar voorlopig ook blijven wonen. Ook is Marcelis geen afstammeling van het echtpaar Maroyen-Bartelmans, waarvan zich nu nog de grafsteen bevindt in de kathedraal.

De samenstellers hadden blijkbaar geen grip op de afwijkende gegevens uit eigen stad en streek. Rijst de vraag, hoe moet men als lezer dan de gegevens uit het verre Beieren waarderen?

Dat de familie zich naderhand "von Syben" is gaan noemen, is pure mode van die latere tijd geweest. In de 17e en 18e eeuw komen de betreffende personen alleen onder het patroniem Sijben voor, zonder "de" of "van". Overigens liet de sindicus en burgemeester Jan Baptist Sijben bij de invoering van de Burgerlijke Stand wel vastleggen, dat zijn doopinschrijving als Zijben in het kerkregister een "erreur" was en als Sijben gelezen moest worden. Maar dus niet als "von Syben"!

De naam werd vervolgens in 1897 bij uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Roermond met terugwerkende kracht(!) veranderd in Von Syben. Noch Marcel Albert Sijben, noch zijn zoon Jan Baptist of hun kinderen komen als zodanig in de tijdseigen stukken voor. Ja, men ging (los van genoemde beslissing) nog een stap verder door zich Von Syben de Maroije te noemen. Het is geen historische naam en komt nergens in de oude archieven voor, maar een verzinsel van rond 1900.

Laatst gewijzigd: 05-06-2015

CDE 3. De Helm
Kraanpoort 3
 
In de Swarten Adelaer kon het wel gebeuren, dat er door de huurvaarders duchtig met bonenstaken op los geslagen werd en zelfs de waardin kreeg daarbij rake klappen...
 

Het vierde huis op rij vanaf de Kraanpoort stond bekend als De Helm. Het heeft voor enige verwarring gezorgd wegens de naam van de eigenaars, de familie Graess alias In De Kat. Deze herberg (en brouwerij) lag niet hier, maar in de Swalmerstraat tegenover de Sint-Jansstraat.

Het huis De Helm zal dus wel verhuurd zijn geweest. In 1583 bijvoorbeeld is sprake van hr. Gyrardt In ghen Helm (priester), die beslag laat leggen wegens achterstallige renten aan het H. Kruis-altaar in de Hoogkerk, waarvan hij de bedienaar is. (Hoofdgerecht 311-f.360.)

Oorspronkelijk heeft het huis deel uitgemaakt van ofwel het hoekpand, waar ook de stadswaag heeft gestaan, dan wel van het pand aan de andere kant. De laatste optie lijkt op het ogenblik het meest waarschijnlijke.

Herkomst van huis en herberg De Helm...
De oudst bekende eigenaar was Leonard Kaex (1489). Na zijn overlijden zou het pand aan de Opperpoort onder de erfgenamen in twee partijen zijn gedeeld. (Hoofdgerecht 310-f.45.) De ene helft van de huisplaats staat dan op naam van (zijn nakomelingen?) Dirrick en diens zoon Daniel Kochs. De andere helft, het pand De Helm, is dan overgegaan op de familie Graess. Een andere optie is, dat na het overlijden van Leonard en zijn vrouw, de goederen zijn opgedeeld en overgegaan naar beider naaste verwanten.

Een overeenkomst met de buren uit 1560 wijst in die richting. Johan Graes, genaamd Kath, en zijn vrouw Bele dragen over aan buurman Daniel Kocx de halve put op het erf achter het huis, waarvan Daniel de wederhelft bezit. Eerder al hadden zij ermee ingestemd, dat Daniel bij de opbouw van zijn huis in de muur van Graess zou mogen balken. Tevens zou het water van beide erven via de goot op Daniels erf als vanouds afgevoerd worden. (Hoofdgerecht 311-f.133 en f.139.)

In mei 1580 maken Lenhard Grass en vrouw Else van Weesen alvast hun wilsbeschikking. Zij laten vastleggen, dat de langstlevende vrij is om het huis aan de Kraanpoort te verkopen. Van het geld kunnen vervolgens de kinderen van verdere schulden gevrijwaard worden en kan zijn broer Gerhardt Grass met 200 daalders worden uitgekocht van zijn erfdeel. De overige bezittingen, zoals de Catten-bongerd en de bouwhof in de Weerd, blijven hier voorlopig onbesproken. In het vervolg-artikel komt de familie Graes alias In de Kat nog uitgebreid ter sprake. Trouwens, de gemaakte wilsbeschikking wordt een jaar later weer ingetrokken. (Hoofdgerecht 311-f.326.)

In april 1587 gaan Lenhardt en zijn vrouw een regeling aan met zijn broer Gerhardt en vrouw Mette Kremers. Gerhardt doet afstand van zijn aandeel in De Helm in ruil voor land in de Weerd. (Hoofdgerecht 312-f.399.)

De familie Graes in De Kat...
Anderhalf jaar later, in november 1588 machtigen Lenhardt en Else, ziek te bed, haar oom Steeven van Hertefelt en de neven Willem van Herteveltt en Wilhem Kremers om de halve eigendom in hun huis aan de Kraanpoort te verkopen. Het geld zal gebruikt worden tot betaling der openstaande schulden, zoals de 300 gulden op de tienden te Buggenum, 63 daalders aan broer Gerhardt en verder geleend geld. Het overige geld zal namens de kinderen belegd worden. (Hoofdgerecht 311-f.418.)

Uiteindelijk regelt Lenardt Graes bedoelde verkoop zelf, na het overlijden van zijn vrouw. In juni 1590 verkoopt hij zijn helft in het huis, genoemd Die Helm, aan zijn broer Johan Graes, aan wie de wederhelft toekomt. Het is tevens de laatste keer, dat dit huis in de overdrachten onder die naam vermeld staat. (Hoofdgerecht 311-f.434.)

In november 1597 vindt een herhaling van zetten plaats. Johan Graess en zijn vrouw Else, zwak van lijf en bedlegerig, maken hun wilsbeschikking. Hun halve huis is dan nog beleend bij (de erfgenamen van) zijn overleden broer Gerhardt. Tevens hebben ze die zware tijden met moeilijkheden moeten kampen. De langstlevende zou het huis, dan wel hun goederen in de Weerd of te Waldvucht mogen belenen met 600 gulden, om daarmee de schulden namens de kinderen te betalen. (Hoofdgerecht 312-f.62.)

*Meer over de Spick
in die tijd elders op
deze website
Tien jaar later, in oktober 1607 verkopen de broers Willem en Gerardt Graes hun huis aan de Opperpoort voor 1700 gulden aan luitenant Nicolaes Pauwels en Margriet van Meysenborgh, eigenaars van De Spick* achter Maasniel. (Hoofdgerecht 315-f.179.) Een kleine dertig jaar later, augustus 1636 vindt de erfdeling onder de (klein)kinderen plaats. Naast de uitgebreide goederen op de Spick zijn er nog een boerderij op de Schroef te Merum, door hun moeder als weduwe aangekocht, en andere landerijen te Merum en Ool. Het woonhuis aan de Kraanpoort (naast d'Alde Waege) blijft dan voorlopig nog in gemeenschappelijk bezit. (RHCL te Maastricht: archief familie Magnee, inv.nr. 169. Zie ook: Jan Ruiten Onder den klockenslagh van Neel..., blz. 268 e.v.)
 

De Helm wordt De Kat...
In februari 1637 verkopen Frans van der Heijden, namens zijn vrouw, en Herman Vhueren, krachtens het gerichtsbesluit tegen Bartholomeus van Dijck, 2/3 deel van het huis Den Catte(!) aan de Kraanpoort. Kopers zijn Hendrick Meijers, de spiesenmaker, en vrouw Jehenne Visschers, die het huis hadden verworven als laatste hogers bij de openbare verkoop met de kaars. (Hoofdgerecht 315-f.115.)

Maar ook wanneer een huis bij openbare verkoop verkocht was, gold het beschudrecht van naaste verwanten of buren. Dit laatste is nu ook weer het geval. Walraven Daniels als buurman tekent begin april beschud aan. Hij telt goud en zilver neer en verzekert de kopers geheel schadeloos te houden. Het echtpaar Meijers gaat akkoord en koopt nog diezelfde maand een huis in de Brugstraat.

In mei verkopen de voogden van Alitgen, het weeskind van wijlen Pauwel Pauwelsen en Marie Spee, het overige derde deel van De Cat naast de schippers-gaffel aan burgemeester Daniels en vrouw. Ook kennen we hem als laatschepen van de Voogdij (1626). (Hoofdgerecht 315-f.127, f.128 en f.132.)

Het belendende huis, straatafwaarts, was in februari 1618 door Hendrick Bosman en Elsken van Gangelt voor 1300 gulden aangekocht van Winand Maroijen. (Hoofdgerecht 313-f.261.) Walraven Daniels was in tweede huwelijk in 1620 getrouwd met Maetgen Gielen, weduwe. Zij bracht drie kinderen mee in het huwelijk. De vrouw stierf zeven jaar later, eind 1627. Kort daarop (in elk geval voor augustus 1629) trouwde Walraven een derde keer, nu met Else van Gangelt, sinds 1625 weduwe van Hendrick Bosman. (Hoofdgerecht 314-meerdere akten; Hoofdgerecht inv.nr. 132-771.)

Het echtpaar Daniels bezat ook een huis in de Sint Jansstraat en het huis De Boon op de Markt.

De nieuwe eigenaars wonen in Erkelenz...
Lang heeft Daniels niet van het huis gebruik kunnen maken. In augustus blijkt hij overleden te zijn. Als (mede)erfgenamen komen we naderhand het echtpaar Barendt Jansz. Boss en zijn vrouw Jenneke Derixdr. van der Heijden, inwoners van Amsterdam tegen. In oktober 1640 verkocht het echtpaar alle goederen die zij hadden uit erfenis van wijlen Walraven Daniels aan Wijnandt van Hinsberg en vrouw Sara Cocx. Welke goederen dat waren, staat niet vermeld in de overdracht. Wel kan daartoe het huis op de Markt gerekend worden. In de verhandeling over het huis De Boon staat meer over de onderlinge verwantschap tussen beide partijen. (Hoofdgerecht 315-f.179.)

Naderhand (1652) blijkt, dat de twee huizen aan de Kraanpoort zijn overgegaan op Udo Oidtman, schepen te Erkelenz. Hij was in maart 1639 getrouwd met Anna Bosman, dochter uit eerste huwelijk van Else van Gangelt met Hendrick Bosman. (Hoofdgerecht 316-f.172.)

In januari 1655 verkoopt het echtpaar Oidtman het huis (voorheen De Helm genoemd), maar zonder de schuur aan Peter Friot en zijn vrouw Anna Hompes. (Hoofdgerecht 316-f.226.)

Het huis Den Swarten Adelaer aan de Kraenpoort...
Als bloedverwant van de verkopers maakt burgemeester Peter van Wessem gebruik van het beschudrecht en trekt de koop naar zich toe. Hij telt 3 gulden en 5 stuivers neer voor de overdracht, 16½ gulden armengeld, 15 stuivers voor de kerkenroepen, 33 gulden voor lycop en 2 schellingen godsgeld. Tevens belooft hij het overige geld volgens de gegevens in de koopakte te betalen. Friot gaat akkoord, mits Wessems hem kan vezekeren, dat hij de koop enkel voor zich en niet namens iemand anders heeft gedaan. In dat geval zou hij immers oneigenlijk van het naastingsrecht gebruik hebben gemaakt.
(Hoofdgerecht 316-f.231.)

 

Het huis ernaast komt na overlijden van de echtelieden Oidtman op naam van hun nog minderjarige zoon Henrick. Dit huis wordt verhuurd aan (de weduwe van) Frans Meijs. Uiteindelijk verkoopt Hendrick Oidtman, inwoner van Erkelenz, in februari 1679 zijn huis aan de Kraanpoort, tussen raadsverwant Frans van Wessem en de erfg. van schout Maroijen, voor 1300 rijksdaalders aan Frans van Lin, secretaris van de vrijheerlijkheid Daelenbroeck, en vrouw Eva Cox. (Hoofdgerecht 318-f.170.)

In 1670 was het de weduwe Meijs, die aan de minderjarige Hendrick Oidtman een achterstallige huur van liefst 59 rijksdaalders was schuldig gebleven. Raadsheer Poeyn als voogd van de minderjarige jongeman liet beslag op haar meubels leggen, omdat men vreesde, dat zij met haar have en goed naar Nederweert zou verhuizen, om aldaar bij haar zoon, de kapelaan, in te trekken. Willem Hogenberg was wegens de pacht van een stuk land in de Weerd nog 36 gulden schuldig gebleven, en van het lopende jaar 1671 was nog de pacht van 37 gulden te vorderen. In 1680 schreef Oidtman vanuit Erkelenz een brief aan de raadsheer Bree, om namens hem te bemiddelen wegens de 74 rijksdaalders, als laatste aflossing, die hij nog tegoed had van de weduwe van wijlen dhr. secretaris Lin, als laatste aflossing van de koopsom van haar huis. (Hoofdgerecht inv.nrs 151-1232, 152-1257 en 169-1572.)

Peter van Wessem was in januari 1632 getrouwd met Marie van Assell alias Schotten. Haar ouderlijk huis stond aan de Varkensmarkt. Uit dit huwelijk werden een dochter en zoon geboren. In april 1636 trouwde burgemeester Wessems in tweede huwelijk met Catharina Theelen alias Poortiens of Portiers. Uit dit tweede huwelijk werden negen kinderen geboren. Zowel de voor- als nakinderen zullen naderhand in het huis aan de Kraanpoort erven.

Peter van Wessem en zijn tweede vrouw Catharina kopen in december 1650 een half huis aan de Steenweg. De raadsverwant en oud-burgemeester Peter van Wissem was tevens kerkmeester van de Kapel int Zand en van de parochiekerk St. Christoffel.

In die jaren krijgt het huis aan de kraanpoort een nieuw uithangbord. Dat blijkt uit een akte anno 1663, waarin het huis van de raadsverwant Peter van Wessem, "waar tegenwoordig Den Swarten Adelaer uithangt", zijdelings genoemd wordt. Dat blijkt ook uit latere gegevens betreffende het huis. Het huis was verhuurd aan Steven Hamers en vrouw Anna. Haar moeder woonde bij hen in. (Hoofdgerecht 317-f.119.)

In den Swarten Adeler was een herberg en logement. In april 1665 was er ruzie ontstaan tussen een der stamgasten en twee Franse corporaals die er hun kwartier hadden. Het liep die avond danig uit de hand toen enkele plaatselijke huurvaarders vanuit de straat op het luidruchtige krakeel en geschreeuw afkwamen. Gewapend met bonenstaken sloegen zij er vervolgens lustig op los. Aldus de verklaring van o.a. de waardin Anna Hompes. Zij heeft in het tumult zelf ook flinke klappen opgelopen, dat zij zich naderhand onder doktersbehandeling heeft moeten stellen. (GAR Hoofdgerecht inv.nr. 114-1122.)

Het duurt tot 1680, wanneer Hendrick Oitman voornoemde schuur met recht van uitgang op de poortweg, uitkomend in het Visserstraatje, voor 150 pattacons verkoopt aan Lenardt Baenen en Elisabeth van Wessem, jongste dochter van Peter van Wessem en Catharina Thielen. (Hoofdgerecht 318-f.180.)

In die jaren wordt De Swarten Adelaer gebruikt als speelbal onder de erfgenamen Wessems. Het huis aan de Kraanpoort wordt van de een op de ander toegeworpen en vervolgens weer teruggekaatst.

In oktober 1684 verkopen Godefridus Cnop en zijn vrouw Isabelle (de dochter uit eerste huwelijk van Peter van Wessem en Maria Schott) Den Swarten Adelaer aan hun halfbroer Frans van Wessem. Diezelfde dag verkoopt zijn zus Agnes het huis op haar beurt aan het echtpaar Cnop. In november 1685 beleent Frans van Wessem, inmiddels schout van Echt, zijn huis Den Swarten Adeler aan de Kraanpoort met een kapitaal van 400 rijksdaalders bij Anna Cnop, weduwe van de beziener Guille Botquin. (Hoofdgerecht 319-f.122-123, f.198-199.)

Het jaar daarop, in mei 1686 draagt de schout van Echt in erfwisseling (akte van permutatie) zijn huis aan de Kraanpoort over op zijn zwager Leonard Baenen en Elisabeth van Wessem. Baenen zorgt ervoor dat voornoemde lening in november 1687 aan de weduwe wordt afgelost. (Hoofdgerecht 319-f.223.)

Het huis zal vervolgens via hun zoon Jan Joseph (x Maria A.C. Bosman) vererfd worden op kleinzoon Johan B.J. Baenen (x Helena Engelmans). Hun erfgenamen verkopen in december 1803 het huis naast het hoekpand van Guillaume van de Weegh aan buurman Willem Mertz en Ida Beckers.

Laatst gewijzigd: 31-10-2016
DEF 4. De Waag
Kraanpoort 1
 
De Alde Waegh had sinds mensenheugenis onderdak geboden aan het schippersambacht; tot in 1763, toen de eigenaar plannen had om zijn woonhuis te gaan verbouwen. In april 1652 werd de naam van De Waege voor het laatst genoemd in verband met het huis op de hoek van het Visserstraatje.

schippers- en huurvaarders-gaffel
van de Sint-Nicolaes-broederschap

Het huis op de hoek van de "Christoffelstraat" (zoals de straat vanaf de Opperpoort in een ver verleden ook wel werd genoemd) en het Visserstraatje heeft van genoemde panden wel de meest belangrijke openbare functie gekend. Het is gedurende eeuwen het trefpunt van de schippers en huurvaarders geweest. Ook was daar over geruime tijd de Stadswaag gevestigd.

In augustus 1489 belenen Herbert van Franckenvoirt en zijn vrouw Ida opt Zandt, hun huis nabij de parochiekerk op de hoek van de Visserstraat met een rente van 7 rijnsgulden bij Jacob Botteliers van Weert. (Hoofdgerecht 310-f.45.)

Het huis waar de Nicolaes-broederschap zijn gaffel hield...
Dan blijft het ruim een halve eeuw stil. In juni 1557 draagt Johan Broeckmans het voornoemde huis over aan Jenke Gaetgens en vrouw Catharina, in ruil voor andere goederen. Buurman Jan Graess mag de gang achter het huis gebruiken, omdat hij zelf geen achterom heeft. Wel dient hij de gang te overwelven en te onderhouden. (Hoofdgerecht 311-f.103.)

In de daarop volgende jaren is er geregeld sprake van het huis "dair die schipper ire gaffel" boven hebben. De broederschap van St. Nicolaes kwam hier op de bovenverdieping geregeld in vergadering bijeen.

In februari 1559 lieten de broedermeesters Wylm van Barlo en Johan Rijcken weten, dat Jan Poell het huis met de gaffel, op de hoek van de Visserstraat, had verkocht aan Jan Gaderts van Karken. In 1566 blijkt Catharina, de weduwe van Jenke, te zijn hertrouwd met Gelis van Kan. Het echtpaar verkoopt het weduwenrecht van het halve huis aan Korst van der Stegen en vrouw Anna. Twee jaar later verwerft Korst van Jan Poell, alias Johan Broeckmans de jonge, het bezit ervan. (Hoofdgerecht 311-f.121.)

In maart 1580 verkoopt Arnt Gaetkens de wederhelft van het huis, verworven van de mede-erfgenamen Arett en Jan opt Stayr, Henrick Lynen op gen Horst en Johan Ruijss. In november 1588 blijkt Korst te zijn overleden. In de afgelopen periode werd in de akten voortdurend melding gemaakt van de schippersgaffel op de bovenverdieping. (Hoofdgerecht 311-f.323 en f.418.)

Vervolgens duikt de naam van Jacob Rijcken een paar keer op in verband met het huis. In juni 1593 wordt hij samen met Johan Tissen, Goetze Rijcken en Vaess Aretz genoemd als meester van de st. Nicolaes-broederschap, ofwel het vissersgilde. Het is duidelijk dat hier de oorsprong ligt om de steeg naderhand Sint Nicolaasstraat te noemen. (Hoofdgerecht 311-f.51.)

Datzelfde jaar nemen Jacob Rijcken en zijn vrouw Agatha de rentebrief van 200 gulden over, waarmee het huis In gen Waeghe sinds januari 1568 was belast. Jacob is dan slechts voor een deel eigenaar van het huis op de hoek. Zijn relatie met de vorige eigenaars wordt ons duidelijk gemaakt middels een akte uit september 1597. Gerhart van der Stegen draagt zijn kindsdeel, te weten het derde deel van het huis waar de schippers boven hun gaffel hebben, over aan zijn zwager Jacob Rijcken. Jacob blijkt ondertussen hertrouwd te zijn met Grietgen Stockbroicx. (Hoofdgerecht 312-f.2.)

Gerhardt zelf is dan woonachtig in Colchester, Engeland. Hij is weduwnaar uit eerste huwelijk van Jenneke Scherps. Hun kinderen wonen dan nog in Dordrecht, onder de hoede van Gerards tweede vrouw. De derde partij in het huis was Thomas van der Stegen. Zijn dochter Emerentiana, uit huwelijk met Elisabeth Piggen, verkoopt in juni 1603 haar derde deel in het huis aan haar oom Jacob Rijcken. Deze heeft in het verleden zijn schoonouders verpleegd en meerdere uitgaven gedaan wegens lasten en reparaties aan het sterfhuis. Uiteindelijk krijgt Emerentiana eenmalig 200 gulden uitgekeerd voor haar aandeel in het huis. (Hoofdgerecht 312-f.63 en f.145, 146.)

De zolder van het huis was dringend aan vervanging toe. Het schippersgilde kwam in mei 1597 met Jacob Rijcken overeen om de vloer nieuw te laten betimmeren, hoewel de laatste er nog geruime tijd overheen liet gaan. Op die manier kon het gilde geen gebruik maken van de zolder en heeft toen met medeweten van Jacob de timmering zelf laten repareren, om ongelukken te voorkomen. Het gilde verzocht het gerecht derhalve, om Jacob Rijcken te gelasten de gemaakte kosten alsnog te betalen en de zolder in de toekomst naar behoren te onderhouden. (Hoofdgerecht inv.nr. 106, procesnr.75.)

Inderdaad werd het huis begin 17e eeuw nog gebruikt als meelwaag. Dat blijkt uit getuigenis van de vrouw van Rijcken, Grieten in de meelwaghe, die in juli 1611 voor zekere koopman een ton alluyn had afgewogen: "und dat sij deselver gewaecht heeft". (Hoofdgerecht inv.nr. 381-akte 29.)

Daarna wordt het huis De Waag van (de erfgenamen) Rijcks alleen nog maar zijdelings genoemd, in 1637 nog steeds de plaats waar de schippers hun gaffel hielden. De erfgenamen Rijcks, dat zijn niet de kinderen van Jacob en zijn vrouw Grietgen. Het echtpaar is zonder lijfserven gestorven en hun goederen gaan over op de wederzijdse families.

Dat blijken volgens een belening uit mei 1645 Jacob Leuten en Jan Lappen te zijn. Zij belenen het huis Die Waege met een kapitaal van 357 gulden bij het schippers-ambacht. Het duo betaalt daartoe een jaarlijkse rente van 18 gulden en 15 stuivers, bovenop de kosten die het gilde heeft gemaakt wegens onderhouds-werkzaamheden. Jan Lappens uit Linnich, in huwelijk met Sibilla Stockbroeck verkopen in april 1652 hun vierde deel in het huis De Waege aan de Kraanpoort aan Jacob Luijten te Maaseik. (Hoofdgerecht 315-f.115 en f.127.)

Nieuwe eigenaars van de oude stadswaag...
Drie maanden later, in juli 1652, verkoopt Luijten zijn aandeel in het huis door aan de bewoners van het pand, Peter van der Coelen en Neulken Borckelmans. In oktober verkopen de erfgenamen Rijcken te Dordrecht en Arnhem hun helft in het huis aan genoemd echtpaar. Hier wordt de halve last van 187 gulden en 10 stuivers genoemd, te betalen aan het huurvaarders-ambacht. Schippers en huurvaarders vielen dus onder hetzelfde gilde. In augustus 1653 verwerft het echtpaar Van der Coulen ook het laatste vierde deel in het huis. (Hoofdgerecht 316-f.167 en f.188.)

*Eigenaars van o.a. de Nieuwenhof te Merum





Christoffel Puytlinck

In december 1663 neemt Peter van der Coulen (zijn vrouw wordt niet vermeld) een lening op van 300 gulden bij Cornelis Brandijn en Anna Paulussen*, met als onderpand zijn huis op de hoek van het Visserstraatje. (Hoofdgerecht 317-f.119.)

Hun dochter Catharina van der Coulen trouwt in februari 1670 met Herman Janssen, naderhand accijns- en burgemeester. Uit dit huwelijk zijn zes kinderen bekend, allemaal jongens. Naderhand staat het huis op de hoek van het Visserstraatje op hun naam. (Haar zuster Helena trouwde enkele jaren later in mei 1672 met de vermaarde Roermondse schilder Christoffel Puytlinck.)






Pierre Mariaz
De erfgoederen veilig stellen...
Het huis met de huurvaardersgaffel gaat uiteindelijk over op hun zoon Peter Ignatius Janssens (1677-1736), raadsverwant en accijnsmeester. Hij was op vrij jonge leeftijd in september 1699 getrouwd met Honorine F. van Ham. Na het overlijden van hun moeder begin september 1725 moet er onenigheid zijn ontstaan tussen de weduwnaar en zijn kinderen. Dat had alles te maken met het tweede huwelijk van de raadsverwant Janssens in juli 1733 met de jeugdige M.B. Mariaz.
  De vrouw had nog een rechtszaak lopen voor het Hof van Brabant te Brussel. Daartoe werd dhr. Henrico de Valzolio postulant opgedragen, om met assistentie van de advocaten Vlodrop en De laDos, het proces tegen de koopman Laurent Claret voort te zetten en alles in het werk te stellen wat nodig was. (Hoofdgerecht 328-f.304.)
 

Zijn kinderen zagen de bui al hangen en om hun erfgoederen veilig te stllen, trad hun oom Spoelbergh in juli 1734 op als bemiddelaar. Besloten werd, dat Janssens onmiddelijk afstand zou doen van alle goederen, effecten en renten waarover hij na het overlijden van zijn vrouw als langstlevende beschikte. Daarbij zou hij alle charters, en documenten betreffende deze goederen aan de kinderen overleveren.

De weduwnaar behield alleen het vruchtgebruik van het goed te Posterholt (nabij de Schuyrkenshof), dat hij naar behoren diende te onderhouden. De overige goederen vervielen terstond aan de kinderen, die hun vader daaruit een jaarlijkse rente van 12 pattacons zouden betalen.

Wegens de gemaakte schulden mocht hun vader een rentebrief en een obligatie van elk 200 pattacons verkopen en het huis aan de Kraanpoort belasten met nog eens 100 pattacons. Het geld mocht alleen gebruikt worden om die schulden af te lossen en wel binnen twee weken ten kantore van notaris W. Scheijven.

In de lijst van goederen en effecten worden o.a. genoemd het goed te Posterholt, het ouderlijk huis aan de Kraanpoort, enkele rente- en zegelbrieven, het vierde deel in een huis eveneens aan de Kraanpoort, bewoond door Matthis Vlodrop, de helft in een boerderij aan het Gebroek (= Heijthuijsenshof te Maasniel) en tenslotte het (niet nader beschreven) goed te Brussel, dat bij testament van hun moeder op de kinderen was overgegaan. (Hoofdgerecht 329-f.32 e.v.)

 

Verkoop van het ouderlijk huis...
In april 1739 verkopen de twee dochters van wijlen de raadsverwant Janssens voor 760 pattacons hun huis op de hoek van het Visserstraatje met het klein huisje en de stal daarachter in hetzelfde straatje aan meester Willem van der Weegh. Verder waren nog ruim 6 morgen land in het Roermondse veld bij de overdracht inbegrepen. Het huis was belast met de huurvaardersgaffel. Verder liep de huur nog voor een half jaar.

Marie Mechteld Janssens (*1712) en Marie Joseph Janssens (*1719) hadden vanuit Brussel hun resp. echtgenoten, de heren LeGrain en Mahieu met volmacht gestuurd om de verkoop te regelen. (Hoofdgerecht 330-f.7 e.v.) De dames Janssens hadden ook de halve hof aan het Gebroek verworven. Zij verkochten hun deel in Heijthuijsenshof aan pastoor Bloemaerts te Maasbree en diens zuster. (Jan Ruiten Onder den Klockenslagh van Neel, blz. 467.)

Leerlooier en schoenmaker Willem van de Weegh was een vermogend man. In april 1741 verstrekte hij aan de meesters van het Hospitaal Generaal een lening van 2000 pattacons, tot voortzetting van de lakenfabriek van het Hospitaal. Later dat jaar gaf hij nog aan het echtpaar J. van den Broeck-Verlaer uit Venlo een lening van 200 pattacons. (Hoofdgerecht 325-f.240 en f.342.)

Willem van de Weegh was in mei 1720 te Roermond getrouwd met Anna Catharina Creefs. Enkele jaren later, in juni 1723 kochten beiden het zogenoemde groot huis op de Swalmerstraat voor 370 pattacons van het echtpaar Janssen-Cuijpers. Tevens kocht Willem daarbij de looikomp op de Looz die toen nog door Arnold Schoncken in gebruik was. Huis en looikomp zouden over een half jaar voor de kopers vrij komen. In de koopsom waren tevens 25 pattacons begrepen wegens geleverd leer.

Er was afgesproken dat de kopers van de koopsom meteen 325 pattacons zouden betalen aan Margaretha van Borre, om daarmee een dreigende executie te voorkomen. Daarom heeft meester Willem het geld nog diezelfde week als lening opgenomen bij genoemde juffrouw. Verkopers zullen vervolgens hun intrek nemen in het klein huis ernaast. (Hoofdgerecht 326-f.99.)

 

Adam van de Weegh...
In maart 1742 stierf Willem van den Wegh in zijn huis op de hoek van het Visserstraatje (zoals het Sint Nicolaas- straatje toen nog heette). In september 1757 stierf zijn vrouw Anna Catharina Creefs. Het huis ging over op hun oudste zoon Adam van de Weegh (1723-1784), geruime tijd kolonel van de burgerwacht. Diens broer Goyert was naar Boxtel verhuisd. Het is mogelijk dat hun vader ook daar vandaan kwam. Hun familienaam was daar meer gangbaar.

Joannes Lemmens, Henricus Frencken, Joannes Jambroers, Nicolaes Frencken, Severijn Schoncken, Gerardus Straffen en Mathias Frencken, meesters en gezellen van het huurvaardersambt verkopen in oktober 1763 aan Adam van de Weegh de ambtsgaffel, bestaande in twee kamers in zijn huis voor de lieve som van 400 pattacons. Omdat zij de koopsom liever als kapitaal dan in klinkende munt ontvangen, geeft de aankoper in ruil een rentebrief van 500 pattacons ten laste van het Overkwartier. Het huis van Adam stond op de hoek van het St. Nicolaasstraatje naast het huis van de erfgenamen Baenen.

De rentebrief was door de schepen J.B. Sijben als syndicus van de Ridderschap en Steden van Oostenrijks Gelder twee jaar eerder aan Adam van den Weegh uitgegeven tegen een rente van 4 procent. (Hoofdgerecht 338-f.7 e.v.)

Mogelijk was de overdracht op aandringen van Adam van de Weegh zelf gekomen. De huurvaarders hielden er in elk geval een goed kapitaal aan over. Terstond begon Adam met de herbouw van het koopmanshuis op de hoek van het Sint Nicolaasstraatje. Daarvan getuigt de steen met het jaartal 1764 boven in de gevel. De beeldbepalende front is voorzien van raamlijsten met ornamenten in Lodewijk XV-stijl.

Het schrijven van huurvaarders dd. 5 oktober 1763 was tevens de eerste keer dat het aloude Visserstraatje in de gichtboeken "St. Nicolaes straete" werd genoemd. Die naamswijziging moet omstreeks 1740/50 hebben plaats gevonden. Mogelijk met de opkomst van herberg St. Nicolaes, onderaan het straatje.

Eind januari 1784 stierf kerkmeester en mede-directeur van het hospitaal Adamus van de Weegh zonder lijfserven na te laten. Onder zijn erfgenamen worden dan ook genoemd de weduwe en kinderen van wijlen Derick Neelen op Steijnenhof te Leeuwen. In 1773 was Adam van der Wijgen doopgetuige in het gezin Neelen. (Zie: Jan Ruiten Onder den klockenslagh van Neel, blz. 151.)

Het huis aan de Kraanpoort werd vererfd op zijn neef (oomzegger) Willem van de Weegh (1756-1829), geboortig van Boxtel, zoon van Goyert van de Weegh (1729-1781) en Barbara van Tuyl. Willem trouwde eind september 1784 te Roermond met de toen nog minderjarige Maria Catharina Griffin. Adam van de Weegh liet ook nog een huis Achter de Muur na en twee huizen naast elkaar te BuitenOp.

* Uit het bovenstaande blijkt duidelijk, dat het huidige pand Kraanpoort 1 niet het woonhuis van burgemeester J.B. Sijben is geweest, zoals in eerdere publicaties beschreven. (Zie boven: 2. De Zwaan.)


Laatst gewijzigd: 29-03-2016

EFG 5. De Rodeburgh
Markt 21
 

In augustus 1566 draagt Marie Gueyen haar weduwenrecht op het huis Die Roede Borgh over aan haar zoon Johan Symons, die het huis op de hoek van de Markt vervolgens verkoopt aan Willem van der Heiden. In mei 1570 doet Marije in den Roden Burgh, die haar rechten in het huis overdraagt aan haar zoons Johan en Rochus. Rochus verkoopt vervolgens zijn helft aan zijn broer Johan In den Wildeman. Het huis (en overige goederen) worden belast met een rente van 4 malder rogge bij de meesters van het smedenambt, bovenop een oudere rente van 6 rijdersgulden aan hetzelfde gilde. (Hoofdgerecht 311-f.184 en f.232.)

Het huis De Roderborg komt in de akten al voor in 1489 en 1490, wanneer er proces gevoerd wordt over de huishuur van het pand. In 1487 was sprake van de bewoonster Gryete in die Roderborch. (Gijs van Bree, Rens Gestae 1176 en 1271.)

Waarschijnlijk is het huis Den Rodeborgh door Marie in het huwelijk gebracht. Het gezin woonde in het huis De Wyldeman in de Swalmerstraat, het tweede of derde huis ten zuiden van de Hegstraat. Dat huis stond voorheen op naam van haar schoonouders, Johan Bruyns in de Wildeman en zijn vrouw Cathrijne.
De huisplaats van De Roodeborgh hier op een foto halverwege vorige eeuw.

Tot 1579 tevens de smeden-gaffel van de Sint-Eloy-
broederschap.

In juni 1579 verkopen Johan Puijll en Michyel van Leuwe, meesters van de st. Loijen-broederschap, genoemde renten aan Maximiliaen van Falckenburgh en diens vrouw Enken Roeders. Tegelijkertijd vekopen de gildemeesters aan het echtpaar voor 22 gulden en 12 stuivers de kelder en een kamer op de zolder, zoals het smedengilde tot dusver als gaffel in gebruik had. (Hoofdgerecht 311-f.314, 315.)

Een jaar later geeft Maximiliaen van Falckenburgh aan Henrich van der Velde als onderpand een schepenbrief van 100 rijksdaalders, staande op De Rodeburg, wegens een schuld van 97 gulden. In oktober 1581 kan hij de schuld voldoen en krijgt hij de rentebrief terug.

Maximiliaen en zijn vrouw Enken kopen in juli 1582 van hun schoonbroer Rochus Simons diens aandeel in De Wildeman in de Swalmerstraat. Diezelfde dag dragen ook de kinderen van Lem in Den Wildeman hun aandeel in het huis over. (Hoofdgerecht 311-f.354.)

In juli 1587 maken beide echtelieden hun testament ten gunste van de langstlevende. Deze krijgt de volledige beschikking over de na te laten goederen, zoals de 4 malder rogge en de 6 rijderguldens, hierboven vermeld. Ook worden in die wilsbeschikking genoemd het huis De Wildeman, een huis te Maastricht en de goederen in het land van Rode, afkomstig van Maximiliaen. Daarmee kan de weduwe eventueel, op eigen gezag, de schulden betalen om "de crediteuren tevreden te stellen" en om de opvoeding van de kinderen te bekostigen. (Hoofdgerecht 311-f.381.)

Anna Roeders was weduwe uit eerste huwelijk met Johan Simons. Uit dit huwelijk is haar een zoon gebleven, ook Johan genoemd. Deze Johan Simons jr. betaalt in januari 1596 zijn halfbroers en -zuster Peter, Johan en Dyrcxken van Falckenburgh 650 gulden tot uitkoop van het huis De Rodeborch, dat dan geheel op zijn naam komt te staan. Volgens een akte uit oktober 1692 blijkt zijn moeder te zijn hertrouwd met Frans van Tits. Haar na-kinderen zijn dan nog niet getrouwd. (Hoofdgerecht 312-f.9 en f.56.)

In december 1601 verkoopt Johan Simons, ongehuwd, het huis op de Markt voor 1175 gulden aan Merten van Dijck en vrouw Guedela. Twee jaar later is het echtpaar nog 250 gulden schuldig, o.a. aan Peter Maximilianus(!) wegens een achterstallige rente op De Rodeburg. Het geld wordt in 1603 afgelost. Peter Maxis, getrouwd met Neulke van Beesel, verwierf het huis in de Swalmerstraat. (Hoofdgerecht 312-f.117 en f.140.)

* Zie ook onder Maasniel
over pastoor Hoefacker
en zijn kinderen.

Marten van Dijck komen we in die jaren en nog lang daarna tegen als boekhouder van de armenkas. Zijn naam komt daardoor veelvuldig voor, wanneer de armenmeesters leningen uitschrijven aan inwoners van de stad. Zijn oud-oom Merten van gen Hoeffacker*, naar wie hij ongetwijfeld vernoemd is, was toen nog pastoor te Maasniel.

Merten van Dijck had nog een tweede huis aan de Markt, richting Swalmerstraat. In april 1610 verkocht het echtpaar het halve huis aan Marcelis van Aken. Een derde huis op naam van Merten van Dijck en vrouw Guedele stond in de Munsterstraat. Merten van Dijck sterft voor augustus 1639. Dan staat het huis op naam van zijn erfgenamen.

Eerst jaren later vernemen we op wie het huis, dat voorheen bekend stond als De Rodeburgh was overgegaan. We zijn dan alweer twee generaties verder. In september 1649 nam de toen nog minderjarige Willem Wolffs (*1629), met instemming van zijn broer Matthijs (*1620), een lening van 50 gouden souvereinen op bij het echtpaar Hinsberch-Cocx, bewoners van De Boon elders op de Markt. Als onderpand stelde hij zijn helft in de ouderlijke goederen, waaronder het huis naast de Grauwe Thoren en het huis op de hoek van de Markt, tegenover het kerkrooster. (Hoofdgerecht 116-f.89.)

Opdeling in twee woningen...
Matthijs en Willem waren de nagelaten zonen van het echtpaar Sijbert Wolffs en Druisken van Dijck. Dit echtpaar komen we in de overdrachten niet eerder tegen, niet als handelende partij, noch zijdelings. Het huis blijft ook daarna op naam van beide broers staan. Jaren later werd Willem Wolffs benoemd tot pastoor te Wessem. In die functie komt hij in de akten voor in 1657, in 1663, 1664 en nog later in 1680. Tegen het einde van de eeuw in augustus 1698 is dan sprake van Guilielmus Wolffs, landtdeecken ende pastoor tot Wessem. (Hoofdgerecht 321-f.244.)

In november 1657 verkopen de broers voor 300 rijksdaalders een huis in de Steegstraat (de Lage Steeg) aan buurman Arnold van en tot Boeckholt, adellijk raadsheer aan het Hof van Gelder, en diens vrouw. Zes jaar later in december 1663 verkopen beiden het huis op de hoek van de Markt. Het pand blijkt dan in twee afzonderlijke woningen gedeeld te zijn. Het is niet duidelijk sinds wanneer.

Mogelijk dat Matthijs toen met zijn vrouw Ida Becx en de kinderen in het andere huis verderop aan de Markt woonde naast de Grauwe Thoren, terwijl in De Rodeburgh twee afzonderlinge huurlingen woonden. (Hoofdgerecht 317-f.118.)

Het hoekhuis werd voor 950 gulden verkocht aan Adam Sijben en Agnes Corvers. Maar zij moesten van de koop afzien wegens het beschud door Joost van Leeuwen. Het tussenhuis ging dezelfde dag voor 850 gulden over op het echtpaar Weerts-van Raeij. Een maand later maakte Frans Simons gebruik van zijn beschudrecht. Hij werd op zijn beurt afbeschud door Derick van Dijck als naast verwant aan verkopers. Bij de verkoop handelde Mathijs in beide gevallen ook in naam van zijn broer. (Hoofdgerecht 317- f.120 en f.122.)

Zes jaar later, in 1669, wordt Jan Weerts dan toch weer genoemd als eigenaar van het tussenhuis. In de overdrachten is nergens van een terugkoop melding gemaakt. (Hoofdgerecht 317-f.234.)

Ook het ander deel van het pand, aangekocht door het echtpaar Sijben, blijkt het beschud te hebben doorstaan. In november 1700 vermaakte de geestelijke dochter Lucia Sijben, ziek, maar nog goed bij verstand al haar spullen, actien en kredieten die zij nog te vorderen heeft, over aan haar zuster Elisabeth. Deels om de schulden af te lossen die zij bij haar heeft, wegens geleend geld, en verder in ruil voor levensonderhoud: "haer t'onderhouden tot haeren sterffdagh toe". Zij wenst zonder enige pomperije begraven te worden, zoals haar moeder voordien.

Omdat haar goederen niet toereikend waren om daarmee de schuld van 500 pattacons te voldoen, vermaakte zij ook aan Elisabeth haar aandeel in het ouderlijk huis, genoemd Sint Christoffel, op de hoek van de markt, aan haar zuster. Hiervan had zij 1/6 deel uit erfenis van haar ouders, 1/6 deel aangekocht van hun zuster Catharina te Venlo, en haar deel in 1/6 deel afkomstig van hun zuster Francisca Sijben zaliger, waarvan hun schoonbroer nog het vruchtgebruik had. (Hoofdgerecht 322-f.97.)

Het is niet bekend sinds wanneer het pand De Rodeburg vernoemd werd naar de parochieheilige. En evenmin of de nieuwe naam lang stand heeft gehouden. De akte uit november 1700 geeft, zover bekend, de enige vermelding. Nabij het huis stond vanouds de Christoffel-put.

Laatst gewijzigd: 07-07-2015

FGH 6. De Stadt Emmerick
Markt 8
 
Tot 1650 was het huis In het Wapen van de Stadt Emmerick aan de Sint-Joostput een van de drukst bezochte herbergen in de stad. De huurders namen bij vertrek de naam van De Emmerick mee naar het nieuwe pand in de Neerstraat...

wapen stad Emmerik

In februari 1608 belastten de licentiaet Tilman van Bree en zijn vrouw Anna Cremers hun huis op de hoek van de Markt, komende vanaf de Neerstraat aan de Sint-Joostput, met een kapitaal van 400 daalders bij het echtpaar Kochs-Oidtmans. Als bijpand stelden zij de helft van hun landerijen en weiden in de Weerd, afkomstig van haar ouders Matthis Kremer en Helwich van Wessem. Tien jaar later werd het geld afgelost door raadsheer Bree en zijn zusters. (Hoofdgerecht 313-f.2.)

Voor Anna en haar man was dit hun tweede huwelijk, zoals vermeld in een akte uit juni 1615: Tilman van Bree en Anna Cremers en "hun voor- en na-kinderen". Anna was in eerder huwelijk getrouwd geweest met Jacob Boener. Het huis met de (nacht)herberg aan de Markt hadden zij verhuurd. Tilman woonde met vrouw en kinderen aan Minderbroeders in het huis naast de steeg, afkomstig van zijn voorganger Jacob Boener. (Hoofdgerecht 313-f.175.)

Over een welgestelde koopmans-familie...
Het huis op de hoek van de Markt was afkomstig van haar ouders, Mathijs Cremers en Helwich van Wessem. (Zie ook bij De Kraick.) Zij hadden de huisplaats op de hoek van de Zoutmarkt, genoemd St. Joost, in juni 1561 verworven van Peter van Mechelen. Waarschijnlijk, dat zij de plaats toen nieuw betimmerd hebben. (Hoofdgerecht 311-f.138.)

Thijs Cremers stierf eind 1587. De weduwe Cremers overleefde haar man zeker twee decennia. In april 1599 kocht zij van Christoffer Braetz diens aandeel in Goltsteins plaats aan de Swalmerstraat. Een jaar later is Goedert Wytlings nog geld schuldig aan de weduwe. Omdat hij van plan is oostwaarts te vertrekken en het niet tot procedures wil laten komen, beleent hij zijn goederen te Merum bij haar. (Hoofdgerecht 312-f.94.)


De st. Joostput op de hoek van de Markt naar de Neerstraat in 1608, al genoemd in 1589
en daarna nog geregeld gedurende de 17e eeuw. De Rochusput komt in die tijd nog niet voor.

(GAR Hoofdgerecht 313-f.2 dd. 19-2-1608)


St. Joost was, evenals zijn opvolger als putheilige St. Rochus, beschermheilige van reizigers en tegen de pest.

Het huis van de weduwe Kremer aan de Markt kende toen al een uitgang in de Bergstraat. Dat blijkt uit de rekening van de timmerman Hendrick van Putte, die door haar kinderen nog te betalen was. Daarin staat de post van "eyn pordt op den Berch". In de stovekamer had hij drie nieuwe vensters gemaakt. Ook had hij voor haar gewerkt aan de boerderijen te Asenray, achter Genaefferen en achter Genoeff. Haar huis in de Swalmerstraat had een nieuwe stal gekregen. En voor het huis op de Markt had hij een hofdeur gemaakt en een trap. (Hoofdgerecht inv.nr. 110-214.)

In januari 1615 verkopen Tilman van Bree, raadsheer aan het Hof van Gelder, en zijn vrouw Anna een huis in de St. Jansstraat aan Engel van Ruremunde, de muurder, en zijn vrouw Trijne. Het huis was afkomstig van Anna's moeder, Helwich van Wessem. (Hoofdgerecht 312-f.112 en 313-f.164.) Met haar broer Frans deelde Anna de landerijen en weiden in de Weerd over de Maas. Het huis De Kraick naast het wachthuis van de stad en het huis ernaast op de hoek van de Swalmerstraat gingen voor en na op Frans over. In september 1614 verkopen Tilman van Bree, raadsheer aan het Hof van Gelder, en zijn vrouw hun aandeel in een jaarlijkse rente van 400 gulden, ten laste van de stad Dordrecht. (Hoofdgerecht 313-f.189.)

Het huis In De Gulden Leeuw, dat het echtpaar middels beschudrecht had verworven, hadden zij verhuurd aan de kanselier van het Hof. Daarnaast lag het huis dat zij hadden uit erfenis van haar moeder. (Hoofdgerecht 313-f.175 en f.322.)

De Emmerick was in die jaren verhuurd aan Elisabeth van der Stegen. De waardin in de Emmerick maakte in november 1628 haar testament. Zij was weduwe van Evert van Vrechen, in zijn leven korporaal der kurasiers in het leger van graaf Gerard van den Bergh. (Hoofdgerecht 353-f.2v.)

Tijdens de stadsbrand of bij andere gelegenheden zijn veel porcesstukken verloren gegaan.

Tilman van Bree en Anna Cremers woonden met hun (voor)kinderen aan minderbroeders in hun huis naast de gats, door Anna en haar eerste man Jacob Boener in 1589 en 1590 gekocht van haar oom Stoffer Kremer en haar neef Stoffer Braetz, schout van Roermond, beiden voor de helft uit erfenis van hun (groot)vader Herman Kremer.

Hun buurman Derick van der Donck was in 1613 bezig geweest zijn huis te onderkelderen. Daarbij zouden de muren en de lijsten van "eeuwenoude Naamse steen" en de wenteltrap in het huis van Tilman scheuren en barsten vertonen. De raadsheer ondernam meteen actie en liet de heren van het Hoofdgerecht optrommelen om zich van de schade te vergewissen. (De kinderen Boener waren eveneens partij in deze zaak.)

Naderhand, we zijn dan drie jaren verder, werden twee onpartijdige deskundigen uit Maastricht gevraagd, om de oorzaak van de barsten te onderzoeken. Zij kwamen tot de conclusie, dat slechts een deel van de schade mogelijk het gevolg was van de werkzaamheden. De twee bouwmeesters stelden voor, dat Derick de reten in de muren zou laten dichten en de fundamenten onder zijn huis dusdanig te verbeteren, dat er verder geen gevaar meer dreigde. Tenslotte adviseerden zij beide partijen als goede buren de zaak "met een coelen ende frischen dronck wijns" bij te leggen. Maar voor het zover was, is er opnieuw een heel jaar overheen gegaan. (Hoofdgerecht inv.nr. 115-340.)

Het huis op de Markt, naast de Sint-Joostput gaat over op de jongste zoon Christoffer van Bree, kapitein in het leger van Zijne Majesteit. In juni 1637, wanneer hij in Maaseik is gelegerd, geeft hij volmacht aan zijn zwager, de licentiaet Peter Cocx om zijn huis te belenen met 400 rijksdaalders bij de broers Arnold en Willem Fuiren. Een half jaar later neemt Christoffer een lening van 100 rijksdaalders op bij het echtpaar Syceram. Als bijpand stelt hij zijn landerijen in de Weerd, die hij deelt met de kinderen van zijn zwager de licentiaet Johan Woestingh zlgr. (Hoofdgerecht 315-f.134 en f.148.)

In 1640 verkopen de gebroeders van Bree enkele stukken land aan Hoogbergen over de Maas. Stoffel is dan gelegerd in Straelen. Een jaar later laat hij opnieuw land in de Middelweerd verkopen, afkomstig uit erfenis van zijn oom Francois Cremers zlgr. (Hoofdgerecht 315-f.134 en f.198.)

Het huis van De Emmerick aan de Sint-Joost-put...
Christoffel van Bree was getrouwd met Gertruijdt van Eijll. Uit dit huwelijk werd zoontje Tilman geboren. De kapitein stierf voor augustus 1647. Jacob Graus, wachtmeester van de stad, beleent met volmacht van Jacob van Bree, oom en voogd van het minderjarig kind het huis op de hoek van de Markt naast de st. Joost-put, waar de Stadt Emmerick tegenwoordig uithangt, met 300 gulden. Bij de belening was ook het huisje aan de Bergstraat begrepen, afkomstig van de weduwe Enken Beumers, voorheen namens het zoontje door zijn voogden beschud, tegen 300 gulden plus kosten. Het huisje lag direct naast de poort van De Emmerick. (Hoofdgerecht 316-f.53 en f.84.)

Het huis De Emmerick was een bekend logement in Roermond. Men zegt, dat de naam verwijst naar de plek waar de leren brandemmers nabij de put ophingen. Bovenstaande zinsnede geeft echter een geheel andere uitleg. De herberg was in die jaren verhuurd aan Mathijs Dorss. Hij was getrouwd met Mechtel Coopmans, weduwe van (de vorige huurder) Peter van Helden. In juni 1649 verkochten zij de lening van 300 gulden, die het echtpaar had voorgeschoten, aan wachtmeester Jacob Graus en vrouw. Het echtpaar Graus had kort daarvoor ook al de zegelbrief uit 1637 overgenomen. (Hoofdgerecht 316-f.63 en f.79-80.)

Diezelfde maand (juni 1649) verkopen de voogden van de jonge Tilman van Bree met instemming van het Hoofdgerecht het huis op de hoek van de Markt bij de ijzeren put waar het Emmerick uithangt aan het echtpaar Dorss voor 4400 gulden. Binnen een maand tekent Jacob Graus als naaste bloedverwant beschud aan en verzekert bovenop de koopsom alle overige kosten te zullen betalen. Matthijs Dorss gaat akkoord, behoudens zijn recht als huurder. Graus beweert echter dat de huur niet naar behoren geregeld is. Later die dag komen beide partijen dan toch tot een vergelijk. (In 1650 wordt Mathijs Dorss genoemd onder de nachtherbergiers en logementhouders van de stad.) (Hoofdgerecht 316-f.82 en f.84.)

Wachtmeester Jacob Graus was getrouwd met Catharina Cox, dochter van Peter Cocx en Agnes Boener. Agnes blijkt een dochter te zijn uit eerste huwelijk van Anna Cremers met Jacob Boener. Jacob was de zoon van Geurd Graus en Fijcken Cremers, weduwe van Jacob Segers, naar wie hij is vernoemd. Zie: De Hulck.

Een jaar na de aankoop, in augustus 1650 verkoopt wachtmeester Graus aan buurman Peter Bosman voor 305 rijksdaalders een plaats achter diens huis tot aan de muur, met de erfdiensten zoals vermeld in de koopakte. Afgesproken werd dat Graus tegen de muur mag timmeren, maar de drup zal over zijn eigen erf via een canal afgeleid worden, evenals het water dat van zijn keuken wordt uitgegoten. De ondervensters van zijn achterkeuken zal de wachtmeester dichtmaken en het raampje van zijn cockhuysken met een tralie bezetten. De zojuist aangekochte plaats achter zijn huis zal Bosman als cruythoff gebruiken, en niet met enige stalling mogen betimmeren, zodat de lichtinval van verkopers huis niet belemmerd wordt. (Hoofgerecht 316-f.149 en f.176.)

Nog geen week nadat de logementhouder en zijn vrouw het huis aan de St. Joostput aan wachtmeester Graus hadden overgelaten, kopen Matthijs Dorss en Mechtien Coopmans (ook Coppens genoemd) in juli 1649 voor 3500 gulden het huis Den Soeten Naem Jesus in de Neerstraat (schuin) tegenover de put. Naderhand is de naam Den Emmerick op dit huis overgegaan. (Hoofdgerecht 316-f.85.)

 

Den Emmerick wordt De Pauw...
Rond 1660 was er proces ontstaan wegens de waterloop van het achterhuis bij de buren over het plaatsje, dat tien jaar eerder was aangekocht. Oude zaken werden bovengehaald. Rond 1630 droeg het huis van de weduwe Bree al de naam In gen Emmerick en toenmaals verhuurd was aan Lysbeth Verstegen, zoals hierboven al vermeld.

De Emmerick
in de Neerstraat

Toen het echtpaar Dorss verhuisde naar hun pand in de Neerstraat, namen zij de naam van De Emmerick mee. Het hoekhuis van wachtmeester Graus kreeg toen een nieuwe naam, zoals enkele keren in de processtukken genoemd. Voortaan stond het huis bekend onder het teken van De Pauw. (Deze naam was sinds jaar en dag verbonden aan een drukbezochte en alom bekende herberg aan de Brugpoort. Naderhand komen we de naam ook nog tegen vanwege een huis op de Steenweg.) (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 141-1008.)

In augustus 1679 verkochten licentiaat Godefridus Graus en zijn zusters de juffers Anna Clara Graus en Petronella Graus, mede namens hun afwezige broer Marcelis Graus hun huis op de hoek van de Markt, naast de ijzeren put, voor 6000 gulden en 2 souvereinen als verteerpenningen aan Bernard Chanoine (1643-1710). De nieuwe eigenaar van het huis De Pauw aan de Markt was toen weduwnaar van Aldegonda van Lin. Enkele jaren later, in 1682 hertrouwde hij met Catharina Spee. (Hoofdgerecht 318-f.170v.)

De Drie Kronen
Varkensmaerkt

Aanvankelijk woonde Chanoine als huurder in het huis tegenover Die Kyrch op de Steenweg. Hoewel het huurcontract nog niet verlopen was, werd hij door de huisbaas verzocht te verkassen. Hij kon het huis immers voor een betere prijs verhuren. Zodoende maakte Chanoine medio 1669 plaats voor wachtmeester Thomas Bordels, (mede-)eigenaar van De Bovenste Dry Croonen op de Varkensmarkt. En het is juist in deze nachtherberg waar we kort daarna het gezin Chanoine tegenkomen; (schuin) tegenover zijn ouderlijk huis. (Hoofdgerecht 317-f.239.)

De wijnhandelaar heeft daar hoogstens vijf à zes jaar gewoond. Het herbergiers-bestaan is het echtpaar niet zo bevallen, met name de vrouw des huizes wilde het rustiger aan doen. Bernard Chanoine en zijn vrouw Aldegonda hadden toen geregeld ruzie met het echtpaar Vechmer, herbergiers in voornoemd huis op de Steenweg. Ook op de vismarkt kwam het tussen beide huisvrouwen tot een luidruchtige scheldpartij.

Zijn vader Pierre Chanoine was afkomstig van Dautain in het land van Savoye. Die afkomst bleef wijnhandelaar Bernard Chanoine achtervolgen. In voornoemd proces wordt er herhaaldelijk naar verwezen. Marskramers of kraamdragers waren het, die Savoyaerts; die tevens werk zochten als schouw- of schoorsteenveger. De "adel van Savoye" werden ze hier genoemd. Grotere beledigingen kon men nieuwkomers in de bisschopsstad niet toewerpen. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 156-1310.)

In september 1681 werd Bernard Chanoine aangesteld als kerkmeester en vier jaar later werd hij benoemd als raadsverwant in het gemeentebestuur. Of Chanoine het huis aan de Markt al bewoonde voor de aankoop in 1679 is niet duidelijk. Aldegonda van Lin is kort daarvoor (in het kraambed) gestorven. Van de zeven kinderen, komen we naderhand de twee oudsten Cassius (1666-1706) en Theodorus (1668-1705) tegen, de een als controleur der licenten en de ander als medicus. De laatste jaren woonde Cassius met zijn gezin in Maastricht.

Theodorus Chanoine trouwde in januari 1702 onder huwelijkse voorwaarden met zijn achternicht Maria Rosa, dochter van wijlen rentmeester en landscholtis Peter van Boshuijsen op het huis De Stenen Trappen in de Neerstraat. De weduwe Boshuijsen stemde ermee in dat het jonge paar bij haar in huis zou komen wonen, alwaar zij, voorlopig voor de duur van twee jaar, de tafel gratis zouden genieten. Mocht het echter gebeuren, dat een van beide partijen hiervan afwilde, dan kon Theodorus en zijn vrouw het halve huis als hun eigen woning inrichten. Tevens zou aan de toekomstige bruidegom tot stuur van het aanstaande huwelijk de pachthof (aan de Breeweg) te Linne toekomen, mits daarvoor ook de lasten te dragen, evenals de helft van de lasten van het Groot Huis in de Neerstraat. Door het voortijdig overlijden van Theodorus kwam binnen drie jaar een einde aan dit huwelijk. Kort nadien stierf ook hun zoontje, dat vernoemd was naar de beide grootvaders. De jonge weduwe hertrouwde in 1708 met Francois Pollart. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 211-2411.)

De handel in diverse wijnen had burgemeester Chanoine geen windeieren gelegd. Buiten het huis op de hoek van de Markt, met de hof daarachter, uitkomend op de Bergstraat, (geschat op 1900 rijksdaalders, was er nog het ouderlijk huis op de Varkensmarkt, gewaardeerd op 900 rijksdaalders. Aan uitstaande leningen was nog ruim 3000 rijksdaalders te verdelen onder de nog in leven zijnde (kinds)kinderen. Uit eerste huwelijk waren dat alleen nog de kinderen van wijlen zoon Cassianus uit diens huwelijk met Maria van Hingen. Uit tweede huwelijk waren toen nog drie van zijn nakinderen in leven.

 

Goudsmid Johan Nicolaus Stahl...
In oktober 1754 belenen Maria Theresia Pontz de weduwe van advocaat Theodorus M. Chanoine en haar zoon Bernard Chanoine hun huis op de hoek van de Markt met de opvaart, de achterplaats, en stallinge voor onberekend gebruik aan Johan Nicolaus Stahl, oud-kremermeester en goudsmid, in huwelijk met Agnes Stams. De belening werd gesloten voor 800 pattacons en 4 franse pistolen. Het huis was afkomstig van de grootmoeder van Bernard, Maria van Hingen, en op hem vererfd.

De huurakte verliep pas met Pasen 1757. Tot die tijd mocht J. van Wageningen in het huis blijven wonen. De huur zou dan aan het echtpaar Stahl toekomen.

Het huis was gelegen tussen het pand van Severijn Schoncken en de Sint-Rochus-pomp (voorheen de St. Joris-put). De belening gold voor telkens negen tot negen jaar. Meestal resulteerde dit tot een blijvende overdracht. Eventuele verbouwingen en reparaties zouden blijven voor de pandnemer, maar bij het verlaten van het huis, zouden de gemaakte kosten door de pandgevers, of diens nakomelingen, vergoed worden. Bovenop het geleende bedrag van 800 pattacons en 4 pistoletten.

Het huis onder aan de Markt bleek volgens een nadere toelichting dusdanig bouwvallig te zijn, dat de weduwe er geen heil meer in zag om er grote bedragen aan te spenderen, om het huis op te knappen. Ook waren in die tijd de huren te laag om daarmee de verbouwingen te bekostigen: "besonderlijck in desen tijdt, als wanneer de huijsen geheel weijnig aen huijre renderen".

Na het raadplegen van de naaste vrienden (lees: verwanten) in de stad, te weten commissaris Petit en advocaat Graeven, was het besluit genomen, dat verkoop de beste oplossing zou zijn. Om die reden hadden beide heren het besluit mede ondertekend. Het geld zou namens de minderjarige gebruikt worden om andere vaste goederen te kopen, dan wel op vaste panden in belening uit te geven. (Hoofdgerecht 335-f.57 e.v.)

De nieuwe eigenaar van het hoekhuis op de Markt was geboortig (1706-) van Roermond als zoon van Nicolaus Staels en Maria Anna Kannegieters. Hij trouwde in februari 1740 in het klooster Godsweerd met Catharina Agnes Stams (1714-), dochter van Mathias Stams en Catharina Schoncken. Het huwelijk werd voltrokken door haar broer, de eerw. heer Arnoldus Stams, pastoor te Maasniel. Behalve als goudsmid verdiende Stahl ook de kost als wijnhandelaar. Uit hun huwelijk zijn zes dochters en drie zoons bekend.

Hij had nog geld te vorderen van zekere NN Leopold, die ondertussen de stad al verlaten had. Begin augustus 1759 had het Hoofdgerecht bevolen om beslag te leggen op diens goederen. Later die maand verzocht de koopman in wijnen om alvast geld te mogen opnemen, afkomstig uit de verkoop van het paard en andere goederen, voor een bedrag van 289 gulden, gelijk aan zijn vordering. Tot zekerheid stelde hij zijn huis op de hoek van de Markt. (Hoofdgerecht 335-f.227.)

Het werk als goudsmid had hij toen nog niet opgegeven. De waterloop van het huis van goudsmid Nicolaus Stahl liep sinds onheuglijke tijden over het erf van buurman Schoncken twee huizen verderop, om vervolgens weer naar zijn achterplaats terug te lopen en aldaar ontlast werd in de sterfput. (Hoofdgerecht 336-f.60 en f.61.)

In 1780 stond het huis nog op naam van Nicolas Stahl, cremer. Daarna werd het huis aan de St. Rochuspomp verkocht aan Henri Schieffers (ca.1745-1805), koopman uit Keulen. Hij was getrouwd met Maria Josepha van Wylick.

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

GHI 7. Het Huis De Boon
deel Markt 6
 

Aan de zuidzijde van de Markt lag het pand De Apotheek van de dames Van Cruchten. Na hun overlijden gingen de erfgenamen over tot verkoop van de afzonderlijke delen. In juni 1589 werd een deel verkocht aan Eustache de la Saulx uit Luik. Het pand grensde aan herberg In die Boon. Tussen beide huizen liep een gats, die waarschijnlijk uitkwam op de Bergstraat. In elk geval liep vandaar een gang tot op het perceel naast De Boon. (Hoofdgerecht 311-f.423.)

Het huis De Boon wordt nadien geregeld genoemd als belendend pand. Uiteindelijk bij de verkoop van het huis in juni 1597 blijkt, dat De Boon eveneens op naam van de erfgenamen van Cruchten heeft gestaan. Dat was Rabot van Cruchten voor de helft, en Elisabeth Hoeufft, weduwe van Dederich van Cruchten, met haar dochter, joffer Elisabeth van Cruchten voor de andere helft. Het huis gaat voor 1235 gulden over op Johan van Wijler en zijn vrouw Claire. Overigens komt deze huisnaam in de overdrachten na 1600 niet meer voor. Toch blijkt die naam nog rond 1640 bekend te zijn, hoewel dan ook al sprake is van Het Witte Peerdt. (Hoofdgerecht 312-f.62.)

We hebben hier te doen met Johan van Wyler alias Hacken en zijn vrouw Claer van Oeverbeeck. Zij nemen in 1598 de zorg over de kinderen van zijn oom Jacob Hacken sr. op zich. In 1617 staat het huis aan de Markt nog steeds op zijn naam. Of hij identiek is aan Jan van Wilre, die dat jaar een huis koopt in de St. Jorisstraat, volgt niet uit de akte. Laatstgenoemde is immers getrouwd met zekere Marie NN. Het kan hier dus handelen om een naamgenoot of een tweede huwelijk. (Hoofdgerecht 313-f.237.)

De aankoop van het huis gaat overigens niet door, omdat kort daarop de weduwe Noyen als naaste verwante gebruik maakt van het beschudrecht. Jan van Wijlre is in juli 1618 nog 63 gulden schuldig aan zekere Adriaen Marteau. Zeker geen klein bedrag in die tijd. Hij belooft het geld binnen drie maanden te betalen en stelt daartoe zijn persoon en bezittingen tot onderpand. Hij was overigens niet de enige die geld aan de koopman uit Luik schuldig was. (Hoofdgerecht 313-f.271.)

 

Met de verkoop van het huis aan de Markt in mei 1620 kunnen we de draad weer oppakken. Jan van Wylre en zijn tweede vrouw Marie Wuesten van Halbeck dragen hun tochtrecht en bezit van het huis aan de Markt over aan Walraven Daniels. Jan is omstreeks 1607/08 hertrouwd met zekere Marie Wuesten. Het eerste kind dat in huize Hacken van zich laat horen is van de meid Marie en Jan blijkt de vader te zijn. Een half jaar later bevalt ook zijn vrouw van haar eerste kind. In de doopboeken werd in die tijd de achternaam van de moeder nog niet vermeld. Bij de doop van de jongste heet zij Maria Wuesten. Vier jaar later volgt nog een kind, waarvan de moeder wordt ingeschreven als Maria van Halbeck. Uit een proces van ruim 20 jaar later blijkt, dat het hier om een en dezelfde persoon gaat.

Uit latere gegevens blijkt dat Walraven Daniels bij de overdracht van het huis al weduwnaar is. Hij trouwde omstreeks 1600 met Marie (Hacken?). Van de vijf kinderen worden er in 1626 nog drie genoemd.

Mr. Daniels, oud-burgemeester, is dan hertrouwd met Marie Jelissen. Uit eerste huwelijk heeft hij enkele kinderen. Twee ervan blijken getrouwd te zijn en hebben hun huwelijksgift al gekregen. Ook zijn derde zoon dient nog "tot een of andere stand" gebracht te worden, hetzij tot de huwelijkse staat, of als geestelijke.

Omdat zijn vrouw nog recht heeft op 1000 daalders uit genoemde obligaties, draagt hij aan haar over de helft van zijn huis op de Markt. De ander helft komt immers zijn voorkinderen toe. Na zijn overlijden kan de vrouw daar vrij over beschikken, zonder inbreng van zijn kinderen. Mocht zij voor hem komen te sterven dan vervalt de overeenkomst. (Hoofdgerecht 313-f.283.)

Voor augustus 1629 is Walraven een derde keer getrouwd, nu met Elsken van Gangelt, weduwe van Hendrick Bosman. (Hoofdgerecht 313-f.283.)

Zijn dochter Gertrudis Walravens (1606-ca.1628) trouwde vrij jong met Winand van Hinsberg, weduwnaar van Catharina van Aken. (Niet in overzicht hierboven.) Winand Saelmaecker werd in maart 1597 geboren als zoon van Gerardt van Hinsberg, zadelmaker, en Elisabeth NN. Zijn vader, eveneens zoon van een zadelmaker, hertrouwde in tweede huwelijk met Mechteld Molte of Mochters, weduwe van Dirck Metsemaeckers. Winand en Gertrudis krijgen een dochtertje, met name Maria (*1626). Kort daarna komt de jonge moeder te overlijden. Voor 1630 hertrouwt Winand met Sara Cochs, kleindochter en erfgename van Christopher Cochs de oude. Uit dit derde huwelijk worden nog vier kinderen geboren, o.a. genoemd naar Winands ouders: Gerard (2x), Elisabeth, en Anna de jongste, waarvan Reinerus van Haxwegen pastoor van Montfort, peetvader was. Uit eerste huwelijk had Winand een dochtertje, Ida geheten, en uit tweede huwelijk dochtertje Maria. Alleen van dochter Lysbeth is het huwelijk met Hendrick van Tits bekend. Zij zouden naderhand het huis aan de Markt overnemen.

Uit erfenis heeft Sara het halve huis aan het kerkrooster verkregen. Meer daarover bij de beschrijving van Die Alde Apotheke. (Zie verderop onder nr. 24.) In 1640 verkopen zij dit huis aan de Hoogkerk. Het echtpaar komen we geregeld tegen in de akten wegens het uitschrijven van geldleningen aan stadgenoten, of als aankopers van onroerend goed. Hoewel mr. Winand ook een ambacht heeft beoefend, wordt hij zelf nergens in de akten vermeld als zadelmaker. Het is ook niet zeker, dat het gezin in het huis, voorheen De Boon genoemd, is gaan wonen. Zijn grootvader was in zijn tijd eigenaar van enkele panden, zoals de twee huizen in de Bergstraat.

Zijn zoon Gerard Wijnen en vrouw Lisbett hadden al tien jaar voor de geboorte van zoon Winand een huis in de Oliestraat naast de Rekenkamer gekocht. In juni 1591 kwam daar een half huis in de Neerstraat bij, in ruil voor een stuk baand in Ool in het Broek en 101 gulden in geld. Het huis werd in 1618 verkocht aan Evert van Haeff, messenmaker, die het huis met schuur en moestuin meteen voor 900 daalders doorverkocht. Dan was er nog een huis op de Dries. Mette Molchters had nog twee huizen op de Swalmerstraat mee in het huwelijk gebracht.

In 1640 lag Winand in de clinch met buurman Adolf de kuiper over de afvoer van het regenwater. Het water liep via een rooster onder de stalmuur van buurman Cuijpers, om daar in het secreet te verdwijnen. Volgens de 62-jarige Petronella, de weduwe Hacxbergen, die hier rond 1620 woonde, is er toen nooit kwestie over geweest. Hetzelfde getuigt Marie Woesten, weduwe van Jan Hacken. Zij voegt eraan toe, dat wanneer het rooster verstopt raakte, haar man de troep ging weghalen. Bij die gelegenheid kwam Winand van Hinsberg met een tweede (jongere/oudere) naam voor zijn huis: Int Witte Peert. Het is voorlopig de enige keer dat het huis onder die naam vermeld staat. (Hoofdgerecht inv.nr. 135-840.)


("dit huijs genoemt de boon oft int witte peert")

Kort daarop had Winand onenigheid met de buurman aan de andere kant mr. Herman Smits, wegens een goot die te ver overstak en het onderhoud daarvan. Het proces sleepte zich jaren lang voort. Allerhande argumenten werden over en weer aangevoerd. Zowat de hele bouwgeschiedenis vanaf de eerste stadsbrand werd erbij gesleept. Bouwkundige details moesten bewijzen welk huis er eerder stond enz. Het ordenen van al deze gegevens is een studie op zich, maar zal binnenkort hieraan worden toegevoegd.

In 1658 staat het huis op naam van (nagel)smid Hendrick van Tits. Hij was in november 1653 getrouwd met Elisabeth van Hinsberg. (Hoofdgerecht 317-f.39.) Haar vader, Winand van Hinsberg was huwelijksgetuige. Hij is omstreeks 1655 gestorven.

Hendrick van Tits, had ook een huis in de Neerstraat. Van beroep was hij koopman in ijzer, blijkens een openstaande rekening van 98 gulden, die mr. Willem Gysen aan hem schuldig was gebleven wegens geleverd nagel iser gedurende de jaren 1663 en 1664. Tien jaar daagde hij Hendrick van Cruchten, smid, voor het gerecht wegens achterstallige betaling van 205 gulden voor geleverd ijzer. (Hoofdgerecht inv.nrs 146-1154 en 158-1344.)

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

HIJ 8. De Peerboom
Markt 5
 

Het gebeurde geregeld binnen de stadsmuren. Het huis werd uitgebreid met een afbehang, wel of niet voorzien van muren. Die kwamen er naderhand wel, inclusief ramen en deuren, geschikt om te verhuren. Uit geldnood, of om andere redenen werd het klein huis verkocht en als afzonderlijk perceel beschouwd. Meestal waren dan afspraken nodig over de afvoer van het water, het vrij houden van de vensters bij nieuwe aanbouw, of vanwege het gezamenlijk gebruik van het "heimelijk gemak".

Eustache de laSaulx beleende het klein huis, dat van het zogenoemde groot huis was afgescheiden met 50 gulden bij de meesters van het Grote Gasthuis op de Steenweg. Het geld was afkomstig van het echtpaar Gerard Spee als een schenking aan de armen. Diezelfde dag in oktober 1592 beleende De la Saulx het klein huis met eenzelfde bedrag bij de meesters van het gewandmakers-ambt. Beide bedragen werden een jaar later afgelost door Johan van Hinsberg, de nieuwe eigenaar van het klein huis aan de Markt. (Hoofdgerecht 312-f.8-9.)

Het huis werd in oktober 1593 door Eustache en zijn vrouw Mettele voor 1165 gulden verkocht aan het echtpaar Johan van Hinsbergh en Naelken Pehrbooms. Bij de verkoop werden afspraken tussen beide partijen gemaakt, die we niet willen overslaan. (Hoofdgerecht 312-f.24.)

Het gehele huis was vanouds voorzien van twee kelders, de ene onder het voorhuis en de andere daarachter onder de kamer. De voorste kelder blijft aan het groot huis en de achterste kelder alleen aan het klein huis. De steenweg vanaf de onderslag van de twee huizen tot op verkopers moeshofke (dat bij het groot huis blijft behoren) zal voortaan door beiden gebruikt worden.
De gang uit het klein huis tot in de stal met het heimelijk gemak in de stal zal aan het klein huis blijven. De stal zal in het midden onderslagen worden en van beide kanten bezet worden. De muur tussen het klein huis en De Boon zal voor beide partijen blijven en door beiden onderhouden worden.
De goot tussen beide huizen zal het klein huis toekomen en het hemelwater zal ook daarlangs aflopen. De muur rondom verkopers tuin blijft alleen van hem, maar mag die niet hoger maken dan 10 voet.
Omdat beide huizen boven niet underslagen zijn, zal dit alsnog gebeuren op beider kosten, evenals in genoemde stal ook op beider kosten. De verkopers stellen hun huis tot wehrschafftt voor eventuele onvoorziene lasten en verplichtingen, of wanneer iemand anders rechten op het klein huis mocht doen gelden.

Johan van Hinsberg had het merendeel van de koopsom van zijn schoonvader Tijss Peerboems geleend, die van de koopsom 910 gulden had voorgestrekt. Johan zou hem elk jaar met Pasen 15 gulden betalen. Nog geen anderhalf jaar later stierf Naell Peerboems, en Johan hertrouwde nog voor maart 1595 met Heijlken Mullers. Uit zijn huwelijk met Naell waren drie kinderen gebleven, Phlipken, Thijs en Johan. (Hoofdgerecht 312-f.38.)

Johan was niet de eerste echtgenoot van Naell Peerboems. Uit eerder huwelijk had zij een dochter, Mariken Philips. Het meisje zou in het klooster Godsweerd willen treden al een kloosterlijke religieuze zuster. Voor haar professie zou het meisje 200 gulden inbrengen, die voor haar aan de kartuizers was beleend tegen 4 malder rogge jaarlijks. Het geld zou nu aan het klooster toekomen. In het geval dat Mariken niet kon aarden en het klooster nog voor haar professie verlaten, dan zou het geld haar volgen. Zou het meisje voortijdig sterven, dan kwam het geld toe aan haar halfbroer en -zuster. Tot zolang genoot het klooster de rente. (Hoofdgerecht 312-f.40.)

Tegen het eind van haar leven, in mei 1594 was Neull Perboems ernstig ziek en had veel kwalen te lijden. Zij verdacht ervan, haar te hebben betoverd. Zij liet de wijsvrouw "moder Ann" bij zich komen en vroeg haar drie keer te zeggen "Godt und O.L. Vrouwe geefen euch baett und boett". Dit zouden nog twee andere vrouwen moeten doen, om haar van haar lijden te verlossen. Daarop zou de wijsmoeder gezegd hebben: "Gij kunt zoveel kwelen als ge wilt, tot gij nog maar enen druppel bloed in Uw lijf hebt. Ik zeg het niet." Neull sprak hierover in het geheim met haar man, dat moeder Ann haar met toverije bezocht had. Dit sprak zich snel rond.

De wijsmoeder en haar man Winand daagden de vrouw voor het gerecht. Moeder Ann wilde voorwaar niet van toverije beschuldigd worden. Neull moet er zelf ook van geschrokken zijn en weet haar uitlatingen aan haar ziekte en zwakte en wist van de wijsmoeder niets dan dat zij een vroom en eerzaam mens was, en vroeg Winand en zijn vrouw om vergiffenis. (Hoofdgerecht inv.nr. 105-40.)

 

De volgende decennia stond het huis nog steeds op naam van Johan van Hinsberg. Hij stierf voor april 1625. In maart 1626 verkocht Trijncken, de weduwe van Matthis Peerbooms jr. het halve huis De Peerboom aan Lenart van Bracht en vrouw Philippa Peerbooms, die de wederhelft bezitten. Bij de verkoop was ook nog een stuk land betrokken, in ruil voor de koopsom van 675 gulden en 2½ el zwart laken. Thijs Peerboems had nog meer huizen binnen de stadsmuren, aan de Dries, in de Koolstraat en in de Munsterstraat. (Hoofdgerecht 314-f.134.)

In januari 1640 verwierf Adolf de kuiper als laatste hoger bij het uitgaan van de kaars het huis voor 1300 gulden. In de overdrachten komt hij meestal onder die naam voor, in tegenstelling tot Adolf de vleeshouwer. (Hoofdgerecht 315-f.167.)

Adolf Willems en zijn vrouw Marie Buijsers, hadden ook nog twee huizen over de brug in de voorstad en een huis in de Steeg. Enkele jaren na zijn overlijden komen we zijn erfgenamen tegen. Matthijs Cuijpers uit Wintersheim (bij Ingelsheim), de kinderen van Anna Cuijpers en Henri Sacré, en de kinderen Berents: Ruth, Lenart en Catharina. In november 1658 beleent adjudant Henri Sacré het huis met 250 rijksdaalders bij het echtpaar Fostier-van der Heijden. De lening wordt in december 1671 door Michiel Hoenraedt afgelost. (Hoofdgerecht 317-f.39.)


Op bovenstaande foto uit omstreeks 1920 zijn nog precies de huisplaatsen te herkennen van rond 1600.
A: de Moriaen van slager Jacob van Montfort; B. Wijn van Zwalmen; C. Jacob van Basel; D. Eugene de la Saulx;
E. De Peerboom; F. De Boon; G. Smits; H. Bosman; I. De Emmerick.
A, B en C met het huis daarachter, vormden in 1590 samen de nog lege timmerplaats van na de eerste stadsbrand.
D en E vormden toen samen De Apotheker van de jofferen van Cruchten.
Daarvoor met F en G samen een geheel.
Tussen E en F liep een gang. Achter H liep in 1620 nog een gang naar de Bergstraat.
(Detail prentbriefkaart ca. 1920, Beeldbank GAR.)

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015 - - - - -- -IIJK -9. De Apotheek van de jofferen Van Cruchten
Markt 4

 

De zuidzijde van de Markt werd gedomineerd door De Apotheek van de joffers Anna en Mettele van Cruchten (1587). De huisplaats stond op naam van de kinderen van Derick van Cruchten en Margriet van Dursdael. Over de voorgeschiedenis van het pand is verder weinig bekend.

In juni 1589 verkochten de kinderen Cruchten het pand met de bijbehorende grond tussen Loms timmerplaats (nr. 9) en De Boon (nr. 6) aan Eustache de la Saulx en Mettel tsJonghen. (Elders ook Mechtel Deijck genoemd.) De gats tussen beide huizen zou door beide partijen onderhouden worden. Het regenwater van De Apotheek kon hierlangs weglopen. Ook had het huis aan deze kant recht op twee glasvensters. (Hoofdgerecht 311-f.399 en f.423.)

Een jaar later was het echtpaar van de koopsom nog 800 gulden schuldig gebleven. Daarbij kwam nog een rente van 106 gulden. Het huis van Gelis tsJongen werd als bijpand gesteld. De lening heeft hij kort daarop voor de helft afbetaald. De rest zou eerst enkele decennia later door de nieuwe eigenaar worden afgelost. Eustache de la Saulx uit Luik werd in oktober 1588 als burger van Roermond ingeschreven. Uit een vermelding van vijf jaar later blijkt het bijpand het klein huis te zijn, dat De laSaulx in 1593 al had doorverkocht aan Johan van Hinsbergh (nr. 7). (Hoofdgerecht 312-f.8.)

Het gehele huis was vanouds voorzien van twee kelders, de ene onder het voorhuis en de andere daarachter onder de kamer. De voorste kelder blijft aan het zogenoemde groot huis en de achterste kelder alleen aan het klein huis. De steenweg vanaf de onderslag van de twee huizen tot op verkopers moeshofke (dat bij het groot huis blijft behoren) zal voortaan door beiden gebruikt worden.
De gang uit het klein huis tot in de stal met het heimelijk gemak in de stal zal aan het klein huis blijven. De stal zal in het midden onderslagen worden en van beide kanten bezet worden. De muur tussen het klein huis en De Boon zal voor beide partijen blijven en door beiden onderhouden worden.
De goot tussen beide huizen zal het klein huis toekomen en het hemelwater zal ook daarlangs aflopen. De muur rondom verkopers tuin blijft alleen van hem, maar hij mag die niet hoger maken dan 10 voet.
Omdat beide huizen boven niet onderslagen zijn, zal dit alsnog gebeuren op beider kosten, evenals in genoemde stal op beider kosten. Verkopers stellen hun huis tot wehrschafftt voor eventuele onvoorziene lasten en verplichtingen, of wanneer iemand anders rechten op het klein huis mocht doen gelden.
(Hoofdgerecht 312-f.24.)

Ook met de buurman aan de andere kant werden kort daarna afspraken gemaakt over de erfscheiding tussen beide percelen. Jacob Lom zou bij de nieuwe timmer rekening houden met de ramen van zijn buurman en aldus de vensters het licht niet ontnemen. Over het afvoeren van o.a. het regenwater nog het volgende:

Het klein huis zal het water van de buren dragen en afvoeren. Daartegen mag La Saulx wel geen stinkend water of andere vuiligheid daarover uitstorten, maar het stortgat binnenshuis daarvoor gebruiken en met een ijzeren plaat bedekken.
Lom zal op zijn kosten tussen beide huizen een goot aanleggen om van beide daken het hemelwater af te voeren.
(Hoofdgerecht 312-f.27.)

Eustache de Lassaux was in die tijd koopman in (buitenlandse) stoffen, zoals velours. armoysins (armozijn), drap décoleur (gebleekte lakenstof), cotton (katoen) en andere (niet nader te vertalen) goederen, afkomstig uit Luik. Zijn vrouw Mechtelt tsJongen wordt elders ook Mechteld Deijck genoemd. Voorheen was hij nog in krijgsdienst van sergeant-majoor Alexandre Cygoingne, toenmalig gouverneur van de Koning, gelegerd te Roermond. (Hoofdgerecht inv.nr. 105-24.)

Al vrij gauw blijkt de aankoop van het huis, ondanks de leningen en de verkoop van het klein huis, toch voor de nodige financiele problemen zorgen. Eind 1595 verkopen Eustache en zijn vrouw het huis aan de Markt voor 1500 gulden aan hun (schoon)broer Florentius tsJongen. Het huis wordt verhuurd aan Nicolas Charles. Daarbij was bedongen, dat de aflossing van de jaarrenten van 25 gulden voorrang zouden hebben op de huur. Datzelfde gold ook voor Jan Kelleners, de nieuwe huurder anno 1604. (Hoofdgerecht 312-f.105 en f.161.)

Kort daarvoor had Christoffer Puytlinck al arrest laten aantekenen op het huis wegens achterstallige betalingen van een andere rente. Uiteindelijk kon een definitief beslag op het huis niet meer uitblijven. In juli 1612 werd de voormalige Apotheek overgedragen aan Peter Haegen en vrouw Ingele. Zij hadden het huis voor 1050 gulden verworven als laatste hogers bij de openbare verkoop "met de kaars" op het raadhuis. Waarschijnlijk is de verkoop toen op het laatste moment toch niet doorgegaan. (Hoofdgerecht 313-f.100.)

In al de betreffende akten over het huis vanaf 1601 worden steeds dezelfde buren genoemd, tot en met 1625 aan toe. Dan blijkt Eustache de Lassau opnieuw, of nog steeds de bewoner van het pand te zijn, zoveel jaren na genoemde verkoop in 1612. In oktober 1620 werd hij nog gelast te voldoen aan het vonnis door het Hof onlangs uitgesproken, dan wel het huis onmiddelijk te ruimen op straffe van goeding van het huis. De schuld op het huis bedroeg (nog slechts) 400 gulden. Zijn vrouw laat de gerichtsbode weten dat haar man afwezig is. Het huis wordt vervolgens overgedragen aan Johan Fineman op de Varkensmarkt. (Hoofdgerecht 313-f.330.)

Fineman heeft het huis bij de laatste verkoop in de zomer van 1619 verworven namens zekere Frans Franssen, koopman te Keulen. In april 1625 wordt het huis door Franssen voor 2075 gulden verkocht aan Nelis aen de Beeck en Merrij Wolffs. Bij de verkoop verwierf het echtpaar tevens 2 morgen land aan de Veldbeek te Beesel. (Hoofdgerecht 314-f.108.)

In 1640 blijkt dat Nelis Beeck is overleden. Het huis staat enkele jaren later op naam van Derick Thijssen, getrouwd met de dochter des huizes Geertrudt Beeck. In juni 1649 neemt het echtpaar een lening van 300 gulden op bij de voogden van de minderjarige kinderen Simons (aan de overkant van de Markt). In 1658 staat de schuld nog open ten laste van de kinderen Thijssen. Naast Jan Beeck als hun voogd wordt eveneens genoemd Geertruijdt Raemaeckers, de weduwe Kindt, als mede-curatersse(!). Ongebruikelijk in een tijd, dat een vrouw zich voor het gerecht alleen via een momber kon laten vertegenwoordigen. (Hoofdgerecht inv.nr. 140-969.)

Laatst gewijzigd: 15-07-2015

JKL 10. In Den Moriaen
deel Markt 1
 

Na de stadsbrand in 1554 kende de stad veel lege plekken. Niet iedereen had er de middelen voor om de huisplaatsen nieuw te betimmeren. Op de hoek van de Varkensmarkt tot aan de Apotheek lag decennia lang een lege plek op naam van de weduwe Ingelen. In september 1565 beleende Grietgen Ingelen en haar dochter Marie de bouwplaats aan de Markt met een kapitaal van 100 rijderguldens bij Jacob Lom en vrouw Liesbet. Vijf jaar later bekrachtigt haar zoon Dederick (wegens zijn meerderjarigheid) voornoemde lening. (Hoofdgerecht 311-f.176 en f.222.)

In september 1573 laat Jacob van Lom, mogelijk wegens achterstallige betalingen, gerechtelijk beslag leggen op de plaats tussen het erfgenamen Van Cruchten (Markt) en Peter van Moyrs (Varkensmarkt). Maar het duurt dan toch tot april 1587, wanneer Dederick Ingelen met zijn vrouw Henricxken en hun zwager Johan Bellickhoeven, getrouwd met Marie, de lege timmerplaats aan de Markt overdragen aan Jacob van Lom en vrouw Lissbeth Vorstermans, ter voldoening van de achterstallige lening. (Hoofdgerecht 311-f.399.)

In september 1590 zijn de echtelieden Lom nog bezig de plek met een huis te betimmeren, waarmee zij dan al ver gevorderd zijn. Voor alle zekerheid laten zij vastleggen, dat de langstlevende van hun beiden uit hun goederen zoveel mag verkopen als nodig om de schulden te betalen. Hun zoons, mr. Jacob van Lom en mr. Matthis van Lom, worden daarvan op de hoogte gesteld. Het nieuwe huis, grenzend aan De Apotheek wordt een jaar later voor 1060 gulden verkocht aan Jacob van Bazell en vrouw Trijncken Clercx. Het is slechts een deel van het geheel, 30 voet lang tot aan de muur van de stenen kamer van hun ander huis. (Hoofdgerecht 311-f.435.)

Een jaar later wordt van het resterende deel opnieuw een huisplaats afgedeeld, gelijk groot aan het vorige, en voor 350 gulden verkocht Wijn van Zwallmen en vrouw Griet. De zijgevel van het te bouwen huis zal even hoog zijn als aan Basels kant. Ook zullen verkopers daarin mogen koeten met balken. Het water van Loms erf zal langs de voorste goot worden afgevoerd. (Hoofdgerecht 312-f.26.)

De lege huisplaats op de hoek wordt in juli 1600 voor 900 gulden verkocht aan vleesslager Jacob Kreemers van Montfort en zijn vrouw Catharina (van Lin). Aankopers belenen de plaats met het nieuw te bouwen huis met 200 gulden bij Engel Voogts van Maasniel. In januari 1604 stelt de weduwe Montfort met haar kinderen het nieuw gebouwde huis De Moriaan tot onderpand van hun schulden. Aan Tiell van Asselt zijn ze nog 475 gulden schuldig. Het geld blijft op het huis staan tegen de gangbare rente van de penning 16. (Hoofdgerecht 312-f.157.)

(= 6¼ %)
"De penning 16" is de rente die van bovenaf was opgelegd voor leningen van officiële organen en zaken met kapitalen van minderjarigen, maar niet dwingend voor privé- leningen en handel.

Maar al in juli 1605 verzoekt de weduwe het huis bij openbare verkoop met de kaars te mogen verkopen. De kinderen stemmen hiermee in. Zij kan de gemaakte schulden niet langer opbrengen. Een klein jaar later wordt het huis, voorheen De Moriaan, verkocht aan Thijs van Laer, getrouwd met de verkoperse, de weduwe Montfort. Schoonzoon Mathijs Sterck, in huwelijk met Geertgen Cremers, kon niet aanwezig zijn om zijn instemming te betuigen. Mathijs verbleef toen namelijk op de onderste molen buiten de stad, nadat hij tijdens de laatste muiterij (mutinatie) de stad heeft moeten verlaten.

Aleitgen van der Gitstap en haar nakomelingen...
Thijs van Laer
en Trincken verkopen het huis diezelfde dag voor 2800 gulden aan mr. Hendrick Smits en vrouw Alytgen Phlipsen. De aankopers verwerven enkele jaren later in januari 1610 voor 375 gulden van de weduwe Lom ook de achterliggende huisplaats aan de Varkensmarkt. (Hoofdgerecht 312-f.197.)

Het echtpaar Smits komen we al in 1594 tegen. De vrouw heet dan Aleidtgen van der Geitstappe, hetgeen zou kunnen verwijzen naar haar geboorteplaats.

Een halve eeuw later in juli 1650 neemt Derick in De Moriaen bezit van een huis aan de Schuitenberg. Het blijkt Dirck Smits te zijn, in huwelijk met Catharina Spee, eigenaars van het huis De Thooren* te Maasniel. In april 1649 vond de erfdeling plaats onder de kinderen Smits. Derick verwierf daarbij "het huijs gelegen op den merckt, genampt den Moriaen". De nieuwe eigenaars hebben de huisnaam van de vorige eigenaars dus overgenomen. (Hoofdgerecht 316-f.114; GAR, archief familie Van den Bergh, inv.nr. 187.)

*Meer hierover elders
op deze website met nieuwe informatie uit
het verleden van
De Thooren
.

Catharina was een dochter van Michiel Spee en Aelken van Wessem. Uit de nalatenschap van haar ouders verwierf zij o.a. een huis met moeshof en boomgaard te Horn aan het broek. Verder zo'n 27 morgen akker- en weiland, mogelijk ook aldaar verspreid gelegen aan de Boijenbergh, de Kirckengreend, de Hornergriend, de Horner Oe, aan Melenborg enz. Verder nog enkele erfrenten die uitstonden op evenzovele goederen en tenslotte een stal in de Koolstraat met aansluitende huisplaats achter die Leuve. (RHCL te Maastricht: familiearchief V-922, Spee, Roermond, inv.nr.1.)

In november 1642 maakte het echtpaar als verwanten aan een der verkopers en verwierf voor 1800 gulden het huis In De Ster achter de Luif tot nadeel van buurman Andries Bordels. Vier jaar later verkochten zij het huis weer door. (Hoofdgerecht 315-f. 119, f.123 en f.192.)

Derick Smeets kennen we o.a. als boekhouder van de huisarmen en vervolgens als armenmeester. Daarnaast was hij ook nog meester van het kremers-ambacht. In september 1649 kochten Dirck en zijn vrouw een half huis in de (Lage) Hegstraat naast het kapittel. Verder stond nog een huis in de Hamstraat en een op de Schuitenberg op hun naam. In maart 1650 verkopen ze voor 225 gulden de stal in de Koolstraat, die Catharina had verworven uit erfenis van haar ouders.

In maart 1658 neemt de raadsverwant (en later ook burgemeester) Derick Smeets met de gebruikelijke handelingen bezit van een huis in de Schoenmakerstraat, wegens een openstaande schuldenlast. (Hoofdgerecht 317-f.31.)

Na de stadsbrand wordt de huisplaats in de Hamstraat met de kelder en het hofke en verder met het ijzerwerk en de stenen voor 100 pattacons verkocht aan notaris Goossen Geelen en vrouw. Thomas Bordels als buurman, neemt beschud op het huis. (Hoofdgerecht 317-f.160 en f.163.)

Behalve het huis van De Moriaen had Derick ook het huis daarachter op de Varkensmarkt uit erfenis van zijn ouders verworven. Beide panden werden niet samengevoegd, maar als afzonderlijke woningen gebruikt. De twee huizen en het buitengoed te Maasniel staan naderhand op naam van Christoffer Laurens Petit, in huwelijk met Maria Smeets. Naderhand komt er een scheiding tussen deze goederen. De Thooren gaat over op hun dochter Aldegunda Petit en schoonzoon Herman van den Bergh.

De Moriaen wordt naderhand door het echtpaar Petit-Smeets verkocht, terwijl het huis daarachter na 1718 wordt vererfd op Petrus Henricus Petit, advocaat aan het Hof van Gelder en naderhand kanunnik. In september 1731 verkoopt hij het huis op de Varkensmarkt tussen De Drye Croonen en De Moriaen aan de bewoners, de hoedenmaker Matthijs van den Bergh en vrouw Maria Hendericks. Van de koopsom werden 200 pattacons aanstonds met Pasen betaald en het resterende bedrag bleef al hypotheek op het huis staan. Op de achterplaats had Petit kort voordien een nieuwe timmer laten plaatsen tegen het erf van achterbuurman Lemmens. Tevens liet hij het resterende bouwmateriaal aan de kopers, te weten een halve mud kalk, 600 stenen en het zand. Petit ontving bij de overdracht een hoed (van 15 schellingen). (Hoofdgerecht 328-f.72.)

de Bon Femme

Het hoek huis op de Markt in Bona Faemina...
In maart 1718 hadden Martin Helman en zijn vrouw Maria Anna Langlois hun huis op de Markt voor 500 beleend bij de controleur van het hoofdcomptoir P.I. van der Vrecken en M.C. Vernick van Thoor. Twee jaar later kon de lening alweer worden afgelost en het huis daarvan bevrijd worden. (Hoofdgerecht 325-f.151.)

Tegelijk nam het echtpaar Helman bij genoemde controleur een bedrag op van 1500 rijksdaalders in baar, met als onderpand zijn huis, hof, bos en de landerijen van de Spick op de Bockcoule onder Swalmen. Volgens de geldschieters werd naderhand geopperd, dat het onderpand niet toereikend was voor dat bedrag. In maart 1722 stelde de weduwe Helmans voor, om van genoemde belening 500 rijksdaalders over te hevelen op haar huis op de hoek van de Markt. Dat kon zij als vruchtgebruiker alleen doen met toestemming van haar schoonzoon de koopman Leonardus Janssen als man en momber van zijn vrouw Louisia Helman. Tevens stond het jonge paar borg namens hun minderjarige (schoon)broer Christiaen Helman tussen het huis van Francis Dispa en aan de andere kant (op de Varkensmarkt) het huis van erfgenamen Petit. (Hoofdgerecht 326-f.42.)

Gedurende enkele jaren heeft Helmans ook de bouwhof Het Douffhuys te Merum in bezit gehad. De boerderij was afkomstig van rentmeester Arnold Fuyren. Martin Helman, koopman in de stad Roermond, en zijn vrouw Marie Anne Langlé namen de boerderij in februari 1716 (in pandschap) over. Maar ruim drie jaar later, in oktober 1719 verkoopt het echtpaar de boerderij met akkerland, weiden en hakhout, samen zo'n 31 bunders groot, aan Johan Balthasar van Wevelinckhoven. De koop werd gesloten voor 1550 pattacons en voor de twee kinderen elk een gouden dukaat. (GAR: Archief Daelenbroek inv.nr. 265 blz.48 e.v.)

Het echtpaar Helmans (ook Helmont en Hellemans) had zich tegen het einde van de 17e eeuw vanuit Siegen in Roermond gevestigd. Wanneer zij het huis van de Moriaen hebben gekocht is niet bekend. De overdracht staat in de beschikbare gichtboeken niet beschreven. Blijft alleen de mogelijkheid, dat zij het huis hebben verworven in de periode 1702-1708, de missing link in het Roermondse gemeente-archief.

Martin Helman was mogelijk in dienst (als secretaris?) van Francois vorst van Nassau-Siegen, gouverneur van Zijne Majesteit de koning van Spanje in het Overkwartier van Gelder. Bij de doop van zijn eerste kind in februari 1697 was niemand minder dan prinses Isabella Clara Eugenia de peettante, de derde vrouw van de vorst. Bij de doop van voornoemde Louise (Anna Ludovica Josepha Helmans) in januari 1699 waren markies Arnold de Schenck, heer van Hillenraedt, en de 18-jarige dochter Anna Ludovica Francisca Josepha prinses de Nassau bij de doop aanwezig.

Ook na het overlijden van de vorst eind 1699 bleef het gezin Helmans in Roermond wonen. Nog vier kinderen zouden volgen, waaronder zoon Christianus.

 

Martin Hellemans stierf in september 1721 in zijn huis op de hoek van de Markt: in domo angulum in foro, vulgo Bona Faemina. (Zie ook verderop anno 1747.) Zijn vrouw volgde hem anderhalf jaar later, in maart 1723 in het graf. Toen advocaat P.H. Petit in september 1731 het achterliggende huis op de Varkensmarkt verkocht, werd het hoekhuis nog vermeld onder de aloude naam van De Moriaen. (Hoofdgerecht 328-f.74.)

Huis en hof waren toen al overgegaan op haar twee overgebleven kinderen Louisa (1699-na 1765) en Christiaen (1703-1732), elk voor de helft. Laatstgenoemde stichtte in mei 1728 een wekelijkse mis, te betalen uit de rente van twee kapitalen van respectievelijk 800 en 200 pattacons, die waren uitgeleend aan de Staten van het Overkwartier en aan baron De Bock. Indien mogelijk wenste hij zelf (zo het sijne hooghweerde den heere bisschop alhier gelieve) de eerste bedienaar van deze weekmis te worden.

Enkele dagen later liet Christiaen daaraan toevoegen, dat hij tot borg van deze stichting stelde de halve eigendom van het hoekhuis op de Markt. Ook al is het gichtboek over de jaren 1702-1708 verloren gegaan, soms geven de akten nog een extraatje toe. De inkt was nog niet droog, of de schrijver voegde er aan toe, dat het huis op 18 december 1704 door zijn ouders was aangekocht voor een bedrag van 1662 pattacons en 25 pattacons aan drinkgeld. Verkopers zijn dus C.L. Petit en zijn vrouw Maria Smeets geweest. Het achterliggende huis op de Varkensmarkt bleef nog geruime tijd op naam van de erfgenamen Petit staan tot voornoemde verkoop in 1731. (Hoofdgerecht 327-f.128.)

Christiaen Helmans, rector bij de carmelitessen, stierf in januari 1732. Hij woonde toen in het huishouden van zijn zuster. Krachtens testament verviel zijn helft in het huis op de kinderen van Louisa in huwelijk met Leonard Janssens, die zelf de wederhelft bezaten.

Anna Ludovica Helman was eind september 1720 getrouwd met Leonard Janssens, zoon uit het kinderrijke gezin van Willem Janssens en Helena Cox. In juni 1736 -bij zijn aanstelling tot accijnsmeester- stond Leonard Janssens voor eventuele schulden borg met zijn twee huizen, namelijk het huis aan de Kraanpoort (nu nr. 5), aangekocht voor 1040 pattacons, en het halve huis op de hoek van de Markt, dat na de aankoop nog eens was vertimmerd voor meer dan 700 pattacons. Daartoe stelde hij tot bijpand de rentebrief van 345 pattacons en het schiltjen nabij de windmolen in het Roermondse Veld. Het huis aan de Kraanpoort was afkomstig van Leonards ouders. Zijn vader had daarvan nog als weduwnaar het gebruiksrecht.

 

In november 1746 vermaakte het echtpaar Janssens aan hun zoon Joannes Josephus om te kunnen promoveren tot de geestelijke staat de helft van het huis op de Markt, waar zij toen woonden, en het kapitaal dat zijn oom had gesticht tot een beneficie tot de tijd dat hij als priester met een ander inkomen genoeg zou worden voorzien. Naderhand (1758-1764) zien we hem terug als pastoor te Sint-Odiliënberg.

In oktober 1747 wordt het huis zijdelings genoemd en wel onder de nieuwe naam (zie boven), zoals toen dus nog bekend als de Bon Femme. (Hoofdgerecht 332-f.66.)

In de derde generatie is het dochter Maria Sophia Janssens, in huwelijk met Reiner Beckers (1726-1793) die het huis op de hoek van de Markt overneemt. Evenals zijn schoonvader kennen we hem als accijnsmeester der stad. Bij zijn aanstelling in de accijnskamer staat hij in oktober 1770 borg met zijn huis buiten de Brugpoort en enkele rentebrieven. Naderhand was hij tevens in dienst als kerkmeester van de parochiekerk.

In 1784 nam het echtpaar Beckers-Janssens een lening op van 3400 pattacons bij de voogden van het kind van de weduwe Naus. Tot onderpand stellen zij o.a. een rentebrief van 2000 pattacons tot last van de pastorele goederen tot Cruchten, verder hun huis op de Markt en het huis aan de Kraanpoort. Daarbij verwierf het echtpaar de ganse winkel-inventaris van de weduwe Naus. In december 1791 werd het geld afgelost. (Hoofdgerecht 341-f.181.)

Rond 1800 stond het huis op de hoek van de Markt met het buurhuis nog op naam van de weduwe Beckers. Naderhand zijn beide huizen overgegaan op Mathijs Peter Naus (1770-1824), in huwelijk met Maria Helena Beckers.

Het echtpaar Beckers had het buurhuis in november 1786 voor 570 pattacons in gouden en zilveren munten op de openbare verkoop na de finale palmslag van advocaat Jan Baptist Dispa verworven. Het huis was gedurende drie generaties in de familie Dispa geweest. (Hoofdgerecht 342-f.162.)

Laatst gewijzigd: 07-07-2015

LMN 11. Het Duijfken
(deel van) Bergstraat 2
 

De herkomst van Het Duijfken...
De voorgeschiedenis van het hoekpand aan de put blijkt veel interessante gegevens op te leveren over enkele families van buiten de stad. In juni 1591 verkocht Michiel Huls uit volmacht van zekere Johannes Militis, geestelijke, de lege timmerplaats op de hoek van de Bergstraat en de Varkensmarkt, genoemd Fleutenplaats. Verkoper was als kanunnik verbonden aan de Sint-Maartensbasiliek te Luik (canonico Leodiensi ad st. Martinum). Na enig zoeken blijkt hij een zoon te zijn van Mylle Fleuten uit Roermond. Al in 1559 had hij van zijn moeder overgenomen een huis op de hoek van de Ezelstraat, de lege huisplaats bovenaan de Bergstraat en verder nog enkele stukken land. (GAR, Gijs van Bree: regesten 3586 en 3657.)

De huisplaats werd lastenvrij verkocht aan Eustache de laSaulx en zijn vrouw, die zich kort daarvoor aan de Markt hadden gevestigd. Vrijwel meteen daarop verkocht het echtpaar de huisplaats voor 250 gulden door aan Dyrck van Honthum en zijn vrouw Truye. (Hoofdgerecht 311-f.441.)

Na het overlijden van haar man hertrouwt Truije Stoffers met Maes Bartelmans. Zij timmeren een huis op de hoek bij de put, naast het ander huis, dat aan Dries van Houtum is overgegaan. Dries is de voorzoon uit het eerste huwelijk. In april 1600 verkoopt hij de nieuwe timmer met de plaats aan zijn stiefvader. Wel behoudt hij de kleine kelder onder het nieuwe huis. Verder zullen beide partijen van het heimelijck gemack gebruiken en onderhouden. (Hoofdgerecht 312-f.95.)

Dries is ondertussen getrouwd met Anna Lenen. In november 1602 verkoopt het stel hun huis op de Bergstraat, tegen het huis van Bartelmans, aan zijn halfbroer Guert Brouwers voor 1050 gulden. (Hoofdgerecht 312-f.133.)

Maes Bartelmans moet dan al hertrouwd zijn met Fijcken Coenen, of anders toch kort daarna. Zijn laatste maanden sleet hij in Buggenum waar hij aan de pest overleed. Dat was omstreeks 1605. Hij was door "de muiters" uit de stad verdreven. Vlak voor zijn overlijden heeft hij zijn testament nog herschreven ten gunste van Fijcken. Als weduwe behoudt zij voorlopig het gebruiksrecht op het huis. Begin 1613 vermaakt zij een legaat van 25 gulden aan de parochiekerk en een gelijk bedrag aan de huisarmen, te betalen uit haar huis aan de put. Nees Geerlings, de huisvrouw van Peter van Tits wist te getuigen, dat Fije handelde naar de laatste wil van haar overleden man. Zij had Maes, twee uren voor zijn dood, vanaf de heg bij het huis in Buggenum nog horen zeggen, dat Maes deze 50 gulden op zijn huis wilde zetten na Fijckens overlijden, en dat hij haar vroeg dit aan de familie door te geven.

Geurdt Maessen, Peter Bartelmans en Sill Crompvoets, alias Syll van Wijlre, wisten hier tegenin te brengen, dat Maes daarover niets had gezegd, toen hem de laatste sacramenten werden toegebracht. Zij stellen dan ook voor om het huis daarvan te vrijwaren en de legaten uit de roerende middelen te bekostigen. (Hoofdgerecht 312-f.116 en f.188.)

Het duurde dan toch nog ruim twintig jaar alvorens de rechte erfgenamen het huis konden opeisen. In maart 1627 neemt Corst Vossen, samen met genoemde drie personen als naaste bloedsverwanten bezit van het huis van Maes Bartelmans zlgr. met de gebruikelijke handelingen, zoals het openen en sluiten van de deur, het vuur stoken, met eten en drinken enz. Vervolgens heeft de richter hen daarin gegoed. (Hoofdgerecht 314-f.162.)

Touwtrekken om het hoekpand bovenaan de Berg...
In juli 1627 verkochten Geurdt Maessen (alias Baeckhoven) uit Maasniel, Sill Crompvoets, schepen te Swalmen (als man van Billeke Maessen), en Geerlingh Bartelmans c.s. het halve huis op de hoek voor 612 gulden aan Evert Jacobs van Beeck en Marie van Cruchten. Ieder van hen was gerechtigd voor 1/6 deel; Geerlingh c.s. als kinderen van Peter Bartelmans van Melick zlgr. Het resterende 3/6 deel (aan de kant van Finemans) was aan Corst Vossen, hoefsmid, toegevallen. Hij was gerouwd met Heilken Beurskens alias Sillen. (Hoofdgerecht 314-f.168.)

Binnen twee maanden maakt Corst Vossen als buurman gebruik van zijn beschuldrecht met betaling van goud en zilver (te weten 1 goudgulden en 1 rijksdaalder). Daarbij toont hij een snutteldoeck vol met geld. De koper kan zich dan niet meer herinneren, hoeveel hij voor het (halve) huis heeft betaald, en vraagt drie dagen bedenktijd.

Later die dag doet ook Johan van Lierop de jonge, namens zijn vrouw Catharina Francken als naaste bloedverwant van haar oom Geurdt Maessen, gebruik van het beschudrecht. Hij telt 1 gouden reaal en 1 souverein neer als beschudgeld. Tevens vordert hij de koopakte op, om alle verdere kosten te kunnen voldoen. Hoewel Corst Vossen is opgeroepen om het beschud te aanvaarden, komt alleen zijn vrouw opdagen. (Uiteindelijk gaat het beschud van Vossen niet door en krijgt hij het beschudgeld in januari 1628 terug.)

Maar de zaak is dan nog niet beklonken. Marie Maessen (alias Baeckhoven), echtgenote van Thijs van Vlodrop op de Wijerhof te Maasniel, is als dochter van Geurd Maessen nader verwant aan de verkopers. Ook zij telt nog diezelfde dag goud en zilver neer, te weten 1 oude gelderse rijder en 1 rijksdaalder. Jan van Lierop protesteert en zegt geen beschud door een vrouw te accepteren. (Hoofdgerecht 314-f.169.)

Eindelijk een nieuwe eigenaar...
Jan Selissen
en zijn vrouw Jenneke Janssen van Beegden verkopen in januari 1628 hun helft in het huis bovenaan de Bergstraat en de voogden van het weeskind van Berndt van Lier en Jenne Selissen voor de andere helft aan Johan Worms en Marie van Rey voor 900 gulden. Van de koopsom zullen 400 gulden gebruikt worden tot aflossing van een lening ten laste van het minderjarige kind. Het huis grensde op de Bergstraat aan het erf van Johan Finemans en de gang van Jan Selissen en op de Varkensmarkt aan het huis van Corst Vossen. (Hoofdgerecht 314-f.176.) Worms had al een huis in de Schoenmakerstraat, dat hij had verhuurd aan Jan Wytlings.

Al in oktober 1621 vervoegden de schepenen Holtbecker en Bosman zich buiten de stad op verzoek van Jan Selissen naar een stuk land buiten Zwartbroek afkomstig van zijn ouders. Als rechte erfgenaam van Berndt van Lier had hij de akker meteen bezaaid, terwijl een deel al met reubmoes was ingezaaid. Tegelijk had Jan van Herkenbosch met paard en ploeg de andere helft op verzoek van Selissen beakkerd. Tenslotte heeft Jan Selissen al gravende met een schop de akker in bezit genomen. (Hoofdgerecht 314-f.13.)

In oktober 1639 verkopen de weduwe van Jan Selissen en haar dochter Grietgen een half huis op de hoek van de Bergstraat voor 530 gulden aan buurman Johan Worms, in tweede huwelijk getrouwd met Tryncken Selissen, als laatste hogers bij het uitgaan van de kaars. (Hoofdgerecht 315-f.164.) In november 1641 belasten Jan Worms en zijn vrouw het nieuw aangekochte huis met 200 gulden bij Anthonis Cruysancker.

Jan Worms heeft Het Duyfken als herberg en logement ingericht. In augustus 1650 wordt hij genoemd als een der nachtherbergiers die op eigen houtje bier voor hun gasten zijn gaan brouwen, tot nadeel van de stadsaccijnsen. Het brouwersambt wordt erop gewezen hier strenger op toe te zien. De overtreders wordt de wacht aangezegd, op straffe van een ame bier aan de armen. (Oud archief Roermond, inv.nr. 5.)

Het Duijfken valt ten offer aan de vlammen...
Bij de tweede grote stadsbrand gaat Het Duijfken aan de put op de hoek van de Bergstraat in vlammen op. In augustus verkopen de erfgenamen van Jan Worms elk voor zijn aandeel in de lege huisplaats, "door de stadsbrand vergaan, genoemd Het Duijfken", en het klein huisje ernaast voor 600 gulden aan Catharina Sillen. Bij de verkoop is ook een moestuin in De Ramen betrokken.
(Hoofdgerecht 317-f.161.)

Trijncke Sillen, weduwe van Jan Worms, verkoopt in september de afgebrande huisplaats voor 200 rijksdaalders aan Jan de Rees en Anneke Koeijvoets. Er zijn echter meer geïnteresseerden, zoals buurman Jan van Buggenum. Hij wil het pand, dat achterlangs aan zijn eigen huis grenst, kopen. Hij belooft de koopsom te voldoen plus alle verdere kosten. Naar oud gebruik telt hij het beschudgeld in goud en zilver neer (een dukaat en een halve rijksdaalder). Verder staat schepen Gerardt de Zoutelande garant voor hem. Beide partijen gaan daarmee akkoord en Jan de Rees draagt het huis vervolgens over aan buurman Jan van Buggenum en Hendricxken Jacobs; alles volgens de oorspronkelijke koopakte. (Hoofdgerecht 317-f.163-164.)

Maar ook buurman en wachtmeester Thomas Bordels, namens zijn moeder Francisca deVheer en haar kinderen, toont belangstelling voor Het Duijfken. Op vertoon van goud en zilver (een halve souverein en een halve rijksdaalder) belooft ook hij de volle pond te betalen met bijkomende kosten. Tot zekerheid toont hij de aanwezige schepenen in de herengaffel een neusdoek vol klinkende munt. Jan van Buggenum vraagt bedenktijd, maar gaat dan toch niet akkoord. Bordels van zijn kant geeft ook niet op, maar heeft uiteindelijk toch het nakijken. (Hoofdgerecht 317-f.168.)

"een huis beschudden"
Binnen jaar en dag na de verkoop van een huis of van land konden naaste (bloed)verwanten van de verkopers of naaste buren van het perceel de verkoop naar zich toe trekken. Zij dienden daarbij meteen als beschudgeld een gouden en zilveren munt neertellen bij het gerecht. Zij konden de koop vervolgens voor dezelfde prijs en onder dezelfde voorwaarden overnemen. Daarbij dienden zij wel de kosten die de koper al gemaakt had volledig vergoeden. Dit gold overigens ook na een openbare verkoop. Verwanten gingen voor buren.

De eerste kopers konden dit omzeilen door bij de aankoop zelf buiten de koopsom een stuk land aan de andere partij te over te dragen. Dan was immers sprake van ruiling van onroerend goed. Of verkopers lieten een van de kinderen het beschud aantekenen, die dan meteen aan de kopers doorverkocht. Beschudders mochten niet namens iemand anders of met andermans geld handelen. Een ander woord voor beschudden is "naasten".

 

Een rechtszaak tussen moeder en kinderen...
Het (halve) huis op de hoek van de Varkensmarkt en het Bergske werd in oktober 1678 door Willem Schippers (ook: Schepers) en Maria Vossen verkocht aan Jacob Ericx en Sibilla Schippers. Zowel aan de kant van de Varkensmarkt als aan de andere kant op het Bergske grensde het pand aan het erf van Johan Buggenom. Deze twee huizen blijven ook daarna afzonderlijk op diens naam staan. Buggenom is in zijn leven broedermeester en naderhand werkmeester geweest van het gewandmakersgilde. Na zijn overlijden staan de huizen in onverdeeld bezit op naam van de "geestelijke dochter" Maria Buggenom en haar neef Aegidius Ignatius Buggenom, kapitein van een compagnie voetknechten.

Was er in het verleden nog sprake van het huis boven aan de Berg aan de put, ondertussen werd het huis van Ericx gesitueerd op de hoek van de Berg tegenover de pomp (1681).

Bij testament, opgemaakt in december 1685, werden tot erfgenamen bestemd zijn voornoemde dochter en de kinderen van zijn zoon Gerard Buggenum (+ begin december 1685). Gerard Jacob Buggenum, rentmeester van het kathedraal kapittel, liet na zijn overlijden twee kinderen na uit zijn huwelijk met Isabella Lockerman. Na het overlijden van grootvader Johan van Buggenum ontstond al gauw onenigheid tussen de weduwe Buggenum enerzijds en haar schoonzuster, die aanvankelijk ook de voogden van de twee kinderen aan haar kant had staan.

De kwestie handelde over de rentebrief ten laste van Jacob Ericx en Sibilla Schepers. Om de aanbetaling van hun huis op de hoek van de straat tussen de huizen van Buggenom te kunnen bekostigen, had het echtpaar in oktober 1682 een startkapitaal van 400 gulden geleend bij hun nieuwe buurman. Volgens Isabel Lockermans, was daarvan het grootste deel van haar afkomstig. Zij en haar man stonden dan ook als mede-ondertekenaars onder het contract.

Na het overlijden van haar schoonvader bleven de renteaflossingen achterwege. Het bleek dat de geestelijke dochter zich ruimschoots met wereldse zaken bezighield. Uiteindelijk hadden beide vrouwen zich met elkaar verzoend. Dat blijkt uit het daarop volgende proces toen beiden eendrachtig lijnrecht tegenover de voogden van de minderjarige kinderen stonden. (Hoofdgerecht inv.nr. 179-1782.)

Nog in januari 1702 nemen Maria Buggenom en haar neef Egidius een lening op van 600 rijksdaalder bij het klooster MariaWee. Het geld is bedoeld voor het oprichten van een compagnie voetknechten onder het regiment van markies van Westerloo ten dienste van Zijne Majesteit. Tot onderpand stellen zij de geldheffers hun twee huizen op de Varkensmarkt en de Bergstraat. (Hoofdgerecht 322-f.156.)

Knopenmaker Haeff in Het Duijffken...
Nog geen half jaar later verkopen zij het tweede huis vanaf de hoek bovenaan de Bergstraat, genaamd Het Duijffken voor 200 pattacons en een ducaat drinkgeld aan de knopenmaker Leonardt van Haeff en vrouw Gertruijdt Graus. Het huis was kort voordien alsnog ontlast van bovenstaande lening.
Tien jaar later verkocht Buggenom ook het andere huis op de Varkensmarkt voor 830 pattacons aan schepen Coolen. (Hoofdgerecht 322-f.172 en 324-f.45.)

Het Duijfken wordt vererfd op hun kinderen Ida en Rutger van Haeff. De vrouw was in september 1711 getrouwd met Johan Willems. Haar broer was (vanaf 1720) werkzaam als kapelaan te Sint-Odiliënberg. Ida had grote geldzorgen. Haar deel in het huis was belast met 100 pattacons bij Peter Kouckermans, met 50 pattacons bij de O.L. Vrouwe-broederschap, met 23 pattacons bij de kinderen Schoenmakers te Thorn. Daarnaast had zij nog enkele andere schulden gemaakt.

Het was Ida niet gelukt om haar deel van het huis te verkopen, om daarvan bovenstaande schulden af te lossen. Zij bezat, samen met haar broer, anderhalve boender akkerland te Roosteren. De inkomsten hiervan zouden nog minder zijn dan de hoge jaarschat van 18 schellingen per morgen (dus minder dan 80 schellingen). Zij had er bij haar broer tevergeefs op aangedrongen (gepraempt) de grond te verkopen.

Uiteindelijk had de vrouw besloten om haar aandeel in de goederen over te dragen aan haar broer, mits dat deze ook de schulden zou overnemen. Aldus werd besloten. Het had wel nog even geduurd, omdat niemand ervoor te porren was om namens haar als momber op te treden. (Niet eens haar echtgenoot!) Uiteindelijk verzocht zij het stadsbestuur als hoofdmomber namens haar in deze te handelen. (Hoofdgerecht 326-f.44.)

Twee jaar later, in maart 1724 verkoopt Rutger van Haeff, ondertussen kapelaan te Roosteren, zijn ouderlijk huis op de Berg aan zijn zwager Johan Willems, namens diens twee kinderen uit huwelijk met Ida. Het huis was nog steeds met voornoemde lasten beleend. (Hoofdgerecht 326-f.141.)

Jacob Griffin...
Nog in juni 1729 werd uit dit huwelijk een zoontje geboren. Zijn peetoom was Rudtgerus van Haeff, pastoor in Saeffelen. Joes Willems stierf in maart 1742 in zijn huis op de Berg. Hij moet vrouw en kinderen overleefd hebben. De goederen gingen over op Syl Paulussen, zijn zussen en zwagers, kinderen van Willem Paulussen en Mettel Bongaerts uit Swalmen. Al binnen een maand wisten zij de nalatenschap van hun overleden neef te gelde maken. Zij verkochten de twee huizen op de Berg, naast elkaar gelegen, en het bijbehorende werkhuis aan de mede-erfgenaam Jacob Griffin. De huizen waren belast met een servituyt van uytganck aan het huis van raadsheer Kroonenbroeck, voorheen genoemd De Dry Croonen. (Hoofdgerecht 331-f.14.)

De aankoper beloofde de lasten op het sterfhuis, zoals hierboven beschreven, over te nemen. In juni 1744 verkopen Jacob Griffin en zijn eheliefste Maria Johanna Cos een van de twee huizen aan Francis Ruban en Gertrudis Oostermans. Het huis was alleen nog belast met een kapitaal van 100 pattacons bij de erfgenamen van schout Jacobs te Bree. Ook het recht van overpad had Griffin in oktober 1743 afgekocht. Bleef aan de kopers nog de som van 105 pattacons (boven op voornoemde last) te betalen. (Hoofdgerecht 331-f.44.)

Jacob Griffin had het recht van in- en uitgaan afgekocht voor 50 pattacons. Het poortje heeft hij laten weghalen en de doorgang dichtgemetseld, ter hoogte van de muren van buurman Ericx.

In augustus 1747 verkopen de voogden van de minderjarige zoontje van Francis Ruban het huis op de Bergstraat voor 300 pattacons aan meesterbakker Joannes Cremers en Petronella Delissen. Hiervan zouden 100 pattacons meteen bij de overdracht betaald worden, terwijl het resterende bedrag als lening op het huis zou blijven staan tegen een rente van 8 pattacons. Evenals bij de voorgaande overdrachten, zouden de papieren en documenten, die op het huis van toepassing waren, aan de nieuwe eigenaars overhandigd worden. (Hoofdgerecht 332-f.57.)

Barbier Jan Peter Kerner...
Dit was het derde huis vanaf de hoek van de straat. Het huis dat voorheen bekend stond onder de naam van Het Duifke, was ondertussen overgegaan op barbier Jan Peter Kerner en Catharina Cuijpers. Zij hadden hun huis belast met 150 pattacons bij Jacob Griffin. (Hoofdgerecht 340-f.53.)

Peter Kerner was in eerste huwelijk in september 1763 getrouwd met Anna Maria Raemaekers. De vrouw stierf binnen een jaar. In april 1765 hertrouwde hij met Maria Catharina Cuijpers (+ 1776). Uit dit huwelijk werden drie jongens geboren. In januari 1777 trouwde hij een derde keer, nu met Anna Catharina Alders. Kerner woonde zelf met vrouw en kinderen in zijn huis op het eind van de Steenweg.

In het verleden zagen we dat het huis al drie keer was verbonden met een ander huis. Begin 17e eeuw maakte het deel uit van een groter geheel afkomstig van Fleutenplaats. Na de stadsbrand werd Het Duifken opgekocht door Johan Buggenom, die achterom aan de Varkensmarkt woonde. Vervolgens werd het door de erfgenamen Willems samen met het buurhuis (van wijlen Vincent Willems) verkocht aan Jacob Griffin. Na 1800 staat Het Duifken met het hoekhuis op naam van de familie Wolff. Al in 1780 woonde de weduwe Wolff in het huis van Kerner op het Bergske. Naderhand werd het huis verkocht aan het echtpaar Schmitz-duPree om de hoek op de Varkensmarkt.

Laatst gewijzigd: 09-03-2016
KLM 12. De Drie Koningen
Schoenmakersstraat 1

Deze huisnaam onder de roep van De Drie Koningen komt in het archief van het Hoofdgerecht alleen voor in de akten van de 18e eeuw. Het was toen het derde huis in de Schoenmakersstraat vanaf de hoek Varkensmarkt. Nu is dat het tweede pand. Het kan niet anders, of een trotse vader heeft het pand naar zijn drie zoontjes vernoemd! De afbeelding links prijkt op de gevel van Steegstraat 7B.

Een groot deel van de stad was in vlammen opgegaan. De brand van 1665 was alom verwoestend en moeilijk te stoppen geweest. Velen begonnen zo snel mogelijk een nieuw onderkomen te timmeren. Anderen lieten de plek leeg achter.

Jan de Rees en Anneke Kouvoet kochten in september dat jaar een lege huisplaats bovenaan de Bergstraat. Voor de stadsbrand had hier het huis van Het Duifken gestaan. Voor de lege huisplaats werd toch nog een bedrag van 200 rijksdaalders neergeteld. Maar dan bleken plots de naburen links en recht ook geinteresseerd. Buurman Buggenum tekende beschud aan en het jonge stel kon uitzien naar een andere plaats in de stad.

Niet ver vandaar aan het begin van de Schoenmakersstraat was nog een plek vrij. In januari daaropvolgend kochten zij voor 325 rijksdaalders van Beelken Pauwelsen, de weduwe Puijtlinck, de lege huisplaats met de stenen. Niet dat de kopers zoveel geld in klinkende munt op zak hadden. In 1674 had Jan de Rees het volle bedrag afbetaald.

Pauwel Scheuven, de buurman aan de ene kant, had zijn huis kort voor de brand aangekocht. De huisplaats aan de andere kant was ondertussen op Adam Baenen overgegaan.

Terug in de tijd...
In juni 1616 verkochten Robert Collinor en Merie van Megen, echtelieden, enerzijds en Clara van Lemmens, verkopen een huis in de Schoenmakersstraat voor 1000 gulden Antwerps geld aan Henrick Roeders c.s. Het huis was gelegen tussen de erven van respectievelijk Lenardt Bussenmeckers en van Derick van Birgelen zaliger. Clara trad toen op met volmachten van de kinderen en erfgenamen van Marie's zuster, wijlen Clara Montenier-van Megen. Dat waren Clara's echtgenoot Jacques Montenier, koopman te Marseille, en haar schoonzuster Lucretia Montenier, in huwelijk met Melchior de Moucheron, woonachtig in Antwerpen. (Hoofdgerecht 313-f.210.)

Tevens werd Henrick Roeders bereid gevonden, om namens de verkopers het geld te innen van enig verkocht land te Roermond, Posterholt en elders. Roeders heeft niet lang plezier van zijn huis gehad.

Op zijn verzoek waren de schepenen Hoeufft en Moeits op die augustusdag 1617 naar de Schoenmakersstraat gekomen tot voor de woning van Roeders. Henrick vond het verstandig om zelf binnen te blijven. Hij maakte tegenover zijn laatste wilsbeschikking bekend. Voor de aankoop van zijn huis, had Henrick geld geleend, dat hij nog maar ten dele had afgelost. Hij liet vastleggen, dat na zijn overlijden zijn vrouw Marie van Daelen het huis mocht verkopen om daarmee de lening af te lossen. (Hoofdgerecht 313-f.246.)

Peeter Nelis was door Peeter Moilter van Straelen gemomberd om alsnog de 250 gulden te innen die wijlen Henrick Roeders volgens obligatie uit september 1616 hem schuldig was gebleven. Verder zou hij zijn lastgever kwitantie geven van het geld, dat uit de verkoop van het huis zou komen. (Hoofdgerecht 313-f.300.)

Marie van Daelen hertrouwde met Johan Horpusch. Omdat er geen kinderen uit eerste huwelijk waren, zou het halve huis toevallen aan de familie van de overledene, met name diens zuster Marie Roeders.

Johan kwam met de wilsbeschikking van Roeders opdagen. Zijn vrouw was daardoor gerechtigd het huis te verkopen, om van het geld de schulden af te lossen. Het Hoofdgerecht stemde ermee in en Roeders zuster werd in deze kwestie "een eeuwig stilzwijgen opgelegd".

Vervolgens werden op de kerk- en stadsdeuren plakkaten aangebracht, betreffende de daaropvolgende zitdagen en verkoping. Volgens getuigenis van de gerechtsbode Lambert Francken had niemand na de gerechtelijke periode van 6 weken en 3 dagen daarop gereageerd. Uiteindelijk ging het huis daarbij in volle eigendom over op Johan Horpusch als laatste hoger, en heeft de richter met de gebruikelijke handelingen het huis op hem overgedragen. (Hoofdgerecht 313-f.306.)

In augustus 1636 waren het de erfgenamen van Johan Horpusch en Marie van Daelen, die het huis in de Schoenmakersstraat verkochten. Johan Cueckhoven als weesmeester verkocht de halve eigendom, en Mr. Evert van Beeck namens de overige erfgenamen, verkocht de wederhelft. Het huis ging toen voor 1300 gulden over op mr. Dederick Coesvelt. (Hoofdgerecht 315-f.116.)

In juli 1655 draagt Magareta Patientie, de weduwe van meester-snijder Coesvelt, in erfwisseling over een huis achter de H. Geestkerk aan het echtpaar Heinicker. De koop wordt gesloten voor 100 daalders en anderhalve morgen akkerland. Haar voordochter Catharina, uit eerste huwelijk met Lins Simons, geeft vier jaar later, wanneer zij meerderjarig is, instemming tot de verkoop. Verder laat de jonge vrouw weten, dat zij uit de koopsom betaald is. In die tijd was zij in het kloosterleven ingetreden. (Hoofdgerecht 316-f.241.)

In november 1660 verkoopt de weduwe het huis in de Schoenmakersstraat voor 1700 gulden aan Jan Mullenaers, de goudsmid, en zijn vrouw Catharina Boenen. Verkoopster werd daarbij geassisteerd door de voogden van haar dochtertje Jenneke Coesveldt. (Hoofdgerecht 317-f.63.)

Ook de nieuwe eigenaars bleven niet lang in het bezit van het huis. Al in september 1662 verkocht het echtpaar Mullenaers het huis door aan Isabella Cannegieters, weduwe van zilversmid Derick Puijtelingh. De koopsom van het huis, gelegen tussen de erven van Ruth Smabers en Merrijcken van Birgelen, bedroeg 2100 gulden. (Hoofdgerecht 317-f.99.)

De weduwe Puijtlinck komt in de akten ook voor als Beel Pauwelsen. Zeven maanden na de stadsbrand, in januari 1666, verkocht zij de lege huisplaats met de stenen aan Jan deRees en zijn vrouw Anna Couvoets, alias Cornelissen. Beide partijen moeten elkaar goed gekend hebben. Een jaar later is Beel Pauwels getuige bij de doop van hun dochtertje Catharina deRees. (Hoofdgerecht 317-f.174.)

 

Jan deRees was in eerste huwelijk getrouwd met Anna Kouvoedt. De vrouw stierf in het kraambed in maart 1674, ofwel kort daarna. In oktober hertrouwde deRees met Catharina Frioz. Vervolgens trad hij een derde keer in het huwelijk met Aldegondis van Ulfft. Uit het eerste huwelijk bleven naderhand de dochters Maria en Gertrudis en hun broer Hendrick. Naderhand zouden diens weduwe en kinderen een opvallende rol spelen in het verloop van de geschiedenis van het huis in de Schoenmakersstraat.

In oktober 1674 trouwde Jan deRees in tweede huwelijk met Anna Catharina Fryos. Haar ouders kwamen we al eerder tegen bij de aankoop van het huis De Helm aan de Kraanpoort. Peter Friot en Anna Hompes moesten het huis echter overlaten aan burgemeester Peter van Wessem, die als aanverwant van de verkoper gebruik maakte van het beschudrecht.

Bij de doop van hun zoontje in 1675 werd onder de doopgetuigen genoemd Elizabetha Clara van Manderscheidt-Blankenheim, comitessa van Thorn, de stichteres van de Kapel onder de Linden (1673) aldaar.

Drie koninkjes in de Schoenmakersstraat...
In mei 1700 doen Johan Daemen en Maria deRees afstand van hun derde deel in Maria's ouderlijk huis in de Schoenmakersstraat ten gunste van haar vader, diens tweede echtgenote en hun kinderen. Het is voor het eerst dat in de akten de naam van De Drij Cooninghen opduikt.

Mogelijk zal Jan deRees die zo'n tien jaar daarvoor bedacht hebben. In zijn derde huwelijk werden drie dochters en daarna achtereenvolgens drie zoons geboren, respectievelijk gedoopt als Caspar Frans (*1685), Frans Melchior (*1688) en Frans Balthasar (*1692). Meestal werden die namen gegeven aan jongetjes die op of omstreeks 6 januari geboren werden. Hier was dat niet het geval.

Daemen en zijn vrouw doen tevens afstand van hun deel in de moeshof op de Schuitenberg en van al hetgene hen was toegevallen uit erfenis van Maria's overleden moeder Anna Coeroodt(!).

De overdracht werd door Jan deRees en vrouw vergoed met een som van 233 rijksdaalders. Hierop werd evenwel gekort het derde deel van de 200 pattacons, die tijdens het tweede huwelijk waren betaald tot aflossing van de oorspronkelijke koopsom op het huis. (Hoofdgerecht 322-f.027.)

Mogelijk werd de overeenkomst gesloten in verband met de ziekte en ouderdom van Jan deRees. Slechts enkele maanden later troffen de schepenen Bossman en Baenen hem thuis aan, ongesteld en bedlegerig, maar zijn zinnen nog helder. Op verzoek van oud-burgemeester Cnop en zijn eheliefste, liet deRees vastleggen dat hij aan het echtpaar 200 rijksdaalders schuldig was. Hiertoe stelde hij tot zekerheid zijn woonhuis De Drij Coninghen in de Schoenmakersstraat en de moeshof op de Schuitenberg op de hoek van het straatje. (Hoofdgerecht 322-f.73.)

Zoals Maria deRees voordien al had gedaan, vermaakte haar jongere zus Gertrudis deRees (*1674) in maart 1711 haar derde deel in huis en moeshof aan haar stiefmoeder Aldegonda van Ulfft. (Hoofdgerecht 323-f.46.)

Het huis De Drie Koningen was zodoende in volle eigendom overgegaan op Aldegonda en haar kinderen. Zij neemt in oktober 1720 een lening van 200 rijksdaalders op bij de weduwe Mankers, met haar woonhuis tot onderpand. Die kinderen waren de eerwaarde heer Caspar Francis deRees, priester van het oratorium te Kevelaar, Agnes deRees, in huwelijk met Gielis Leemans, Francis deRees uit Tegelen, Helena deRees en haar man Matthijs Bruns, beide wonende te Weese. Het geld was deels bedoeld voor de afbetaling van de 100 rijksdaalders aan Gertrudis deRees, geestelijke dochter. (Hoofdgerecht 326-f.132.)

In september 1738 verkopen de erfgenamen van Aldegonda van Ulfft het huis in de Schoenmakersstraat aan Francis Vincken en Maria Barbara Theelens. Het huis De Drij Coningen was toen nog belast met 200 gulden aan de erfgenamen van Hendrick deRees, afkomstig van diens zuster Gertrudis, en met 200 pattacons aan de weduwe Straffen. Bovenop de koopsom van 350 pattacons, werd aan verteergeld betaald aan Helena en Agnes deRees elk een halve pistole en een pond thee. Genoemde lasten werden op de koopsom in mindering gebracht.

Johan Bernardt Schreurs, meester glasmaker, tekent als buurman nog diezelfde maand beschud aan. Voor het echtpaar Vincken zit er niets anders op, dan hiermee in te stemmen. Onder dezelfde voorwaarden en condities gaat het huis De Drie Koningen over op buurman Schreurs en zijn vrouw Maria Bongaerts.

In november wordt het huis afbeschud door de weduwe en erfgenamen van Hendrick deRees als verwanten van de verkopers. De overdracht vind eerst enkele jaren later plaats in oktober 1741.

Dan wordt de volgende stap gemaakt. De weduwe geeft met ingang van Pasen 1747 het huis De Drij Koningen in pandschap uit voor de duur van telkens negen jaar aan meester Francis Vincken en Maria Barbara Theelen. De pandsom bedraagt 148 pattacons. In ruil krijgt het echtpaar het huis in onberekend gebruik, alsof het hun eigendom is. Na verloop van negen jaar kon de overeenkomst door een der partijen opgezegd worden. Zoniet, dan werd de belening stilzwijgend verlengd.

Terugkijkend, komt het vermoeden op, dat hier met voorbedachte rade gehandeld was. Ook al waren er bijna tien jaar overheen gegaan. Toen de weduwe deRees beschud aantekende duurde het nog drie jaar, alvorens het huis aan haar en haar kinderen werd toegewezen. Direct doorverkopen was niet mogelijk. Men moest de beschudperiode afwachten.

Volgt dan nog een proces wegens de scheidsmuur tussen beide buren. Men kwam in maart 1752 overeen, dat de zijgevel van Vinckens huis gemeenschappelijk zou zijn. Schreurs mocht tegen de muur een kookhuisje plaatsen, maar niet hoger dan de muur van 8 voet hoog. De schouw mocht zo hoog zijn zolang de buurman er geen last van zou hebben. In alle bestaande ramen zouden ijzeren staven worden aangebracht. (Hoofdgerecht 333-f.216.)

Nasleep...
Een belening tegen onberekend gebruik, voorkwam opnieuw dat de buren beschud zouden aantekenen. Het huis van De Drie Koningen stond nadien op naam van de familie Vincken. De twee zoontjes uit dit huwelijk overleefden de kinderjaren niet. Besloten werd om de pandschap op het huis over te maken op wederzijdse families. Krachtens testament uit 1769 ging het deel van Francis over op zijn nicht Anna Maria Vincken. Het ander deel verviel op Maria Gertrudis Theelen.

Het huis gaat over op Joseph Backer en Anna Maria Vincken, in het doopregister ook Margaretha Vincken genoemd. Zij kochten de wederhelft van het huis, dat toen weer volledig op hun naam stond. Wanneer zij in februari 1781 een kapitaal van 200 pattacons opnemen bij de weduwe Meijer-van der Vrecken, stellen zij tot onderpand "het recht van beleeninge" van het huis De Dry Koningen. Verder waren bij deze belening twee stukken land buiten de stadsmuren betrokken.

Zij zouden het huis half uit testamentaire beschikking van Francis Vincken hebben en half uit aankoop van Maria Gertrudis Theelen, de weduwe Loosen. De twee stukken land werden in februari 1787 voor 130 pattacons verkocht aan Joes Walraeven en vrouw.

NB. De afbeelding van De Drie Koningen toont de gevelsteen van het huis Steegstraat 7B. In de historie van dat pand komt de naam van de drie wijzen uit het oosten niet voor. Sterker nog, op oude foto's uit 1960 ontbreekt deze gevelsteen. Die is er dus later ingemetseld. Of de steen afkomstig is van het pand uit de Schoenmakersstraat, is daarmee nog niet aangetoond.

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

MNO 13. Het Steenhuis met De Otter
Varkensmarkt 21
 

Eind maart 1490 belenen Heynrick van Stege en zijn vrouw Heilwig hun stenen huis op de hoek van de Schoemakersstraat en het halve huis De Otter daarnaast op de Varkensmarkt met 80 rijnsguldens bij Jacob Valcken en vrouw. Daartoe werd een jaarlijkse cijns van 5 malder rogge geleverd. (GAR, Gijs van Bree: regesten 1242, Hoofdgerecht 310-f.54.)

In mei 1575 laat Gerhardt Stockx, pastoor te Herten, beslag leggen op de plaats van het Steenhuis met de Otter op de hoek van de Schoenmakersstraat, en het huis Die Pelßlap, ten laste van Johan Seegers zlgr., wegens twaalf jaar achterstallige rente van 7 gulden en 24 Keulse witpenningen jaarlijks. Een half jaar later verkoopt de schuldeiser het erf op de hoek aan het kapittel van de H. Geest. (Hoofdgerecht 311-f.280 en f.286.)

Voorheen al hadden de schuldeisers van Johan Seegers, toenmalig pastoor te Herten, beslag laten leggen op genoemde timmerplaats. In maart 1563 tekende mr. Marten Baardtscherers namens het kapittel van de H. Geest arrest aan, na uitspraak van het gerecht. Dat mocht evenwel niet ten koste gaan van de overige belanghebbenden, zoals Johan Stock en het Gasthuis, die op de plaats een rente hadden uitstaan. (Hoofdgerecht 311-f.147.)

De plaats van Het Steenhuis en De Otter op de hoek van de Varkensmarkt en de Schoenmakersstraat is na de eerste grote stadsbrand tientallen jaren leeg blijven liggen. In 1584 wordt het perceel in delen verkocht. Van de Otter is dan alleen nog in de verleden tijd sprake. Tien jaar later duikt een nieuwe naam op, wanneer een volgende eigenaar op de hoek zijn huis timmert: Den Bonten Oß.

De naam De Pelßlappe duikt in 1589 voor het laats op. Johan Scherers laat dan vastleggen, dat zijn vrouw het huis na zijn overlijden mag verkopen, omdaarmee de schulden te betalen en het onderhoud van haar kind te bekostigen. (De Varkensmarkt werd in die tijd nog genoemd als onderdeel van de Steenweg. Een nadere omschrijving van het huis is niet te geven.) (Hoofdgerecht 311-f.423.)

In februari 1584 verkoopt Willem van Dijck, rentmeester van het kapittel, met instemming van de deken en de kapittelheren, Jan Segers timmerplaats met De Otter aan Dederick Solenmecher en Reiner Bastartz, beiden met de vrouw. Als derde koper wordt Christoffel van Kueckhoven genoemd wegens het huis daarnaast in de Schoenmakersstraat. Hij beleent het huis twee jaar later en tevens zijn aandeel in de plaats van De Otter met 90 gulden bij het kapittel. Dederick en Johan Solenmecher, dragen hiervan hun derde deel. In mei 1594 wordt de lening overgeschreven op Thijs Fleijsheuwers huis In Den Bonten Os op de hoek. (Hoofdgerecht 311-f.368 en f.387.)

Dan blijkt dat een ander deel van de timmerplaats ondertussen is overgegaan op het echtpaar Van den Eertwegh. In mei 1597 geeft Marie van Loozen, weduwe van Dries van den Eertwegh het halve huis tegen Den Bonten Oß voor 200 gulden in pand voor onberekend gebruik aan de bewoners Leonart van Wansum en vrouw. Zij doet dit tevens namens haar zoons Derick en Dries en met assistentie van hun ooms Leonart van Loozen en Joachim van den Eertwegh, om reden dat haar bouwvallige hof te Heijthuijsen opnieuw op te timmeren. Buiten de huizen in de stad was de familie vooral gegoed over de Maas in de dorpen aan de Leu. (Hoofdgerecht 312-f.59.)

Waarschijnlijk is dit hetzelfde halve huis tegenover de put, dat Dries van den Eertwegh en zijn vrouw enkele jaren daarvoor in mei 1581, met de helft van de huismeubels hebben gekocht van Jeuck Rijcken en vrouw Agatha. (Hoofdgerecht 311-f.340.)

Daarna duikt vooral de naam van haar zoon Derick geregeld op in de akten. Hij is dan getrouwd met Agatha Scherers, dochter van Hubert Scherers. Uit erfenis van zijn moeder verwerven zij een huis in de Brugstraat (zie verderop, nr. 37), en via zijn schoonfamilie een huis aan de Rodeborgh op de Markt. Beide panden worden al snel doorverkocht. Op hun beurt koopt het echtpaar een huis elders op de Markt aan de Swalmerstraat. Zijn oom, de (blauw)verver Jochum van den Ertwegh bezit dan een huis onderaan de Bergstraat. In november 1602 maakt hij met zijn vrouw hun laatste wilsbeschikking. De langstlevende van beiden krijgt de vrije beschikking om hun goederen te Nunhem (de Meulen Opleu), Baexem, Haelen of in de stad, naar keuze met 500 of 600 gulden te belasten, te verpanden, of te verkopen, zonder inbreng van de kinderen. De weduwe hertrouwt vervolgens met Bernard Haeck. Middels diverse overdrachten is de lijn nog enkele generaties door te trekken. (o.a. Hoofdgerecht 313-f.223 en 315-f.54.)

Ritmeester Dederick van den Ertwech en zijn vrouw Aghte Scherers verkopen in maart 1626 voor 475 gulden aan Guerdt van Bracht het halve huis op de hoek van de Schoenmakersstraat. Daarvan bezit Hendrick Greven de andere helft. Buurman Evert van Thoor tekent beschud aan. In 1627 verkoopt Fije Rijcken haar zesde deel in het huis In gen Wan voor 164 gulden aan Evert. (Hoofdgerecht 314-f.131, f.137 en f.171.)

Evert van Thoor verkoopt 4/6 deel in een huis op de hoek van de Schoenmakersstraat, genoemd De Waen, aan Jan Maurits en Mayken Welters. Verkoper heeft het huis als weduwnaar verworven. Het hele huis was belast met 60 gulden bij het brouwers-ambacht. In ruil geeft het echtpaar een morgen land in de Weerd en daar bovenop 300 gulden. (Hoofdgerecht 315-f.207.)

Jan Stoffers en vrouw Mettel Maurits belenen hun afgebrande huisplaats met de timmer die zij er op gaan zetten op de hoek van de Varkensmarkt met 250 gulden bij de kinderen Areth Nijssen. Het huis was al eerder belast bij het brouwers-ambacht. In april 1668 belenen zij het huis en andere goederen met nog eens 300 rijksdaalders bij Johan Velasco, ridder en superintendant van de Gelderse Rekenkamer. (Hoofdgerecht 317-f.206 en f.219.)

 
Een winde was een smalle doorgang tussen twee huizen, alleen te gebruiken door de bewoners (aan weerskanten). Bij eventuele uitbouw in de verdieping, werd meestal bedongen, dat een kooldrager met zijn mand op de schouder er nog ongehinderd door moest kunnen. ...dat een kaeldrager met een ganck groot en off starck koelen gelaeden, sonder die hooghte te geraecken, daer door sal moghen gaen... Het woord komt onder die betekenis in geen enkel oud (Middel-Nederlands) woordenboek voor. Daarnaast werd ook het woord gang gebezigd, wanneer de winde overdekt was.
 

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015 -. - -- - NOP 14. De Buijdel 15. Het Hoefijser 16. Die Croen
Varkensmarkt

Enkele huizen verderop richting Markt lag het huis De Buijdel. De tuin achter het huis reikte slechts voor de helft richting Lombardstraat. De volgende panden kwamen wel uit op de achterliggende straat. In 1581 werd Windell in Ghen Beudell als bewoonster genoemd. Tien jaar later ligt de vrouw ziek te bed in het huis van Gerit Bruijns.

Na de grote brand heeft Windell met haar man Peter In den Budell zlg. het brouwhuis en de kamer achter het huis getimmerd. Zij hebben toen de muur naast de winde aan de kant van Linnartt Hinßen alleen en op eigen kosten gemaakt tot voor aan de straat toe. Toen de huizen getimmerd werden, is Rabott In gen Wolff, toenmaals eigenaar van Linnarts erf, met Peter en Windel overeengekomen, dat Rabott de voorste winde aan de straatkant zal mogen intimmeren, waarvoor hij tussen de twee percelen een muur zal maken, die sindsdien aan beiden toekomt. Het (regen)water zal vervolgens over zijn erf aflopen.

Op deze plek beschrijven we de geschiedenis van vier, vijf huizen op rij. Het huis De Kroon stond een tijd lang op naam van Syll van Werdt, alias Syll in den Buydell. Tussen De Buidel en het Hoefijzer lag het huis van de familie Eggels, die ook in het bezit is geweest van Het Hoefijzer en een huis voorbij De Kroon. Vooral de weduwe Eggels en haar zoons waren nogal aktief in het onderling overdragen van hele en halve huizen over en weer.

Windell heeft haar ziekbed uiteindelijk overleefd. Jaren later wordt zij nog in diverse akten nog genoemd. Peter in Den Buydell en zijn vrouw waren in maart 1555 begonnen met het nieuw optimmeren van hun huis. Zij namen daarvoor een lening op van 100 gulden bij Gadert van Buell en vrouw. (GAR, Gijs van Bree: regesten 2789; Hoofdgerecht 311-f.69.) Ander geld kwam binnen door het belenen van land buiten de stadsmuren. Ook verwierf het echtpaar een huis achter Mariagarde uit erfenis van hun tante. Het huis werd verkocht.

Het huis De Croen lag pal naast Het Hoefijzer, richting Markt. Op het jaargeding van 1548 is sprake van het halve huis Die Croen, op naam van Ursula van Franckfoirt, gelegen op de Steenweg (lees: Varkensmarkt). In 1550 wordt 1/4 deel van het huis namens de jonkvrouwe, die dan in Keulen in het klooster van Sint-Mychiell woont, verkocht aan Wylhelm Kamerychs en vrouw Marie. (GAR, Gijs van Bree: regesten 1775 en 2035; Hoofdgerecht 18-f.55 en 311-f.17.)

Goert Eggels en zijn vrouw Catharina gaan een nieuwe gang (gaeth) maken, tussen hun huis (Het Hoefijser) en Die Croen van Sille in den Budel. Dat was in maart 1565. Hij zal de gang blijven onderhouden, zodat Sylle er geen hinder van zal hebben. Ook het hemelwater van zijn buurman mag hierlangs afgeleid worden. Tevens laat Goert weten, dat hij met de uitbouw achter zijn huis het licht bij zijn buurman niet zal benemen. (GAR, Gijs van Bree: regesten 4094; Hoofdgerecht 18-f.55 en 311-f.172.)

Het echtpaar Eggels had eveneens goederen te Horn. Tevens werd hen door Johan Wolters diens goed te Swalmen in het vooruitzicht gesteld en zijn overige bezittingen in de stad. Dit alles wegens de financiele hulp die hij van Geurd en zijn vrouw heeft mogen ondervinden en die zij hem noch wijders verschiete werde. (Hoofdgerecht 311-f.300.)

In juni 1568 verkopen Peter in Het Hoeffiser en zijn vrouw Anne zijn huis op de Varkensmarkt aan Geert Eggels en Catharina Tielen in ruil voor een lijfrente van 55 rijderguldens jaarlijks. Na overlijden van Peter of zijn vrouw worden hierop 9 rijders gekort. Daartoe stellen Eggels en zijn vrouw hun huis, gelegen naast De Croon van Syll van Werdt. (GAR, Gijs van Bree: regesten 4391; Hoofdgerecht 311-f.206.)

Een tiental jaren later zag Goddert Eggels dat hij niet lang meer te leven had. Samen met zijn vrouw stelde hij een laatste wilsbeschikking op. De langstlevende van hun beiden mocht de goederen binnen en buiten Roermond met liefst 1000 daalders belenen, om daarmee de gemaakte schulden te betalen. (Hoofdgerecht 311-f.307.)

Tussen De Buydell en Dat Hueffyser stond nog een huis, in 1578 op naam van Catharina Thielen, de weduwe Eggels. In maart van dat jaar droeg zij haar tochtrecht op het huis over op haar zoons Peter, Thonis en Mathis Eggels. Diezelfde dag verkochten de broers het huis met de plaats aan jonkheer Johan van Hoengen, Gulicks landrentmr. en zijn (tweede vrouw) joffer Anna Vinck. Precies zeven maanden later, vekocht het echtpaar genoemd huis aan Catharina Theelen terug. De weduwe op haar beurt, verkoopt het huis nog diezelfde dag aan Arnoldt Moerdtz en vrouw Truytgen. (Hoofdgerecht 311-f.308 en f.311.)

In december 1579 verkoopt Thonis Eggels zijn aandeel in Dat Huefyser aan zijn broer Peter en diens vrouw Naele, die de wederhelft van het huis bezitten. Peter Eggels en zijn vrouw verkopen vervolgens het hele huis aan Dederich van Asselt en vrouw Catharina. Derick komt in de akten ook geregeld voor als Dederich Schotten, zijn alias-naam. (Hoofdgerecht 311-f.308 en f.319.)

Waarschijnlijk hebben aankopers het huis op de Varkensmarkt vehuurd. Begin 1580 beloven Peter en Thonis Eggels, dat zij Peter int Hoeffiser jaarlijks 46 rijderguldens zullen betalen, als uitvoering van een overeenkomst die hij voorheen had getroffen met de ouders van de twee broers. Tot zekerheid stellen de gebroeders Eggels hun huis aan minderbroeders tot onderpand. Daarmee werd het huis Dat Hoefyser van deze jaarrente ontlast. (Hoofdgerecht 311-f.320.)

Naderhand zijn het de kinderen Schotten, die het huis in februari 1602 belenen met 100 gulden bij de kerkmeesters van de parochie. Met name worden genoemd, Dederich Schotten de jonge en zijn zusters Marie en Mette. (Hoofdgerecht 312-f.120.)

Na 1600 komen deze voornoemde huisnamen op de Varkensmarkt niet meer in de akten voor. Ook de gebroeders Eggels laten zich er niet meer zien. In de diverse akten werd hun broer Mathis telkens als uitlandig vermeld.

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015
OPQ 17. De Vleeshal
Markt
Tevens gedurende anderhalve eeuw de gaffel van het Kremersgilde.

Bij de eerste stadsbrand in 1554 ging ook de stadsvleeshal aan de Markt in vlammen op. Drie jaar later, in april 1557 schenken schout, burgemeesters, schepenen, raad, werkmeester en gezworenen van de stad de lege plaats met de kelde aan de kremers en kooplieden om daar een kremershuis te bouwen, waarvan zij de bovenverdieping als gaffel kunnen gebruiken. Beneden werd het gebouw voorzien van twee poorten en opnieuw in gebruik zijn als Vleeshal van de stad. (GAR, Oud Archief 1894-f.24; regest 1297.)

Gerard van Bracht getuigt in oktober 1599, dat wijlen zijn schoonvader Hendrick van Hasselt voorheen een vleesbank in het stads Vleeshuis wettelijk aan Gerard van Hasselt heeft overgedragen. Daarop verkoopt Leonard Reinharts, namens zijn vrouw Anna Koichs, de vleesbank voor 35 gulden aan de vleeshouwer This van Kelpen. (Hoofdgerecht 312-f.89.)

Gielis Halmans verkoopt in juni 1618 de eerste vleesbank rechts van de ingang, die hem tien jaar eerder door de Magistraat was toegewezen, voor 26 dubbele albertusguldens, of 52 zilveren philipsdaalders aan Peter Stevens uit Klein-Gladbach. (Hoofdgerecht 313-f.271.)

In november 1658 verkoopt zuster Gertruydt Peeters, al ingekleed in het klooster Godsweerd, maar nog niet geprofest, haar kindsdeel in haar vaders erfgoederen aan haar moeder Gertruijt Schoncken en stiefvader kapitein Peter Spee. Het land te Melick en de halve vleesbank in het Vleeshuis vallen daar buiten. Daar wil zij haar verdere leven vrij over kunnen beschikken, om eventueel te verkopen. (Hoofdgerecht 317-f.49.)

In augustus 1661 verkopen de dochters van Lambert In den Bonten Osch zlgr., met name Jenneken en de kinderen van haar zuster Lysbeth zlgr., geassisteerd door hun man en vader, per volmacht vanuit Amsterdam, voor 19 rijksdaalders een vleesbank aan Ruth Scheijven: de derde bank aan de linkerkant vanuit de Markt gezien. (Hoofdgerecht 317-f.74.)

In november 1663 besluit de Magistraat, dat Peter Goris aan huishuur van het huisje in de Vleeshal jaarlijks 27 gulden zal betalen. Juffrouw van Staveren mocht geen water naar het Vleeshuis afleiden. (A.F. van Beurden: Handelingen Magistraat.)

De broers Derick, Jan en Evert van Hove verkopen in april 1664, met instemming van hun moeder Heijlken van Gelder, die afziet van haar weduwenrecht, aan Areth Tinraedt de eerste vleesbank links, voor 43 rijksdaalders en een souverijn aan drinkgeld. (Hoofdgerecht 317-f.128.)

Laatst gewijzigd: 22-10-2017
PQR 18. In Het Gouden Hoofd
Markt

Rond 1585 het huis waar de smeden van de Sint-Elloy-broederschap hun gaffel hielden.

In maart 1563 verkopen Dierich van Kercken en zijn vrouw Ursula, ook namens hun moene Elysabeth van Baer en zijn neven Dierick en Johan van Cruchten, hun zesde deel in een lege bouwplaats naast het Vleeshuis aan de Markt aan Gaedert van Meyssenborgh en Bele. Het goed was afkomstig van Dries Aebkens (van Meyssenborgh) en verkopers hebben de plaats als laatste hogers gewonnen op het jaargeding. (GAR, Gijs van Bree: regesten 3990, Hoofdgerecht 311-f.166.)

Gaedert koopt een week later ook het deel van zijn gezwager Gaert van Reess en vrouw Barbara hun helft(?) in de lege huislaats naast de poortweg van De Eenhoorn en enkele maanden later het resterende deel van Reynaer Buydels c.s. De huisplaats was afkomstig van hun (schoon)vader Aebe van Mesenborch. (RG. 3997, RG. 3998 en RG. 4023.)

In maart 1584 stelt Arett van Meisenburgh een kamer boven in zijn huis aan de Markt voor 210 gulden ter beschikking aan het smeden-ambt om daar hun gaffel te houden. Voorlopig voor de duur van zes opeenvolgende jaren. Het geld wordt tevens gezien als een lening. Na verloop van de afgesproken termijn kan de overeenkomst met telkens drie jaar verlengd worden.

Ter bekrachtiging van de overeenkomst verzekerden Geritt Michels van Leeuwen, Geritt Metzmecher, Rutt Wackers, Goddertt van Roggel, Jacob der stadtsmitt, Johan Puill, Frans van Duren en Henrich van Oil, oude meesters van het smedengilde, met de hand op des heren roede, dat zij voor genoemde periode hun gaffel in het huis van Meysenborgh zouden hebben en nergens anders. Een plechtige gelofte werd ten stadhuize afgelegd met de hand op de staf van de hertog. In 1593 neemt het gilde zijn intrek in De Wolfskeel nabij de parochiekerk. (Hoofdgerecht 311-f.369.)

In januari 1588 geven Arett en zijn vrouw Gertruydt van Dulcken het huis in pandschap uit voor onberekend gebruik aan Mariken in De Leeuw, echtgenote in tweede huwelijk van Johan Aelertz. Na haar overlijden treedt Gubbel, haar voorzoon van Derick in De Leeuw, op in haar plaats. De panding kan met 150 daalders gelost worden. (Hoofdgerecht 311-f.408.)

In april 1599 laten Arett en zijn vrouw Gertruy van Dulcken beslag leggen op het huis, dat hun zwager Claes Bruynincx als weduwnaar bezit. Het duurt dan nog drie jaar tot november 1602, wanneer het echtpaar Meyssenborgh het huis aan de dochter Margriet Bruinincx overdraagt. De jonge vrouw was al geruime tijd van plan om in te treden in het klooster MariaWee. Door haar langdurige afwezigheid en daarna door het overlijden van haar ouders was er niets van gekomen. Met behulp van haar oom Goetsen van Dulcken maakte zij de grote stap in haar leven. Buiten de kosten van onderhoud, inkleding, bruiloft en mitgift voor het klooster, had zij ook nog meerdere schulden van haar overleden vader te betalen. Nu zij weer in het volle bezit is van de ouderlijke woning, verkoopt zij het huis met de plaats daarachter, de halve put, de afgesplitste tuin, verder de halve spijker tot op de poortweg van het zogenoemde groot huis op de Markt (richting Varkensmarkt) aan haar oom Goetsen van Dulcken. (Hoofdgerecht 312-f.134.)

In 1617 richt Aernt van Mesenborgh zich tot het Hof van Gelder wegens openstaande rekeningen ten laste van Ydo Gramay als landrentmeester. In die jaren waren enkele heren tijdens de kwartierdagen van Ridderschap en Steden bij hem komen tafelen. Daarvan waren nog twee rekeningen te betalen van respectievelijk 300 en 337 gulden. Eveneens had Arnt nog 56 gulden te goed van enkele inwoners van Cruchten, die in zijn herberg kost en drank hadden genoten. Het groepje was kort voordien in de stad geweest wegens een proces voor het Hof. (RHCL te Maastricht 01.004: archief Hof van Gelder Roermond, inv.nr. 301-391/392.)

De eerste vermelding van Dat Gulden Heuft is in een akte van belening in 1620, betreffende het huis van de buren. In 1622 hebben Reyner van Meyssenborgh en vrouw de lening afgelost. Kort daarvoor namelijk, in maart 1621 hebben Gaedert van Meyssenborgh, in huwelijk met Geertruydt Tielvoerens, en zijn zuster Margriet hun twee delen in het huis voor 2200 gulden verkocht aan Reyner van Meyssenborgh en Margarete Berckelers. (Hoofdgerecht 314-f.4.)

Reiner treedt in die tijd geregeld op als kerkmeester van de parochiekerk Sint-Christoffel. In september 1629 ligt hij ziek te bed. Per testament bestemt hij dat elk der drie kinderen 500 gulden krijgt uit de uitstaande kapitalen en dat de een van de ander zal erven, behoudens het weduwenrecht van zijn vrouw. Die kinderen waren zoon Christiaen en de dochters Geertruydt en Meriken. (Hoofdgerecht 314-f.203.)

Tussen de paperassem in het archief van de Staten van het Overkwartier bevinden zich vele rekeningen, die door de herbergiers werden ingediend, wanneer de heren van de Ridderschappen en Steden in Roermond bijeenkwamen om te vergaderen. Zij logeerden dan in de betere herbergen aan en nabij de Markt. Ook bij Margrieten im Gulde Huipt. De kwartierdagen duurden meestal een hele week, uitgezonderd de zondag. Vaste gasten waren dan de burgemeesters van Erkelenz, van Echt en Nieuwstad. (De gemiddelde prijs voor een doordeweekse maaltijd bedroeg toen 1 gulden p.p. Zonder de wijn overigens.)

Of die aprildag in 1632, toen de heren van hieruit zouden afreizen naar Venlo, om hun gouverneur graaf Hendrick van den Bergh te spreken. Niet vermoedende, dat deze toen al partij had gekozen voor de Republiek. Tien dagen later stond het leger van prins Frederick Hendrick voor de poorten van de stad
. (RHCL te Maastricht 01.001: archief Staten Overkwartier inv.nr. 811.)

De weduwe zit goed bij kas. Nieuwe leningen, zoals een kapitaal van 1000 gulden aan het echtpaar van den Kerckhove, "achterburen" in de Lombartstraat, die overigens dezelfde dag bij het klooster Mariagarde een nog grotere lening aangaan. In 1649 staat het huis nog op naam van de erfgenamen Meysenborgh, evenals het huis op de Steenweg.

De naam van Het Golden Heuft komen we nogmaals in 1664 tegen als buurhuis van het Vleeshuis. O.a. in 1672 staat het huis op naam van raadsverwant Christiaen van Meijsenborgh. (Hoofdgerecht 317-f.128 en 318-f.34v.)

De erfgenamen Baldeglesias...
Tien jaar later is er onenigheid tussen de bewoners van de twee huizen tussen het stadhuis en de vleeshal. Het geschil gaat over de waterafvoer, de afscheiding tussen beide erven en de inkijk bij de buren. Jan Arensbergh is met zijn vrouw en schoonmoeder in De Eenhoorn gaan wonen. Hij spreekt de weduwe Baldeglesias aan op de erfdienstbaarheid die al sinds mensenheugenis tussen beide huizen gewoon was. De weduwe van hofmeester (maiordomes) Johan Baldeijglesias, blijkt niemand minder dan genoemde Marie Meijsenbergh (1623-na1693) te zijn.

Het echtpaar Baldeijglesias-Meijsenborgh trouwde omstreeks 1640. Uit dit huwelijk is alleen zoon Reiner bekend. De overige kinderen zullen elders geboren zijn. Naderhand worden nog genoemd zoon Frederick en dochter Maria Margaretha, in huwelijk met Wichardus Poeijn. Het huis is een tijdlang verhuurd geweest. De weduwe is in 1680 of kort nadien in het huis van Het Gouden Hoofd aan de markt komen wonen.

De rechtsgang voor het Hoofdgerecht bracht geen oplossing en werd tenslotte voor het Hof van Gelder voortgezet. Uiteindelijk kwam men middels enkele scheidsmannen dan toch tot een overeenkomst, die ook voor komende generaties zou blijven gelden. Een gedetailleerde vastlegging hiervan werd opgenomen in het register van overdrachten. Omdat het hier een zaak tussen twee buren gaat, zal het geschil en het daaropvolgende besluit apart behandeld worden. We houden U op de hoogte over de procesgang. (Hoofdgerecht inv.nr. 170-1587.)

Huis en herberg van Het Gulden Hoofd gingen over op zoon Ferdinand, majordome, en dochter Maria Margaretha. De vrouw was getrouwd met de schepen en licentiaat Wichard Poeyn. Zij bleven in het huis aan de Markt wonen.

De zilversmid Hendrick Bedber in Het Gulden Hoofdt...
In oktober 1710, toen haar man en haar broer reeds overleden waren, verkocht de weduwe Poeyn, met instemming van de voogden van haar minderjarige kinderen, het huis voor 1720 pattacons aan Hendrick Bedber en vrouw Maria Catharina Crijnen. De helft van de koopsom zou aanstonds betaald worden en het overige geld als hypotheek op het huis blijven staan tot de aflossing. De weduwe Poeyn kon tot st. Remeis 1711 in het huis blijven wonen. Het huis was vrij van lasten, cijnzen en jaarrenten. (Hoofdgerecht 323-f.149.)

Het echtpaar Berber was in juni 1710 in het klooster van Maria Wee te Roermond getrouwd. Enkele jaren later in december 1714 kochten zij nog een tweede huis aan de Markt voor 840 pattacons van Hendrick van Reij. Het huis was belast met enkele oudere leningen en erfpachten. (Hoofdgerecht 324-f.201.)

De Emmerick
in de Neerstraat

Hendrick was oorspronkelijk zilversmid van beroep. Het is niet duidelijk hoelang hij daarmee de kost heeft verdiend. Naderhand, of kort daarna, dat moet nog blijken, nam het echtpaar Bedber zijn intrek in de gerenommeerde herberg De Emmerick in de Neerstraat van het echtpaar Van der Vrecken-Van Thoor.

Met st. Remigy 1727 is de huur van het huis afgelopen. Hendrick Bedber en Maria Crynen blijken achteraf bij slot van rekening nog 158 pattacons aan achterstallige huur schuldig te zijn. Dat geld hebben zij niet en daarom wordt in de zomer van 1631 de schuld omgezet in een lening, tegen een jaarlijkse rente van 4 procent. Tot onderpand stellen de echtelieden hun twee huizen op de Markt, Het Gouden Hoofd en Den Gulden Rinck (aan de Christoffelput). (Hoofdgerecht 328-f.45.)

De achterstallige huur werd in maart 1734 afgelost, zij het met een nieuwe lening van 200 pattacons, eerder die maand afgesloten met Jacob Jacobi, priester, wonende te Bree. Als onderpand werd Het Gouden Hoofd ingezet, waar het echtpaar onlangs was gaan wonen. Het huis was toen nog steeds belast met 800 pattacons als resterende kooppeningen ten behoeve van de weduwe Poeyn. Als bijpand werden het meubilair en andere goederen in het betreffende huis aan de lening verbonden. Hiertoe behoorde ook "alle de gereetschap gehoorende tot het silversmeede ampt", alsmede de bedden, bedsteden, kasten, kist, het linnengoed, koper-, tin- en zilverwerk. (Hoofdgerecht 329-f.309.)

In de bijlage staat de volledige inventaris beschreven.
Minder goed ging het met de jaarlijkse renteaflossingen, waarmee het huis van Den Gulden Rinck aan de overkant van de Markt was belast. Uiteindelijk ging dat huis bij opgelegde verkoop over op het klooster van MariaWee, een der schuldeisers. Het klooster zorgde ervoor, dat het huis van alle erflasten werd bevrijd, om het vervolgens opnieuw bij opbod met de kaars te verkopen. (Hoofdgerecht 330-f.269.)
 

Logementhouder Jochams...
In juli 1749 leverde Gerardus Claeskens, huisdienaar, een akte van verkoop af op het stadhuis, afkomstig van de erfgenamen van de schepen en lct. Wichard Poeijn en zijn eheliefste Maria de Baldeglesias. Volgens die akte hadden de joffers Maria Margaretha Poeyn en Aldegonde Poeyn, met assistentie van raadsheer W. de Freneau en procureur Michiels als voogden, hun huis naast de Vleeshal op de Markt verkocht. Voor 1040 pattacons waren Ludovicus Jochams en zijn vrouw Hendrina Vrijmoet de nieuwe eigenaars van Het Gouden Hoofd. Van de koopsom waren 640 pattacons direct bij de overdracht betaald en de resterende 400 pattacons zouden volgen met St. Remigius (1 okt.). Hetgeen volgens kwitantie van die datum ook promptelijk gebeurd is. (Hoofdgerecht 332-f.214.)

Menige herberg had in de loop der tijd zijn deuren gesloten, of werd ondertussen gebruikt als gaam of winkelpand. Het huis van Het Gouden Hoofd was nog steeds in gebruik als herberg, waar somtijds ook openbare zittingen plaats vonden betreffende veilingen en dergelijke. (Zie o.a. Hoofdgerecht 337-f.3 en f.41.)

Naast logementhouder was Jochams in die tijd ook directeur van de vivres ende fourages van het leger in de stad. In die functie organiseerde hij de bevoorrading voor mens en dier in het garnizoen. Dat deed hij waarschijnlijk al sinds 1775. In 1780 verlengde de weduwe Timmermans de overeenkomst, wegens de levering van het brood voor nog eens drie jaar. (Hoofdgerecht 341-f.83.)

In maart 1780 beleenden Jochams en zijn vrouw hun huis Het Gouden Hoofd op de Markt tussen het huis van de raadsverwant Dispa zlgr. en de Vleeshal. met een bedrag van 300 pattacons in Franse kronen bij de advocaat L.J. Clout. (Hoofdgerecht 341-f.85.)

Huis en herberg worden vervolgens vererfd op zoon Jan Bernard Jochams, in huwelijk met Maria Catharina van der Renne. Rond 1800 was het huis verhuurd aan Jean Claessen, tanneur. Omstreeks 1805 gaat Het Guldse Hoofd over op Francois Bailly (1768-1829) en diens vrouw Maria Clara Timmermans (1776-1816), dochter uit huwelijk van Jan Th. Timmermans en Maria Johanna Jochams. Bailly, geboortig van Bethune, Frankrijk, wordt sindsdien geregeld als herbergier vermeld.

Bovenstaand detail van een ingekleurde tekening uit ca. 1815 toont dat de naam ook toen nog gangbaar was. Aan het pand van Beltiens naast het stadhuis is nog duidelijk te zien, dat de gang van het huis ondertussen bij de woning betrokken is. Opschrift op het huis rechts van herbergier François Bailly: "Societeit a la Guldse Heufd - Bailly". (Tekening particuliere collectie.)

Laatst gewijzigd: 13-09-2017

QRS 19. Het huis van De Eenhoorn
Markt
 

In februari 1550 belenen de gezwagers Andries van Meyssenborgh en Stoffer van Elmpt, beiden met de vrouw hun aandeel in het huis op de Markt naast het raithuys met een kapitaal van 55 daalders bij Egbert Hoffsmidt en vrouw. Andries heeft dan nog meer schulden uitstaan, zoals 107 daalders bij Dederich Braitz. Naderhand neemt Goswin Kremers de schuld over.

Een maand later is hun schoonvader Goswin overleden. Zoon Ahret Kremer gaat met zijn zwager een ruil aan. Stoffer van Elmpt verwerft diens aandeel in het huis Het Eenhoorn in ruil voor 1 morgen akkerland aan de beek te Leeuwen. In mei 1551 dragen Geryt Graess en vrouw Agnes (Kremers) hun andeel in voornoemd huis over aan Stoffer van Elmpt. Hetzelfde doen Geryt van Hasselt en Aleydis (Kremers).

Van de erfgenamen van wijlen Goessen Kremer zijn hierboven vier van de zes partijen genoemd. Vervolgens zijn het Peter van Bunde en zijn twee zusters Lysbet en Aletgen die hun zesde deel overdragen aan Andries van Meyssenborgh. Enkele maanden later in augustus 1551 dragen Driess en zijn vrouw hun twee delen in Het Eynhorn af aan Stoffer van Elmpt en Lysbet Kremer. Precies een jaar later verwerven Stoffer en zijn vrouw het resterende zesde deel in het huis van Aleitgen, dochter van Hupert van Bonne. (GAR, Gijs van Bree: regesten 2011, 2019, 2172, 2190, 2224, 2355: Hoofdgerecht inv.nr. 311-f.15, f.16, f.28, f.29, f.31, f.39.)

Goessen Kremer had ook het huis op de hoek van de Hoge Hegstraat, genoemd Munten-oirdt, verworven. In januar 1561 hadden de kerkmeesters van de parochiekerk hierop beslag laten leggen en vervolgens op het jaargeding verkocht aan Thijs van Hasselt en vrouw. (GAR, Gijs van Bree: regesten 3757: Hoofdgerecht 311-f..136.)

Verder had Goitze Kremer nog goederen te Roer nagelaten, zoals huis en hof, land en zand aan de Zandkuil, en ter plaatse ook bekend als Kremershegge, doelend op de grens met de vrijheerlijkheid Daelenbroek. In juli 1551 kochten Geryt Graess en Anne Kremer deze goederen van de overige erfgenamen. Diezelfde dag verkopen zij daaruit een halve bunder land aan Herman van Parloe en vrouw. Huis en hof met enig land, tussen 2 en 3 bunder groot, verkopen zij aan Johan van Swalmen en vrouw Itgen, pachters op Kruisbroerenhof. Ruim 3 morgen land en zand gaan over naar Thijs Beck en zijn tweede vrouw Katrine. (GAR, Gijs van Bree: regesten 2193 en 2194: Hoofdgerecht inv.nr. 311-f.29.)

Dries van Meyssenborgh en zijn vrouw kopen van de overige erfgenamen het huis Der Pellicaen achter de Muur aan de Koolstraat. Hij blijft zijn gezwageren daarvan nog 150 gulden schuldig. (GAR, Gijs van Bree: regesten 2215: Hoofdgerecht inv.nr. 311-f.30.)

 

De poortweg van Het Eenhoorn...
Tussen het woonhuis en Het Gulden Heuft lag de poortweg van Het Eynhorn, verderop met een muur gescheiden van buurmans erf. Diezelfde situatie is ruim een eeuw later na de tweede stadsbrand op de kaart van landmeter Jansen nog steeds hetzelfde. De naam van het huis komt in die jaren meerdere keren voor in de overdrachten; voor het laatst in 1619.

Stoffer van Elmpt is met zijn vrouw en kinderen in het huis blijven wonen. In mei 1554 beleent het echtpaar zijn twee huizen tegenover de H. Geestkerk met 200 gulden bij Johan Goltstein en vrouw.

Stoffer, zoon van Jan van Elmpt, was via zijn moeder Mette, een halfbroer van Thijs van Nunhem in de Brugstraat. Zijn vader trouwde in tweede huwelijk met Beele van der Kraicken. Hun twee zoons en twee dochters waren aldus resp. halfbroer en -zus van Stoffer. Naderhand zou er onenigheid ontstaan over de erfenis van hun halfbroer, o.a. wegens de verkoop van Het Einhorn.

In juli 1589 verkoopt Elisabeth Kremers, de weduwe Elmpt, wegens haar hoge ouderdom en grote nood haar huis Dat Einhorn op de Markt met de poortweg, schuur en stalling aan Frans van Wessem en Margareth Pullen. This van Nunhem, diens schoonzoon Wilhem Puill en verder Wilhelm van Elmpt als naaste verwanten van haar overleden man geven daartoe hun instemming. (Hoofdgerecht 311-f.426.)

Vier jaar later belenen Frans en zijn vrouw hun huis Dat Einhorn met 300 gulden bij hun zwager Willem Puyll. (Hoofdgerecht 312-f.16.) Daarvoor hadden Frans Vogels van Wessem en zijn vrouw al een huis op de hoek van de Pelserstraat gekocht achter het Bussenhuis. Kort daarop hebben zij dit huis weer doorverkocht aan Christopher Puytlinck namens diens ouders.

Volgens een akte, opgemaakt in augustus 1554, werd Arnt Vogels van Wessem als eigenaar van Het Einhorn genoemd. Hij was toen weduwnaar van Anna van Bulersom en hertrouwd met Anna van Lyth. Uit het eerste ehebedt waren twee kinderen gebleven, Aletgen en Frans, vernoemd naar de grootvader. Uit het tweede bed wordt naderhand nog de na-zoon Willem Vogels genoemd.

Frans Vogels en Margriet Pullen waren de ouders van Peregrinus Vogels, roepnaam Pelgrum, vernoemd naar diens oom Pelgrum Pullen. Peregrinus Vogels was o.a. pastoor te Nederweert, later aartspriester te Aken. Hij is vooral bekend als de stichter van de zogenaamde Vogels-beurs t.b.v. studenten uit de naaste familie. Rond 1900 werd de nieuw aangelegde straat tussen Minderbroederssingel en Minderbroedersstraat naar hem vernoemd.

In april 1603 gaan Frans van Wessem in 't Einhorn en zijn vrouw een vriendelijke overeenkomst aan met hun zwager Arnoldt van Meyssenborgh, weduwnaar van Griet van Wessem, wegens de strijdigen watervals op het erf van het Vleeshuis. Laatstgenoemde zal in het vervolg zijn regenwater naar Wessems stal mogen afleiden. Vandaar zal het water via de stal met het putwater over Wessems steenweg naar de Markt leiden en aldaar in de sijp aflopen. De muur tussen beider stal zal aan beiden toekomen. Frans van Wessem zal tevens zijn poortweg aan de Markt tot aan de eerste deur van zijn huis betimmeren en daartoe de balken in de muur van Meyssenborgh mogen koeten. (Hoofdgerecht 312-f.144.)

 

In september 1607 draagt Frans van Wessem zijn rechten op het huis over op zijn naaste familie. Vervolgens wordt het huis doorverkocht aan Frans van Wachtendonck en Anna Vogels. Buiten enkele aankopen van land is er verder niets te melden over het echtpaar. In juni 1626 blijkt Frans van Wachtendonck te zijn overleden. De weduwe Anna Vogels van Wessem blijft in het huis wonen. In juni 1649 verkoopt zij het huis voor 1000 gulden aan Johan Reypken (en Anna Pelgrom). Bij de verkoop wordt de weduwe Wachtendonck geassisteerd door haar schoonzoon Peter Clercx en dochter Margriet. (Hoofdgerecht 316-f.81.)

Binnen een maand tekent Johan Bosman beschud aan op de verkoop namens zijn kinderen met Beatrix Bisschops. Aan goud en zilver telt hij een schotse jacobus en een dukaat neer. De kopers gaan niet akkoord, omdat zij stellen, dat er van verkoop geen sprake kan zijn, maar van erfwisseling. Bosman beroept zich op het familierecht en belooft op de zaak terug te komen.

Vervolgens tekent ook jonker Johan Hillen, als ritsburgemeester namens de stad, beschud aan uit hoofde van nabuurschap. De stadsgaffel, het raadhuis, lag immers direct tegen het huis, dat voorheen bekend stond onder de naam van Het Eenhoorn. De burgemeester belooft, zoals gebruikelijk was, dat de gemeente voor alle kosten zal opkomen, inclusief hetgene de koper al aan het huis ontbuideld heeft. Maar ook deze keer, gaat apotheker Reijpken niet akkoord. (Hoofdgerecht 316-f.86.)

De magistraat van Roermond laat weten, dat Reipken de stalling aan zijn huis naast het stadhuis niet mag afbreken en dat hij "behoirlijcke inganck" zal laten, om de goederen daardoor als gewoonlijk naar achteren te dragen. Toen dus nog geen instemming van hogerhand. (A.F. van Beurden: Raadsbesluiten van de Magistraat, blz. 115; Oud Archief Roermond, inv.nr. 5.)

In 1661 belenen Reijpkens en zijn vrouw Anna Pelgrom hun goederen met 150 rijksdaalders, ofwel 375 gulden, bij het st. Agatha-klooster. Tien jaar later wacht de prior van het klooster nog steeds op de aflossing van het kapitaal. In de tussenliggende jaren (omstreeks 1650) is raadsverwant Johan Reijpkens hertrouwd met Geertruijt Bisschops. In november 1667 koopt, de weduwe Reipkens, een (afgebrande) huisplaats op de Steenweg. (Hoofdgerecht 317-f.209; inv.nr. 152-1244.)

Geertruijt Bisschops heeft uit het huis op de Markt nog 550 gulden tegoed. In april 1671 verklaren Martin Reijpkens en vrouw enerzijds en Henricus Bammelroij, ook namens de overige mombers van de minderjarige kinderen van wijlen peijburgemeester Johan Reijpkens, dat zij de weduwe jaarlijks een rente van 27 gulden en 10 stuivers zullen betalen. Tot zekerheid stellen zij het huis tot onderpand. Een half jaar later belenen Martin Reijpkens en vrouw Susanne Dens hun (2/3) aandeel in het huis en de inboedel met 300 rijksdaalders bij Justinus van der Veecke en Catharina Lovermans. (Hoofdgerecht 318-f.20 en f.34v.)

Omstreeks 1680 kwam hier Johan Arensbergh wonen. Hij was (in 1660) getrouwd met Jenne Kindt, dochter van marktschipper Hendrick Kindt en Gertruijdt Raemekers. Arensbergh was afkomstig uit Amsterdam. Daar woonde in elk geval zijn naaste familie.

 

Burenruzie met die van het Gulden Hoofdt...
De weduwe Kindt woonde bij haar dochter in huis. De herberg van Het Eenhoorn bestond toen niet meer. Dat was al niet meer ten tijde van de vorige bewoners. De poortweg was van een dak voorzien en betimmerd, zodat er geen doorgang meer naar achteren was. Ook niet voor de buren, om het hooi en stro in te schuren.

Met de buren van Het Gouden Hoofd, boterde het toch al niet. Beiden hadden overlast van de inkijk van de ander. Arensbergh bracht zijn schriftelijke klachten aan de weduwe Baldeglesias over middels procureur Croonenbroeck. Toen dat niet hielp, zocht hij de rechtsgang op. Ook daar kwam men niet tot overeenstemming. Arensbergh besloot de zaak aan het Hof van Gelder voor te leggen. Daar kregen zij het advies om de zaak middels scheidsmannen te regelen. Alzo gebeurde. (Hoofdgerecht 170-1587.)

Uiteindelijk werd in november 1693 een overeenkomst tussen beide partijen gesloten. Voor de gewezen peiburgemeester zal de zaak anders verlopen zijn, dan hij aanvankelijk beoogd had. (Wordt vervolgd.)

Het huis in de Brugstraat (tegenwoordig ook bekend als het gotische huis) werd in die jaren verhuurd aan het echtpaar Frencken, dat er zijn koopmanschap uitoefende. Een ander huis, gelegen aan de Zoutmarkt tegenover de ijzeren put, was in 1687 verkocht aan Johan Peus en vrouw.

In april 1750 verkochten de erfgenamen van schout Jacobs te Bree en diens eheliefste Joanna Anna Cruijsancker het pand tussen het raadhuis en "Den Golden Cop" voor 650 pattacons (en een souverein tot lieffenis aan juffrouw Jacobs) aan de eerwaarde heer J.F. Dispa (1691-1778), deken van de kathedrale kerk. De achterliggende tuin grensde enerzijds langs het erf van postmeester Wevelinckhoven en anderzijds aan het erf van het Vleeshuis, waarover de bewoners van het pand van oudsher de vrije in- uitgang hadden. Verkopers beloofde het huis binnen een maand te ontlasten van de 900 pattacons aan het klooster Mariagarde. Bij de overdracht was rentmeester Dispa aanwezig namens zijn broer. (Hoofdgerecht 337-f.48.)

Enkele jaren later stond het huis op naam van genoemde rentmeester en raadsverwant Jan Baptist Dispa (1708-1779), in november 1747 te Maastricht getrouwd met vrouw Maria Gertrudis Keuten. In februari 1755 beleende het echtpaar het huis bij Anna Maria Keuten, de weduwe Matthijs, met een kapitaal van 1100 rijksdaalders (ofwel 4400 gulden) Maastrichtse koers. De notariele akte werd aldaar opgemaakt en kwam zodoende pas vele jaren later ter sprake in het gichtboek van Roermond. (Hoofdgerecht 341-f.40.)

Elf jaar later namen J.B. Dispa en vrouw nog een lening op van 500 pattacons bij het echtpaar Kroonenbroeck; opnieuw met het huis op de Markt als onderpand. Als bijpand stelden zij het huis van zijn zuster en een moestuin met boomgaard buiten de brug.

In november 1779 was de raadsverwant Dispa gevaerlijck kranck. Zijn schoonzus vreesde nu, dat het onderpand van de lening niet meer toereikend was en verzocht de raad om een momber aan te stellen om dit te onderzoeken en te regelen. Vrij spoedig daarop zou het huis dan toch vrij en onbezwaard zijn, volgens een verklaring van de raadsverwant kort voor zijn overlijden. (Hoofdgerecht 341-f.55 en f.79.)

"seekere oirt-huys van der Swalmekerstraete aen den Merckt..." Een huis op de oirt van de straat is een hoekhuis. Vergelijk: op Munten-oirt, of aan Lelien-oirt. Een oirt is 1/4 deel. Een straat heeft (meestal) vier hoeken. 4 oirtjes zijn samen 1 stuiver. Een oirt-daelder is het vierde deel van een daalder. Een reis naar verre oorden, (oorspronkelijk) een van de vier windstreken.

 

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

RST 20. In De Kraick
Markt

In april 1496 zat Dirck Saelenmecker opgesloten in de toren. Kort daarvoor had hij ruzie gehad met de waard in het wijnhuis van De Kraick. Daarop was hij thuis zijn hellebaard gaan halen en joeg hij vervolgens een ander persoon bedreigend naar buiten, waar het tumult zich op straat voortzette. Voor een bierhuis in de Steeg heeft hij nog andere personen willen aanvallen. Het gerecht legde hem een boete van 12 rijnsguldens op, te betalen aan de parochiekerk. Verder moest Dirck beloven op niemand wraak te zullen nemen. (GAR, Gijs van Bree, regesten 1454; Hoofdgerecht, oirvedenboek.)

Herkomst van het wijnhuis De Kraick...
De hoek van de Markt en de Swalmerstraat vertoonde in 1575, dus twintig jaar na de eerste grote stadsbrand nog steeds een open onbetimmerde huisplaats. (We zagen dat ook al op de hoek met de Varkensmarkt. Zie boven: De Moriaen.) In maart dat jaar verkochten de erfgenamen van schepen Johan Dryvener en Beel van der Kraicken de lege plaats van De Kraick, belendend aan de herengaffel, en de drie huisplaatsen achter Tollenersplaats tot aan de gang naar het raadhuis aan Gielis Kremer en vrouw Marian van Grevenich. Aankopers waren zelf eigenaars van de plaats op de hoek, waar voorheen Tollenershuis had gestaan. Een lening van 350 gulden bleef op genoemde goederen staan tegen een rente van 21 gulden jaarlijks. De lening werd in april 1584 afgelost, waarna verkopers niets meer van het echtpaar Kremer had te vorderen. (Hoofdgerecht 311-f.278.)

Een proces uit 1608 werpt ons ruim een eeuw verder terug in de tijd. Een cijnsbrief van 2 oude schilden jaarlijkse rente wordt door Dries Platvoets en vrouw overgedragen aan Heindrick van der Kraicken als meester van O.L.Vrouwe-kapel int Zand, af te lossen met 60 rijnsguldens, goed van goud en zwaar van gewicht. Een schild (= 2 rijnsguldens) is te heffen uit het huis van Huigen Hortmalijen aan de Markt op de Swalmekerstraeten-oirt. Het andere schild was te betalen uit een huis in de Hegstraat.

Naderhand was Frans Cremer al sedert 18 jaar achter met de jaarlijkse rente, staande op zijn hoekhuis aan de Markt, te betalen aan Jan Schaeden, de toenmalige bezitter van de zegelbrief. (Hoofdgerecht inv.nr. 110-221.)

De benaming Tollenershuis verwijst naar de familie Tollener, die het huis voordien in bezit heeft gehad.

De erfenis van een rijke oom...
We schrijven zomer 1603. De schepenen Strangen, Hillen en Dulcken hadden zich vervoegd naar Heinsberg ten huize van Gielis Cremer, oud maar nog goed bij zinnen, om aldaar "op verleende aarde" over te dragen aan diens broer en zus Frans en Anna Cremer het zogenoemde groot huis op de hoek van de Markt, naast zijn ander huis. Daartoe hoorde ook de moestuin achter Het Gulden Cruitz aan de overkant van de straat, met het recht van doorgang. Verder droeg hij aan genoemde twee kinderen van zijn broer Matthis Cremers zlgr. zijn aandeel in Tinnemeckers huisplaats. (Hoofdgerecht 312-f.147.)

Vervolgens droeg Gielis Cremers diezelfde dag over aan de broers en zusters van zijn overleden vrouw Marie, zijn huis op de Markt te Roermond tussen het stads wachthuis en het hoekhuis van Anna en Frans Cremer. Johan van Grevenich nam de koop aan voor zich en zijn consorten, met volmachten uit Keulen en Aken. (Hoofdgerecht 312-f.148.)

De schepenen waren niet voor niets naar Heinsberg afgereisd. Achter de hof van het hoekhuis, dat hij aan Anna en Frans Cremer had overgedragen, lag nog een kleine plaats van 8 voet breed tot aan het heimelijk gemak. Hierin waren de eigenaars van Het Cruytz vanouds gerechtigd. Van het gemak waren de fundamenten nog zichtbaar. (Naderhand zou deze plaats geruild worden voor de moestuin achter Het Cruitz.)


Uit een proces anno 1614 voor het Hoofdgerecht gevoerd wegens een schenking van 12 philipsdaalders stonden twee partijen tegenover elkaar: schout Stoffer Braetz, ook namens zijn oom Stoffer Kremer, en de overige erfgenamen van wijlen Jelis of Gillis Kremer, overleden te Heinsberg. Een erfdeling die ook voor het Hof van Gelder en vervolgens voor de Geheime Raad (Camere van den Secreten Raede) te Brussel werd uitgevochten. (Hoofdgerecht 116-378.)

Frans Cremers was een zoon van Matthias Cremers en Helwich van Wessem. Van zijn ouders had hij 5 tot 6 bunder land, beemden en weiden in de Weerd over de Maas, tegen de Hornergriend. Zijn zus Anna had daarvan de helft. In april 1608 beleende al zijn erfgoederen, van welke oorsprong ook, met 200 koningsdaalders, waarvoor hij jaarlijks 12½ gelijke daalders betaalde aan raadsheer Selis Kochs en vrouw. (Hoofdgerecht 313-f.3.)

Daarna leende hij nogmaals bij het echtpaar Koich een kapitaal van 100 koningsdaalders. Deze keer met de rente van de penning 16. Dat was een gangbare (maar hogere) rente. Naast genoemde landerijen wordt ook zijn aandeel in de Tollenersbaand genoemd en verder zijn huis in de stad, de bouwplaats en overige goederen. Hij blijkt erfgenaam te zijn, niet alleen van zijn ouders, maar ook van zijn ooms en broers en zuster. Zijn twee kinderen stemden in met de belening. (Hoofdgerecht 313-f.38.)

In november 1613 verkochten de erfgenamen Gevenich te Keulen, Houtem en Aken, hun huis aan de Markt voor 300 philips daalders aan Frans Cremer. Het huis was belast met een jaarcijns van 7 goudguldens aan de O.L.Vrouwe-broederschap en met 2 gouden schilt aan de huisarmen. (Hoofdgerecht 313-f.141.)

 

Ook het andere huis naast De Wacht had Frans Cremers verhuurd per 1 september 1615 aan de magistraat die het pand voor een jaar ter beschikking wilde stellen aan de vaandrig Jeronimo Casal, uit het leger van kapitein Juan Baptist Doria. De huur bedroeg 70 gulden, met inbegrip van hetgeen de magistraat aan Cremers nog schuldig was wegens de huurpenningen over 1614. Het pand naast het wachthuis moet dan de Kraick geweest zijn. (Oud archief Roermond inv.nr. 2.)

In mei 1616 liet Frans Cremer beslag leggen op het hout te Ool (dat via de Maasstroom vervoerd werd) ten laste van Matheus van Winthausen, koopman te Luik wegens een achterstallige rente van 100 gulden jaarlijks. De bedoeling was om het hout zo snel mogelijk van de arrest te vrijwaren om te verslepen. Tot zekerheid krijgt Cremers een rentebrief van 6400 gulden ten laste van de stad Dordrecht. (Hoofdgerecht 313-f.208-209.)

Het duurt enkele decennia voordat Frans Cremers weer in de overdrachten genoemd wordt als handelend persoon. In juni 1641 leent hij 1000 pond van het echtpaar Peters-Leenen. Door het bezwaarlijke krijgsverloop en de grote schade die hij geleden heeft en verder voor de verbouwing van zijn huis. In ruil geeft hij de geldschieters een stuk land in de Weerd in pandschap. Hij stierf voor het einde van het jaar. (Hoofdgerecht 315-f.191 en f.198.)

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

STU 21. In De Vier Heemskinderen
Swalmerstraat 1*
 

Komende vanaf de Swalmerstraat is het waarschijnlijk het tweede/derde huis aan de Markt. Slechts een keer komen we het huis in de overdrachten tegen onder de historische naam Die Vyer Heymskinderen. Dat was in september 1619 wanneer Reyner Houben, Koopman en schipper te Dordrecht, en zijn zwager Geurt Geurtsen, beiden met de vrouw, het huis uit erfenis van Jan Houben zlgr. voor 1600 gulden verkochten aan Johan Scherpkens en vrouw Nelisken. (Hoofdgerecht 313-f.274.)

Binnen twee weken tekende Dirick van den Ertweg namens zijn vrouw Aghte Scherers als naaste bloedverwant van de verkopers, beschud aan en werd de toekomstige ritmeester eigenaar van het pand aan de Markt. Vijf jaar later verkoopt het echtpaar Van den Ertwegh het huis voor 1700 gulden aan Mathijs van Leuwen en vrouw Anna Renckens. (Hoofdgerecht 314-f.37.)

In augustus 1597 waren Johan Scherers* alias Huben en vrouw Barbara nog 300 gulden schuldig, staande op zijn huis aan de Markt op de Swalmerstraat. In januari 1603 heeft hij de schuld afgelost. Verder terug in de raken we het spoor bijster. Het is niet duidelijk of het huis afkomstig is uit erfenis van zijn (schoon)ouders, of dat Scherers het huis middels aankoop heeft verworven. (*Niet te verwarren met zijn naamgenoot Johan Scherers, getrouwd met Enke Joosten.)

Thijs van Leeuwen was een zoon van Derick van Leeuwen en Thonia van Hattem, o.a. eigenaars van de Brandewijer te Maasniel. In februari 1624 koopt hij met zijn moeder een kamp van 5 bunders aldaar, gelegen onder de dingbank van Leeuwen. (Hoofdgerecht 314-f.66.) Naast (peij)burgemeester van Roermond (1625) was Thijs ook laatschepen van de Voogdij.

In juli 1627 kopen Mathijs van Leeuwen en Anna Reinkens van Mettel Molchter en haar kleinkinderen een huis met schuur en hofje nabij de Voogdij. (Hoofdgerecht 314-f.143.) Ook bezit hij een huis in de Brugstraat uit erfenis van zijn ouders. Hij stierf voor september 1628. In 1650 staat het huis op naam van (klein)zoon Thijs van Leeuwen.

Het verhaal van de vier Heemskinderen en het ros Beyart speelt zich af in Dendermonde in de tijd van Karel de Grote. In meerdere steden was naderhand wel een huis te vinden dat hun naam droeg.

*NB. Huisnummer onder voorbehoud.

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

TUV 22. In Den Wolfskeel
Markt 28*
 

Johan Mevissen alias Wolffzkele werd in augustus 1589 terloops genoemd. Het huis ernaast werd toen verkocht aan Hendrik van Aken. Op beide huizen samen rustte een last van 100 rijderguldens. Van toen af was alleen nog het huis van Wolffzkeel daarmee belast. (Hoofdgerecht 311-f.427.)

Enkele jaren daarna in juni 1592 beleende hij zijn land te Ool met 200 gulden. Hij stelde tot bijpand zijn huis aan de Markt. Een akte uit oktober 1593 hethaalt nog eens voornoemde gegevens. De last op het huis was te betalen aan de O.L.Vrouwe-broederschap in de parochiekerk en als bijpand werd het bezit te Ool ingezet. In een bijschrift uit 1648 werd vermeld, dat de lening door de voogden van de kinderen van Lins Simons zlgr. was afgelost. (Hoofdgerecht 312-f.5.)

Vanaf 1593 het huis waar het smeden-gilde van de Sint-Eloy-broederschap hun gaffel hielden.

Eveneens in 1593 geven Mevissen en zijn vrouw Marie Meerten een deel boven in hun huis voor 320 gulden in pandschap uit aan de meesters en ambachtsgezellen van de st. Loijen-broederschap, het smedengilde, voor de duur van 12 jaar. Mevissen zal het dak boven de gaffel op eigen kosten onderhouden. In de kelder zal hij zoveel ruimte vrij houden als nodig is voor 2 of 3 ahmen bier. Het bier wordt daar niet getapt, maar zal met het vat worden opgebracht. (Hoofdgerecht 312-f.20.) Voorheen kwam het smedengilde bijeen op de bovenverdieping van het huis De Rodenborgh.

In september 1598 bestemmen beide echtelieden, dat de langstlevende van hun beiden het huis met 300 daalders mag belasten, om daarmee de schulden te betalen. (Hoofdgerecht 312-f.76.)

In januari 1611 betalen de meesters en de gezellen 370 gulden om een deel van het huis opnieuw en onder dezelfde voorwaarden als gaffel te gebruiken. Deze keer voor de tijd van 6 jaar. Mogelijk moet de belening in april 1606 bij het smeden-ambacht eveneens als zodanig gezien worden. (Hoofdgerecht 312-f.194 en 313-f.55.)

In die jaren woonde schuin achter De Wolfskeel tegenover de hoogkerk het gezin van koster Matthias Wolfskeel. Directe verwantschap tussen beiden was er niet. Er waren nog twee andere huizen in die tijd met dezelfde naam, het ene onder aan de Bergstraat en het andere halverwege de Swalmerstraat.

Johan Meeuwissen stierf voor maart 1627. Enkele maanden later verkopen de erfgenamen het huis op de Markt aan Evert van Haeff, alias Metsemakers. In november 1629 verwierf Evert het resterende 16e deel. (Hoofdgerecht 314-f.194 en 314-f.55.) Het verhaal kan soms ingewikkelde vormen aannemen. Als buurman werd genoemd Lins Simons, schoonzoon van Marcel van Aeken. Een deel van het huis zou dan weer op hem overgaan. Dat gebeurde inderdaad in januari 1634. Dan verkoopt Hendrick in de Wolfszkeel het halve huis In De Wolfzkeel aan Laurens Simons en Neulke van Aeken, in ruil voor een morgen land te Maasniel plus 750 gulden. (Hoofdgerecht 315-f.76.)

In een akte uit maart 1650 wordt nog eens bevestigd dat het huis van Johan Meuwissen dan op naam staat van Lins Simons en Neul van Aeken, wegens een (afgeloste) lening van 200 hornse gulden op het huis. Lins stierf voor augustus 1651. (Hoofdgerecht 316-f.100.)

In april 1657 stellen François Simons en zijn vrouw Aldegonda Raps tot onderpand van een lening van 200 rijksdaalders hun drie huizen aan de Markt. Daarmee wordt een lening uit 1653 afgelost. Veertig jaar later, in juni 1696 wordt de lening afgelost door Laurentius Simons, kapelaan te Linne, mede namens zijn moeder en zijn zusters. (Hoofdgerecht 317-f.13.)

*NB. Huisnummer onder voorbehoud.

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

UVW 23. De Zeven Getijden
Grote Kerkstraat
 

In april 1522 schonk Johan Scryver, priester, aan kapelaan Seger van der Heze een jaarrente van 2 hornse postulaatguldens, met zijn huis "op den Oever" als onderpand. Daarvan zou dan elke maandag in de parochiekerk van Sint-Christoffel de Zeven Getijden gezongen worden. De rente zou elk jaar met Driekoningen, na midwinter, betaald worden. (GAR, Gijs van Bree: regesten 1620.)

Jaren later, in februari 1558 werd een huis, op de hoek van de Brugstraat, belast met een kapitaal van 106 gulden. Het geld was bedoeld voor het onderhoud van de getijden in de parochiekerk. Vervolgens heeft de pastoor, Diederich Haen, van het geld een huis gekocht Achter de kerk (nu: Grote Kerkstraat), tussen het huis van Geurd Pijll en Neess van Wessems huis, en werd naderhand het huis van De Zeven Getijden, of kortweg het Getijdenhuis genoemd. (GAR, Gijs van Bree: regesten 3421; Hoofdgerecht 311-f.113.)

Verder lag aan de kartuizer windmolen een stuk land tot onderhoud van de Getijden, en tussen de twee Roeren lag de zogenaamde Getijdenkamp.

In oktober 1618 is dan toch sprake van het huis, toebehorend aan Den Seven Getijden, achter de Hoogkerk, ofwel tegenover het kerkrooster. Het huis grensde tegen het huis van koster Matheus in de Wolfskeel. (Hoofdgerecht 313-f.275.)

In mei 1619 verkochten Adam en Peter Beeck, de laatste koopman te Amsterdam, hun huis tegenover de Wheem (pastorie) achter de parochiekerk. Het huis was belast met 2 hornse guldens aan de Getijden in de Hoogkerk. De twee broers hadden het huis uit erfenis van hun moeder Agnes van Wessem, kleindochter van genoemde Neess van Wessem in 1558. (Hoofdgerecht 313-f.289.)

In 1625 heeft Matheus Wolfskeel met instemming van de pastoor in de zijmuur van het Getijdenhuis zijn noodbouw met balken ingekoet en ingetimmert. Hij belooft dat hij het licht (de vensters) in de keuken van het huis aan zijn kant nooit met betimmering zal hinderen. Verder zal het water van het Getijdenhuis over zijn erf naar de straat afgevoerd worden, zoals vanouds al gebruikelijk was. (Hoofdgerecht 314-f.107.) Afbeelding: piëta uit de Christoffelkerk, Roermond.

Enkele kortlopende geldleningen worden bij de pastoor van de parochiekerk afgesloten, waarvan de rente besteed wordt aan het koor of De Getijden. Het geld was afkomstig van een donatie van joffer Anna van Baerlo aan de kerk, met de intentie van een wekelijkse mis. (Hoofdgerecht 314-f.150 en f.152.)

Naderhand is er nog slechts sporadisch sprake van het Getijdenhuis of van De Getijden zelf.

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

VWX 24. Den Alden Apotheek
Markt

De huisplaats van de Alde Apotheek voor de Hoogkerk liep in de volle breedte van de huidige bebouwing vanaf de Markt tot halverwege de "Christoffelstraat" (zoals de straat aan de Opperpoort in een ver verleden ook wel werd genoemd). In november 1579 vond de verdeling plaats tussen de erfgenamen Roeders, Cox en Montenacken. De akte in het verdragsregister van Roermond geeft belangrijke informatie over de familieverhoudingen i.v.m. stamboomonderzoek.

De eerste klocht bestond uit Vincent Roeders en zijn vrouw Bele, vervolgens Johanna Pollart als weduwe van Dederic Roeders en namens hun dochtertje Itgen Roeders, bijgestaan door haar tweede man Joes Froenhoven, scholtis van het ambt Montfort, en tenslotte Henrich Roeders voor zich en namens zijn broer en zuster, voorkinderen van Dederic Roeders. Het zijn de (klein)kinderen van het echtpaar Henrich Roeders en Anna Kocx.
De huisplaars van Die Alde Apotheke op een foto midden vorige eeuw.

De tweede klocht waren de zoons van het echtpaar Gerardt Kocx en Katharina Roeders, met name Gerardus en Christopher Koich. Als derde partij werd genoemd Marten van Sittard. Hij is mogelijk identiek met Merten van Montenacken van Sittard. Maar zekerheid daarover is nog niet te geven.

Genoemde erfgenamen verkopen het huis De Apotheker tegenover de Rodeburgh aan Marie van der Smitzen, dochter van Johan van der Smitsen en Beel Kocx. De koopsom zal o.a. worden gebruikt om de schulden op het huis af te lossen. Het resterende geld van Dederichs kinderen zal namens hen worden belegd.

Het pand is dan al over de lengte opgedeeld. Het huis aan de kerkzijde stond toen op naam van Stoffer Koich en Anna Visschers. (Hoofdgerecht 311-f.318.) Dit deel was afkomstig van Frans van Poll en Gertruy Coicx, zijn oom en tante. In mei 1576 verkochten Johan Koich en vrouw Itgen (Finemans) hun aandeel in het huis aan zijn broer Stoffer. Hetzelfde deden Gyrhard en Henrich Koich een maand later. (Hoofdgerecht 311-f.293 en f.295.)

Frans van Poll, schepen te Venlo, verwierf in juli 1557 van de raad van de stad de plaats van de school met de kelder tegen het huis van Dyrch Kocx met de plaats tegen "die Alde Apteken" om daarop te timmeren. Van Poll doet afstand van een erfrente van 6 hornse gulden t.l.v. de stad, van een lijfrente van 10 gulden en betaalt verder een bedrag van 100 philipsguldens eens. De kosten van het gelag, 40 kwarten wijn, werd door beide partijen half om half gedragen. (Oud Archief inv.nr.390 en regest 1300.)

Veertig jaar later, om precies te zijn in september 1596 laat de lct. Marcelis Koich, wegens een schuld van 328 gulden, beslag leggen op het halve huis van Marie van der Smitsen zlgr., gelegen aan de Markt tegenover de Waag. Het huis staat dan op naam van haar erfgenamen te Bommel. Enkele maanden later is de schuld voldaan. De verwijzing naar De Apotheker is dan al in onbruik geraakt en wordt sinds 1580 niet meer onder die naam in de akten vermeld. (Hoofdgerecht 312-f.53.)

In juli 1597 wordt het huis door de erfgenamen van der Smitzen verkocht aan Dederick van der Smitzen en vrouw Lysbeth. Ook nu worden de afzonderlijke erfgenamen vermeld. Joes Kolen doctor medicus en vrouw Bele van der Smitzen, Anthon van Kessel en in huwelijk met Marie van der Smitzen, Laurentius van der Smitzen en vrouw Heilken, Johan Bosman en Liesbeth van der Smitzen. Johan van der Smitzen en tenslotte Frans van Wessem, getrouwd met Berbken van der Smitzen.

Het pand met de aangrenzende tuin loopt door tot aan de nieuwe school. De toenmalige situatie van beide panden met de aansluitende school komt vrijwel gelijk overeen met de tekening op de kadasterkaart uit de 19e eeuw. (Hoofdgerecht 312-f.53.)

Marie van der Smitzen had het huis voorheen belast met een een cijns van 6 gulden en 5 stuivers, jaarlijks te betalen aan de kerkmeesters van de Hoogkerk. Deze cijns was af te lossen met 100 gulden aan de kerk. Dat gebeurde in 1602, waarna het bedrag door de kerkmeesters opnieuw werd uitgezet. (Hoofdgerecht 312-f.53.)

Het huis blijft op naam van de familie van der Smitzen staan, zoals het achterliggende deel nog in 1642 eigendom was van de erfgenamen van raadsheer Cocx zlgr. Lysbeth van der Smytzen is haar broer Francis nog geld schuldig. Na uitspraak van het Hoofdgerecht laat deze vervolgens beslag leggen op haar aandeel in het huis. Een half jaar later doet Derick Jaspers uit Dulcken hetzelfde. (Hoofdgerecht 315-f.209.)

In 1661 koopt accijnsmeester Christiaen van Berckeler, in huwelijk met Sibilla Ruijters het huis aan de Markt naast het wachthuis van het Corps de Guarde van de erfgenamen van der Smitzen en de mede-eigenaren in de Bommelerwaard, Tiel en Driel voor twee keer 450 rijksdaalders.

De wederhelft van het huis aan de zijde van den kirckroester was in augustus 1603 door Christoffer Cocx de oude, met instemming van zijn zoons Gerardt, Assuarus en Stoffer, ook namens hun broer Hendrick, met 208 zilveren philipsdaalders beleend. De zoons beloofden het huis niet te zullen verkopen zolang de lening niet was afgelost. Dat gebeurde pas door mr. Winand van Hinsbergh, getrouwd met kleindochter Sara Cocx. In september 1635 had hij de laatste aflossing betaald en heeft hij de zegelbrief terug in handen gekregen. (Hoofdgerecht 312-f.150.)

Vijf jaar later, in augustus 1640 verkoopt het echtpaar zijn aandeel in het huis met de achterliggende moestuin aan het kerkrooster aan Gerardt Cocx, auditeur van Z.M.'s garnizoen van Gelder en Gulick, en zijn vrouw Helena Schenck. Auditeur Gerardt Cocx was een kleinzoon van Marcelis Cox en Catharina Oitman. (Hoofdgerecht 315-f.177.)
Het kerkrooster is op deze foto, begin vorige eeuw, nog duidelijk te herkennen aan de twee zuilen die het hekwerk flankeerden. Derde huis links stond eeuwen terug bekend als Die Alde Apotheek.

Het echtpaar Cocx verkocht huis en hof in 1651 voor 2500 gulden en 3 gouden souvereinen ter vertering aan Gaspar Dupree, gezworen boekdrukker van het Hof van Gelder. Caspar duPree en zijn vrouw Aldegonda van Gelder belasten het huis aan den kerckrooster met 350 rijksdaalders bij het echtpaar Bisschops-Smeets. Daarvoor hadden zij het huis ook al beleend met 600 florijnen. (Hoofdgerecht 316-f.152 en f.170.) Naast armenmeester was duPree ook schepen van het Hoofdgerecht.


Foto Gemeentearchief Roermond, met dank aan Jos Cox, Maasniel.
grootformaat

Laatst gewijzigd: 20-02-2017

WXY 25. In De Vos
hoek Luifelstraat-Sint Nicolaasstraat
 

Tegenover het huis De Waag, op de andere hoek van het Visserstraatje, achter de Leuf stond het huis De Vos. In december 1565 belastten Herman van Lyn en zijn vrouw Agnes hun huis achter de Luif op de hoek van de Visserstraat, genoemd Den Voss, en nog een huis in de Neerstraat met een kapitaal van 108 gulden, tegen een jaarlijkse cijns van 3 malder rogge aan de meesters van de gewandmakers ten behoeve van het gilde. Aan de andere kant van het huis in het Visserstraatje lag een lege bouwplaats, waar voor de stadsbrand de drie Schrijvers huisjes stonden. (Hoofdgerecht 311-f.178.)

Herkomst van het huis In gen Vosch...
Het huis was afkomstig van de ouders van Agnes. In januari 1555 kocht het echtpaar het andere huis van (schoon)broer Geryth in gen Voess en vrouw. In 1559 werd de laatste nog genoemd als eigenaar van het huis achter de Luif. Herman van Lyn (1565: Herman in Den Voss) was in zijn leven (tijdelijk) ook meester van het kremersambacht. In 1565 en '68 is sprake van Herman in den Vosch achter de Luif, wat er op zou wijzen, dat hij inderdaad ook daar heeft gewoond.

Rond 1580 verwierf het echtpaar ook een huis aan het Munster en achter de Muur. In november 1587 liet Herman van Lin tevens beslag leggen op een huis in de Koolstraat wegens achterstallige schulden van de eigenaar. Hij stierf omstreeks 1590. In 1580 was er al sprake van Thonis in Gen Voss, getrouwd met Jutte. Zij kopen in september 1586 het huis Der Windtmeulen aan de zoutmarkt. Twee jaar later werd hij genoemd als meester van het kremersambt. Waarschijnlijk was hij niet de eigenaar, maar de huurder van De Vos.

In november 1593 namen Peter van Lin en zijn vrouw Barbara nog een lening van 124 daalders op De Voss, maar al drie maanden later verkochten zij het huis op de hoek van de Visserstraat voor 1228 gulden aan Dederich van Leeuwen en Anthonia van Hattem. De nieuwe eigenaars waren evenals het echtpaar Lin, binnen en buiten de stad, rijkelijk gegoed. (Hoofdgerecht 312-f.27 en f.29.)

*Meer over de hoeve Walravenshof, nadien Keijzershof, is te vinden elders op deze website.

Peter van Lin en vrouw Barbara waren ook nadien (mede)eigenaars van Walravenshof* te Lerop. Het huis in de Neerstraat, afkomstig van hun oom Leonard Heckx, werd vrijwel direct na de erfdeling verkocht. Verder was er nog het huis In Gen Croen in de Minderbroederstraat met brouwhuis, stalling, schuur, tuin en mistplaats. Daarnaast had het echtpaar nog een huis in Brugstraat en een lege huisplaats in de Swalmerstraat.

Het gezin van Peter van Lin was in Heinsberg gaan wonen. Voor en na werden de goederen in Roermond verkocht. Barbara kon het geld goed gebruiken. Haar man was wegens kundiger sinnen- en heufftzschwaickheidt niet meer bij machte nog zelfstandig te handelen. (Hoofdgerecht 312-f.99.)

Vanaf 1608 is sprake van Arndt of Arnold in den Vosch en vrouw Jenne (aen de Beeck). Maar het huis op de hoek van de Visserstraat stond nog in 1614 op naam van het echtpaar Leeuwen. Overigens had Arnold met consorten nog een huis op de Caniel. In mei 1613 kochten Arnoldt in den Vosch en zijn vrouw Jenne een huisje op de Berg. Tot die tijd had dit huis onderdeel uitgemaakt van herberg en brouwerij De Wolfskeel onderaan de Bergstraat. Een half jaar later wist hij middels het beschudrecht daar nog een tweede huis aan te kopen. (Hoofdgerecht 312-f.129 en f.139.)


Gerard Vossius
1577-1649

In maart 1614 schenken Arnold en Jenne aan de meesters van het kooldragersambt een huisje tegenover het klooster Godsweerd, om als armen-huisje te gebruiken. Zes jaar later sticht het echtpaar twee provenden aan het armenbestuur. Daartoe zullen elke zondag in de parochiekerk aan twee armen, een man en een vrouw, een aalmoes gegeven worden. (Hoofdgerecht 312-f.129 en f.150.)

In mei 1629 maakt Jenne aen de Beeck, weduwe van Arndt in den Vosch haar testament ten gunste van de kinderen van haar overleden broers. In een tweede testament vermaakt zij aan hun neef Gerardus Vossius, professor te Leiden, en aan secretaris Peter Bosman een legaat van 1400 gulden en overige goederen. Deze twee erfdelen komen we ook tegen in de stukken hieronder. (Hoofdgerecht 314-f.199.) Peter Bosman was getrouwd met Juet Byelen, dochter van Nijss Bylenmeker en Bele Vossius.

Het huis De Vosch komt na het overlijden van Arnolt en zijn vrouw Jenne in de akten niet meer als zodanig voor. Het duurt vervolgens nog zo'n dertig jaar, wanneer de erfgenamen uiteindelijk de bezittingen in Roermond van de hand doen.

De erfgenamen Vossius...
In mei 1657 verkopen Isaacq Vossius, mede namens de kinderen van zijn broer, verder de nog minderjarige Gerardt van Hinsberch, en tenslotte de voogden van de kinderen van Heijlken van Gelder en Areth van Hoeff zlgr. het huis achter de Leuff voor 700 gulden aan de kuiper Mathijs ten Broeck en vrouw Windel Saggers.
Van de koopsom blijven 175 gulden op het huis staan ten gunste van genoemde kinderen. De overige goederen, zoals het huis op de Bergstraat en een stuk land buiten de Nielerpoort worden zes jaar later verkocht. (Hoofdgerecht 317-f.14.)

De verwantschap met Gerardus Vossius is duidelijk. Arndt in de Vosch was zijn oom. De relatie met de overige erfgenamen is niet sluitend te geven. Een directe familierelatie met Jenne aen de Beck is niet gevonden. Wel komen enkele leden van de familie Hinsberch, alias Sadelmeckers wel voor als doopgetuigen in het gezin van haar broer Jan aen gen Beeck, maar dat is het dan. De verwantschap tussen Hinsberg en arnt van Hoeff, of Haeff, loopt via diens aliasnaam Metsemaeckers.

De familie blijkt ook goederen onder Maasbracht gehad te hebben. In september 1663 werden enkele akkers aldaar (bij elkaar ruim 13 morgen groot) verkocht namens de kinderen van wijlen Matthias Vossius uit Groningen en namens Isaac Vossius, historieschrijver van Holland en Zeeland, aan meerdere personen. (RHCL te Maastricht 01.016: archief schepenbank Echt, inv.nr. 35-f.67.v.)

Het huis ernaast werd in april 1660 door Steven van Vlodrop, in huwelijk met Anna Bosman voor 750 gulden verkocht aan Heijlken Nijssen, de weduwe Geurts. Opvallend is dat de lasten op beide huizen identiek zijn, en dus mogelijk van dezelfde herkomst. Zowel het huis van Vossius als het buurhuis is belast met een rente van 3 gulden aan het smeden-ambacht en met een jaarcijns van 16 stuivers aan de Sacraments-broederschap. (Hoofdgerecht 317-f.53.)

Een blik in het kasboek van de broederschap geeft dan de ontbrekende informatie over het huis achter die Leuff. In 1654 is dan nog sprake van een cijns van een rijnse postulaatgulden, ofwel 1 gulden en 12 stuivers, te betalen door de weduwe van secretaris Bosman, en anderzijds Aret in de Vosch en Wijnand van Hinsberg. (De cijns zou afkomstig zijn van Jutte in den Vosch, die rond 1600 in het huis op de hoek van het Visserstraatje woonde.) Dertig jaar later is de cijns half om half te betalen door Mathijs ten Broeck en Heijlke (Geurts) van Roer. Kijken we verder vooruit, dan wordt de cijns rond 1750 betaald uit de huizen van Lambert van Naemen en Peter Janssen. (GA-Roermond: Aanwinsten Maastricht, ongeordende stukken. Foto rechts, het pand op de hoek van Luifelstraat-St. Nicolaesstraat ca. 1980; fotoarchief GAR.)

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

XYZ 26. In Den Sterre
Luifelstraat
 

In november 1650 laat Jan Janssen-Monicx beschud aantekenen op zeker huis, onlangs door Lenardt Soutermans verkocht. De koper, Hendrick Janssen Knops, weigert hierop in te gaan. Munnicks stelt tot zekerheid zijn huis De Ster achter de Leuff als onderpand. (Hoofdgerecht 316-f.127.)

Janssen-Munnicx heeft het huis op de hoek van de Koolstraat eerder dat jaar gekocht van het echtpaar Croonenberch (te Venlo). Maar wanneer we er binnengaan, doet het vreemd aan. Dit is duidelijk niet de aloud bekende herberg In De Ster, waarnaar we op zoek zijn. Vreemd. Een andere inrichting. Een andere kroegbaas. Hetzelfde volk.

Al in juli 1486 is sprake van Claes van Breempt als waard in De Sterre. (Hoofdgerecht inv.nr 310-f.8; Gijs van Bree: Regesten 620) Hij hoeft overigens niet de eigenaar te zijn geweest. Kort daarop wordt Augustijn Cremers genoemd, die getrouwd is met de dochter in De Sterre. Dat zou dan de dochter van Claes geweest kunnen zijn. (Hoofdgerecht 20-f.29-30; Gijs van Bree: Regesten 911.)

In juni 1571 bestemmen Ahrent van den Velde en zijn vrouw Judith, dat de langstlevende van hun beiden vrij mag beschikken over het huis De Sterre achter de Leuff en het land aan de Nielerheide. (Hoofdgerecht 311-f.242.) Hetzelfde komen we zes jaar later tegen, in oktober 1577. Dan zijn het Claes Camps en Hendrixken van den Velde, dochter van voornoemd echtpaar. De langstlevende van hun beiden mag het huis in de Beggartstraat en genoemde akker verkopen. De langstlevende zal ook hun huis In den Stern mogen belasten met 200 daalders, ad 30 stuivers, om daarmee de lasten en schulden te betalen en de kinderen op te voeden. (Hoofdgerecht 311-f.308.) Het huis zal nog lange tijd in bezit blijven van Hendrickske, de weduwe in Die Kirch* op de Steenweg, en haar kinderen.

* Meer over de vrouw
in Die Kirch elders op
deze website.
 

De volgende akte uit februari 1590 heeft alleen zijdelings te maken met het huis De Sterre, maar lijkt wel interessant, wegens erfscheiding tussen buren en de afvoer van overtollig water. Hendrick van Tits verkoopt van zijn timmerplaats achter de Grauwe Thoren, tussen Den Stern en Aelmans huis, het achtste deel aan Johan van Campen, of Camps. Het betreft de strook over de volle lengte achter de tuin van Camps lopende vanaf de scheidsmuur achter Aelmans en Tueniss In gen Voss, lijnrecht op de stalling van De Ster.

Over dit deel zal ook het water van Aelmans en Tueniss en van verkopers plaats aflopen. Verder zal bekeken worden wat hiervan via het erf van De Ster kan aflopen. Ook na 1600 was de huisplaats van Hendrick van Tits nog lange tijd niet betimmerd. Waarschijnlijk nog als gevolg van de eerste stadsbrand in 1554, waarbij ook het huis De Ster in vlammen is opgegaan. (Hoofdgerecht 311-f.431.)

Voorheen lagen er in dit deel van de Luifelstraat, tussen het Visserstraatje en de Koolstraat vier huizen, of erven. Ondertussen waren dat er zes of zeven. De Ster, dat was toen het tweede huis vanaf de hoek met de Koolstraat. Niet het huis op de hoek.

De familie van der Camp belast zijn huis achter de Grauwe Toren met 800 gulden bij Arndt Pollarts en Catharina Cremers. Genoemd werden Arndt van der Camp, schout van het ambt Montfort, met instemming van zijn moeder Hendricxke van den Velde, zijn broers Jacob en Nicolaes en hun zwager rentmeester Ingelbert van Offenbeeck. Dat was in april 1616. Twintig jaar eerder was er sprake van Jacob in Die Staer, mogelijk voornoemde Jacob van Campen. (Hoofdgerecht 313-f.205.)

Het huis De Ster zou nadien overgaan op Arndt van der Camp en zijn vrouw Itgen Roeders. In mei 1633 staat het huis op naam van hun kinderen. Acht jaar later verkopen Derick Smidts en zijn vrouw het huis In Den Sterre aan Lambert Bisschops. De verkopers kennen we ook als Derick in De Moriaen en zijn vrouw Catharina Spee. Catharina was een zus van Gerardt Spee, schout van Echt, in huwelijk met Catharina Camps. De aankoop (omstreeks 1637) zal dus wel onderhands gebeurd zijn, want in de overdrachten is daarvan geen melding gemaakt. (Hoofdgerecht 315-f.152.)

In 1641 werd het huis, dat Lambert Bisschops toen had aangekocht, het tweede huis vanaf de Koolstraat, nog De Ster genoemd. Geen tien jaar later, blijkt de naam verbonden te zijn aan het hoekhuis ernaast. Dat verstoort het plaatje. Generaties lang staat een huis bekend als De Ster en dan moet men plots een deur verderop voor een pot bier. (Hoofdgerecht 316-f.99 en f.127.)

Maar het kan nog mooier. In augustus 1661 wordt een huis bij het opbranden van de kaars openbaar verkocht. Het huis is gelegen in de Brugstraat tussen enerzijds het huis van Jan Claessen en aan de andere kant het huis "waar De Ster tegenwoordig uithangt"! Het is geen poppenkast. Drie jaar later wordt dit huis in de Brugstraat nog steeds zo genoemd. (Hoofdgerecht 317-f.71 en f.130.)

Het huis van Lambert Bisschops gaat over op zijn zoon Gerardt Hendrick Bisschops, die in 1695 als eigenaar wordt genoemd. (Hoofdgerecht 321-f.37.)

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

27. In Den Sterre
Luifelstraat-hoek Koolstraat
 

We beginnnen nog eens opnieuw. In november 1650 tekent mr. Cornelis Hendricx in opdracht van zijn cousin Jan Janssen Monicx, maasschipper, beschud aan op zeker huis onlangs door Lenardt Soutermans verkocht. De koper, Hendrick Janssen Knops, ook maasschipper, weigert hierop in te gaan. Munnicx stelt tot zekerheid zijn huis In Den Sterre achter de Leuff als onderpand. Janssen Monicx is dan met zijn schepen geladen onderweg om afwaarts te komen (vanuit Luik). (Hoofdgerecht 316-f.127.)

Jan Janssen de Munnick blijkt in die jaren doende te zijn, om zijn geld, dat hij als maasschipper heeft verdiend, in huizen te beleggen. Het huis Den Sterre op de hoek van de Koolstraat heeft hij eerder dat jaar, in februari voor 1600 gulden aangekocht van Goddart van Croonenberch en Maria Bordels.

In Den Schele Borstel...
Het huis op de hoek van de Koolstraat stond lang voordien bekend onder de jolige naam In Den Schele Borstel. In december 1548 verkopen de erfgenamen van Arnt Passert hun huis Dat Scele Boirstell, achter de Grauwe Toren, op de hoek van de Koolstraat naast het huis De Ster, aan Johan Boyrdels en vrouw Jenne.
Het huis zal vervolgens een eeuw lang in de familie Bordels worden doorgegeven van generatie op generatie. De betreffende huisnaam komt in de overdrachten na de verkoop in 1548 niet meer voor. (GAR, Gijs van Bree: Regesten 1848 en 1849; Hoofdgerecht 311-f.5.)

Johan Bordels, aanvankelijk ook Wordels en Wurdels genoemd, bezit verder nog een huis in de Neerstraat en een huis op de Markt (tweede of derde huis vanaf de Hanegats). Het huis achter de Luif gaat over op zoon Gerard. Zijn vader stierf voor oktober 1585. In mei 1592 verkopen Gyrhardt Bordels, in Den Cuinckell, en Sophia Wolffs, het huis aan de Koolstraat voor 1250 gulden aan hun neef Gerith Bordels, Hendrikszoon, en Anna Vinck. Bij de verkoop waren nog een moeshof op de Eemsel en een moeshof op de Laeck inbegrepen. Verkopers woonden toen op hun goed De Koickell bij Huckelhoven. (Hoofdgerecht 312-f.4.)


de molensteen met de twee breuklijnen

Gerardt Bordels had namens zijn vader en samen met Tiel van Assell in Venlo een eersteklas molensteen gekocht bij Henrich van Nunhem, voor het lieve bedrag van 76 daalders. De steen werd per schip naar Roermond vervoerd en aldaar op een kar overgeladen met bestemming de Hellmolen. (Henrich Bordels en Tiel van Asselt waren elk voor de helft eigenaar van deze watermolen op de Roer.) Bij de aankoop in mei 1597 was ook Gerards zwager Aret Vinck aanwezig geweest. Volgens Otto van Grobbenfurst, de molenaar, vertoonde de steen twee breuklijnen. Twintig jaar later komen we Thomas Bordels tegen als mede-eigenaar van de bovenste molen op de Roer, samen met Gertruydt Nyckels, de weduwe van Marten Martels, voor de andere helft. (GAR, Hoofdgerecht inv.nrs 106-68 en 119-487.)

Uit het huwelijk van Gerard Bordels en Anna Vinck van Roosteren zijn drie kinderen bekend, met name Andries, Maria en Hendrik. De laatste is alleen bekend uit een akte uit 1616, waarin hij genoemd wordt als zijnde uitlandig. In 1610 moeten hun ouders in geldzorgen zijn geraakt. In september dat jaar liet Hendrick Swein beslag leggen op het huis achter de Luif, naast het huis De Sterre, wegens achterstallige betalingen. Middels een expres-bode werd Gerardt Bordels nog diezelfde dag hiervan op de hoogte gesteld. (Hoofdgerecht 313-f.48.)

Het huis achter de Luif, naast De Ster, was met ingang van Pasen 1597 in pandschap uitgegeven aan Marie van Buegel, de weduwe Maessen, voor telkens drie jaar, tegen een kapitaal van 600 gulden. Tot de aflossing toe behield de vrouw het huis in onberekend gebruik, mogelijk als haar woning. Twintig jaar later, in april 1616 lieten de erfgenamen van de weduwe Maessen weten dat Anna van Roosteren de pandsom had afgelost. (Hoofdgerecht 312-f.54.)

Het geld voor de aflossing was eerder die dag tegen een jaarrente van 37½ gulden opgenomen bij Agnes Maroyen, dochter van Johan Maroyen en Christina van Poll zlgr. (Hoofdgerecht 313-f.207.)

In De Drie Cronen...
Andries Bordels trouwt omstreeks 1615 met Francisca deVheer. Zijn zuster Maria Bordels trouwt ruim tien jaar later met Godefridus Croonenbergh uit Venlo, waar zij ook gaan wonen. Voorlopig staat het huis op de hoek van de Koolstraat op naam van Andries Bordels. Mogelijk dat hij daar ook woonde. Het duurt tot 1627 wanneer hij ook in de overdrachten genoemd wordt in verband met het huis. Of eigenlijk is het zijn vrouw Francisca, die bij afwezigheid van haar man, beschud aantekent op het huis van de buren.

In juni 1627 verkopen de voogden van Catharina, minderjarige dochter van Michiel Spee zlgr. de huisplaats achter de Luif voor 190 gulden aan Herman van Beesel. Zij betaalt boven de koopsom, de verdere kosten, zoals 13 realen voor de goeding, 3 realen wegens de kerkenroepen, 1 gulden en 18 stuivers (= 1% van de koopsom) aan armengeld, 3 stuivers als godspenning, en tenslotte het beschuldgeld in goud en zilver. Dat is nog eens een dubbele dukaat en een Luiker daalder. Bijna een jaar na dato ziet Bordels toch af van zijn beschudrecht en draagt de huisplaats over aan genoemde koper Herman van Beesel. Tussentijds heeft ook het echtpaar Doverach nog een poging gedaan om de huisplaats te verwerven, maar dat is blijkbaar niet gelukt. (Hoofdgerecht 314-f.164, f.165 en f.167.)

Eveneens in 1627 wordt Andries Bordels genoemd als waard in Die Drije Croenen. In januari 1627 krijgt hij van het stadsbestuur, de Magistraat, toestemming anderhalve aem bier te gebruiken voor sijne huijshaldinge ende nootturft tegen burgerman-cijns, elke twee weken. De cijns die hij als tapper en schenker betaalde, was waarschijnlijk hoger. (GAR Oud Archief Roermond, inv.nr. 3.)

In oktober 1636 verkopen de erfgenamen de erfgenamen van de weduwe Camps, alias die vrouw in Die Kirch, hun huis achter De Luif, bekend als De Ster, voor 1800 gulden aan Andries Bordels. Voor laatstgenoemde een kans om zijn huis op de hoek van de Koolstraat uit te breiden. Deze keer is het Dirck Smidts, getrouwd met Catharina Spee. Zijn vrouw is een zus van Gerardt Spee, een van de verkopers. Dirck Smidts, ook bekend als Dirck in De Moriaen, tekent beschud aan wegens verwantschap. (Hoofdgerecht 315-f.117 en f.119.)

Voor Andries Bordels zit er dan niets anders op, om te voldoen aan het beschudrecht. Voor hem gaat de koop niet door. In januari daaropvolgend doet hij afstand van het huis. In september krijgt hij een herkansing, wanneer hij van Alitgen Vorsterman, de weduwe Lindeman en kinderen het huis op de Varkensmarkt voor de lieve som van 6500 gulden. (Hoofdgerecht 315-f.140.)

Verkoop van het huis aan de Koolstraat...
Het huis achter de Luif, op de hoek van de Koolstraat gaat over op zijn zuster Maria Bordels, in huwelijk met Geurt van Croonenbergh te Venlo. Zij verkopen het hoekhuis, met de last van 600 gulden, in januari 1650 voor een bedrag van 1600 gulden en 2 souvereinen als drinkgeld aan mr. Cornelis Hendricx, procureur en notaris. Deze handelt daarbij in opdracht van zijn cousin Jan Janssen Monich en Maria Hillen.
(Hoofdgerecht 315-f.95.)

En opnieuw zijn er kapers op de kust. Deze keer probeert Jan Daemen de koop naar zich toe te trekken. Hendricx laat echter weten, dat hij wegens het plotselinge vertrek van zijn opdrachtgever, geen verdere aanwijzingen heeft gekregen, zodat hij niet op het beschud kan reageren. Wel gaat hij nog diezelfde week de koop aan van een stal, naast het huis. Ook dit keer namens zijn neef, Jan Janssen Munnicx, die als maasschipper onderweg is. (Hoofdgerecht 316-f.99.)

Uit de overdrachten blijkt vervolgens dat de naam van De Ster in de achterliggende jaren was overgegaan op het hoekpand. (Om precies te zijn tussen juli 1641 en maart 1650.) En dat bleef voorlopig zo. Jan Janssen Munnicx laat in de overdrachten vervolgens weinig of niets van zich horen. Jan Janssen Munnick was maasschipper tussen Luik en Dordrecht. In mei 1641 werd in laatstgenoemde plaats dochter Beeltje gedoopt, in de Ned. Ger. kerk van Jesus Christus. (DTB Dordrecht.) Hij stierf in 1665/66.

Marie Hillen zette de handel na het overlijden van haar man voort. In maart 1670 kocht zij een grote partij witzout ten bedrage van 866 gulden. Zij deed daarvan een aanbetaling van 180 gulden, maar het overige geld moest zij de verkoper schuldig blijven. Na meerdere aanmaningen liet Jacob Norenberg wegens de restschuld in mei 1671 beslag leggen op het huis Den Sterre te Roermond, toen op naam van de (zeven) kinderen van wijlen Marie Hillen.

Jan Rochus en zijn vrouw Ida de Munnick, bewoners van het huis achter de Leuff, tekenden protest aan tegen de beslaglegging op het huis, om reden, dat het hier een schuld betrof wegens roerend goed. Norenberg diende zich te richten tot de jongste zoon, die bezit had genomen van de schepen, het koopmanschap en overige roerende goederen. Deze zoon, eveneens Jan de Munnick genaamd, woonde in die tijd te Luik in het sterfhuis van zijn overleden moeder. Voor alle zekerheid, had hij de schepen op zijn naam laten zetten, om te voorkomen dat ze bij de tollen in beslag zouden worden genomen. (GAR Hoofdgerecht inv.nr. 152-1256.)


Omslag brief van Jan de Munnick jr. aan zijn zwager Jan Rochus, koopman te Roermond achter de Leuf,
met excuses dat het schrift zo slecht is, maar "de pen en docht neyt". En zo was hij welzeker van plan om bij te springen,
maar evenzoveel excuses, dat het hem niet wilde lukken.

In april 1675, drie jaar na dato, draagt de schout het huis De Sterre met de stallingen over aan Adolff Jacob Wilms en vrouw. De verkoop was een gevolg van een uitspraak van het Hoofdgerecht in juni 1672, in de zaak tussen Jacob van Norenberch (Neurenburch) uit Dordrecht tegen de erfgenamen van Maria Hillen, weduwe Munnicx. Jacob Wilms, kellener te Elsum, heeft het huis als laatste hoger bij openbare verkoop met de kaars verworven voor 1728 gulden. (Hoofdgerecht 318-f.89 en f.198.)

In mei 1695 laat Johan Wilhelm Wilms, namens zijn vader Adolff Jacob Wilms, kellener te Elsum, weten dat zij bij Johan Brinckman, namens de echtelieden Jan van Aestenbergh en Elisabeth Jacque, het huis In De Sterre, gelegen achter de Luif, hebben belast met 200 rijksdaalders. Kort daarop overlijdt de kellener van Elsum. (Hoofdgerecht 321-f.41.)

Het huis De Brabantsche Karre...
Keren we na vijf jaar terug in de stad om een bezoek te brengen aan De Ster achter de Leuff, valt meteen op dat de eigenaars een nieuw uithangbord hebben geplaatst. Enkele jaren terug hebben Servaes Coninx en zijn vrouw Elisabeth Jacque een kapitaal van 200 rijksdaalders afgelost, staande op het pand van de erfgenamen van de kellener Jacob Adolff Willems, "nu genaemt Den Brabantschen Waeghen". Waarschijnlijk hetzelfde huis, dat toch al in maart 1694 geregistreerd stond als "De Brabantsche Karre".

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

DCB 28. Int Mercktschip
Koolstraat

scheepje in Roerhaven

Verderop in de Koolstraat lag het huis Int Mercktschip. De eerste vermelding in de overdrachten komen we pas tegen in oktober 1596. En dan is er ook nog slechts zijdelings sprake van Immele int Mercktschip. Verder onderzoek wijst uit, dat achter die naam Ummel Kleynen, de weduwe Croenen (lees: Kronen) schuilgaat. (Hoofdgerecht 312-f.54.)

In mei 1613 verkopen haar erfgenamen het huis door aan Jacob Croenen en vrouw Gertruidt. Die erfgenamen zijn Peter Schietlings en zijn vrouw Sije (Croenen), Jacob Croenen jr. van Amsterdam namens Driesken Croenen, weduwe van Johan Wijnen. Het huis is belast met een rente van 5 gulden, jaarlijks te betalen aan Hillebrand Holtman. (Hoofdgerecht 313-f.128.) In die tijd moet dat het derde huis zijn vanaf de hoek achter de Muur.

Waarschijnlijk zijn zij niet zelf in het huis gaan wonen. Nog geen vier jaar, in april 1617, later verkoopt Gertuidt, middels volmacht vanuit Sittard en met instemming van haar zoon Jacob Croenen de jonge te Asterdam, het huis voor 1200 guden aan het echtpaar Wilhem Thijssen Mouts en Encken Gochen. (Hoofdgerecht 313-f.234.)

Toevallig wordt Willem Moetzen in februari het jaar daarvoor al genoemd als marktschipper. Het marktschip werd door het stadsbestuur, de Magistraat, verpacht, gewoonlijk voor de duur van 4 jaar. In 1633 koopt Johan Witlo, schipper uit Luik, van Hendrick Kindt en Dirck Melser voor 887 gulden en 2 tonnen goed Luiks bier een zogenoemde hoegard, waarmee voorheen het marktschip van Roermond heeft gevaren. Het marktschip was voorzien van mast, spriet en opstaande wand en een reep. Niet inbegrepen waren de twee tackels van de mast, de schrot en de gerden. (Hoofdgerecht 315-f.75.)


Hoegard of marktschip. (bron: Streekmuseum de Schippersbeurs / Elsloo-info)

Het echtpaar Moetsen verwierf in die jaren nog twee andere huizen in de Koolstraat. Eind 1609 was dat het huis van Jeuck Jeucken en zijn zoon Jacob, en Herman Haecx als mede-eigenaar. Het jaar daarop waren het de erfgenamen Peerbooms, die hun huis ernaast verkochten aan Willem Motz en Anna Roggen. (Hoofdgerecht 313-f.33 en f.47.)

Willem Thissen alias Motsen sterft voor maart 1624. Hillebrandt Holtman bevestigt dat Anna Rochen, de weduwe Motsen, voornoemde lening van 100 gulden, staande op haar huis Het Mercktschip, heeft afgelost. (Hoofdgerecht 314-f.70.)

In juli 1625 koopt de vrouw voor 200 gulden van Arendt van Hingen de lege timmerplaats gelegen tussen haar twee huizen aan de Koolstraat. (Hoofdgerecht 314-f.113.)

Daarna komt haar naam in de overdrachten niet meer voor. Het is niet duidelijk op wie de huizen van de weduwe zijn overgegaan. Ook de buren van 't Mercktschip geven niet thuis.


Op de Key eerste helft 19e eeuw (nu Roerkade). 1. gemeente; 2. J.L.Baudrihaye, koopman; 3. Willem Stienon, koopman; 4. kooldragersambt;
5. Marten Crevis, kleermaker; 6. Jozef Specken, koopman; 7. J.Schommers, herbergier; 8. Lamb. Janssen, koopman; 9. Jan Ant. Janssen, koopman;
10. J.J.Heijnen, herbergier; 11. Hendr. Frenken, kremer; 12. Reiner Schmitz, koopman; 13. Hub. Simons, kremer; 14. Lamb. Janssen, koopman;
15. Godfr. Lemmens, metselaar; 16. W. Verheggen, koopman.
A. Sint-Nicolaasstraatje; B. Koolstraat; C. de Gats, voorheen Spiesengats.
In de huizenlijst van 1812 heette het hier nog Achter de Muijr. In het kadaster van 1821 ondertussen genoemd Op de Key.
Detail aquarel [waarschijnlijk ten onrechte] toegeschreven aan C.H. Konings, 1818, GAR, Collectie Walenberg.
Op deze afbeelding berusten auteursrechten.

Totaalbeeld
Laatst gewijzigd: 20-02-2017
CBA 29. Sint-Nicolaes

In maart 1741 geven de erfgenamen van Gertrudis Vlodrop het huis, waerdat uijthanght St. Nicolaes, in pandschap uit aan Leonard Simons en vrouw voor de duur van negen achtereenvolgende jaren...

In de gichtboeken vinden we de naam Sint-Nicolaasstraatje, zoals tegenwoordig nog gangbaar, eerst vanaf oktober 1763. Mogelijk vernoemd naar de herberg bergafwaarts, waar in de eerste helft van de 18e eeuw de weduwe Pendris de scepter zwaaide. De herberg kwam toen vooral ter sprake als plaats waar een openbare verkoop werd gehouden.

Als huisnaam komt St. Nicolaes hier pas in 1734 in de boeken voor. Hoelang de woning van de weduwe Pendris dan als herberg openstond, is niet bekend. Daarvoor is het pand waarschijnlijk alleen als woonhuis in gebruik geweest, tenzij elders alsnog een oudere vermelding opduikt over de pleisterplaats voor de dorstlustigen.

Anna Gertrudis Wijnen was sinds november 1724 weduwe van chirurgijn Henricus Penders, of Pendris, met wie zij in januari 1719 was getrouwd. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen bekend. De herbergierster stierf in april 1754 in het Hospitaal Generaal.

Terug in de tijd...
We noemen hier terzijde het buurhuis
aan de Visserstoren. In maart 1656 weet de 26-jarige Thonis Beckers het zeker. Hij is meerderjarig en is van plan om elders zijn fortuin te maken. Hij laat de volle eigendom van het ouderlijk huis over aan zijn moeder Nees Thonissen, weduwe van Simon Beckers. In ruil zal de vrouw te zijner tijd een donatie doen van 50 gulden aan het armenhuis. Op haar beurt laat Neeske vastleggen, dat zij het huis weer aan haar zoon zal overmaken, mocht hij zich bedenken en weer thuiswaarts keren. (Hoofdgerecht 317-f.31.)

Dit is niet het onderhavige huis, maar toch vermeldenswaard. In die tijd is alleen nog sprake van een lege huisplaats aan het sijpken. In augustus 1658 verkocht Geertien Quicken, met assistentie van (haar oom) Peter Beeck, het erf aan de kerkmeesters van de Kapel int Zand. Daarmee werd een achterstallige jaarrente van anderhalve goudgulden ingelost. De betalingen waren al sinds 28 jaar achterop geraakt.

Die jaarcijns helpt ons om nog ruim een halve eeuw terug te gaan in de geschiedenis van het huis. In augustus 1595 verkopen Joost Scheijven en vrouw Jutte Bisschops voor 442 gulden een huis in de Visserstraat aan het echtpaar Erkelenz, die er al een eigen stukje grond hadden. Het huis was belast met anderhalve goudgulden zoals hierboven beschreven. (Hoofdgerecht 312-f.43.)

Op die februaridag in 1606 heeft Jacob van Erckelant heel wat zaken te regelen. Eerst draagt hij over aan zijn kinderen alles wat hem toekomt uit het sterfhuis van zijn schoonbroer Stoffer Stoffer. Die kinderen zijn dochter Lisbet, in huwelijk met Andries Quicken, en zoon Christoffer, getrouwd met Trijnen. Else Stoffers stemt daarmee in.

Hetzelfde gebeurt met hetgeen Jacob nog te vorderen heeft van wijlen Claes Heijnens en vrouw Truije Stoffers. Ook hetgene hij heeft te vorderen wegens de koopmanshandel van Stoffer van Straatsburg, en wat hij nog tegoed heeft van het erf waarop Trijnen Paulsen huis staat, omdat hij daar toch nooit enig nut van heeft gehad. En tenslotte herroept Jacob de (niet naarder genoemde) aktie die hij had ondernomen wegens het huis van Thijs Perboem zaliger, omdat hij die dag van de gaffel werd geroepen en nog aardig beschinckt was en tevens omdat zijn vrouw het er ook niet mee eens was. (Hoofdgerecht 312-f.191.)

Het echtpaar Scheijven heeft in die jaren ook het hoekhuis onder aan het Visserstraatje gehad, waar de kooldragers hun gaffel hielden. Het echtpaar Quicken had verder nog een huis tegenover de kerkhof van de Minderbroeders en een huis achter de Luif. Andries Quicken werd in oktober 1598 aangesteld tot wachtmeester der stad met een jaarsalaris van 200 gulden. Die functie is te vergelijken met het hoofd der burgerwachten. Na zijn overlijden in 1610 werd dit ambt (tijdelijk) niet ingevuld, vanwege de rustige tijden, het zogenaamde Twaalf-jarig Bestand. (bron: Donderdagse protocollen.)

Geertien was de dochter van wijlen luitenant Gerlach Quicken en Frederica van Ophoven. Haar ouders waren naar 's Hertogenbosch verhuisd. In die tijd was de jonge vrouw in dienst als kamenierster bij Margaretha Spies van Bullesheim, echtgenote van jonker Stefan de Geloes, heer tot Elmpt en Lobosch. (Hoofdgerecht 317-f.35 en f.37.)

Op hun beurt verkopen de kerkmeesters de huisplaats voor 30 goudgulden aan buurman Peter Tinot en Christina Crooneboom. Anderhalve maand later, komt Geertien terug op haar besluit. Zij tekent beschud aan op de lege huisplaats in het Visserstraatje en biedt aan de koopsom plus de overige kosten binnen 24 uur te voldoen. De huisvrouw van Tinot, bij afwezigheid van haar man, gaat akkoord, mits dat Geertien het huis voor zichzelf heeft beschud en niet namens iemand anders. Geertruijdt is bereid om onder eed te bevestigen, het huis voor zich te hebben gekocht.

Tinot vertrouwt de zaak niet, en spant een proces aan tegen Geertien. Hij heeft te horen gekregen dat de raadsverwant en peijburgemeester Ruth Scheijven belangstelling had voor de huisplaats. En Geertien zou de koopsom niet uit eigen middelen hebben betaald, maar geleend hebben van schepen Claessen. Geertien laat dan al doorschemeren, dat zij niemand verantwoording schuldig is. Het geld heeft zij verdiend als kamenierster. En wanneer zij de tijd rijp acht om weer te verkopen, zij daarin vrij is om het erf aan de hoogste bieder over te laten. (Hoofdgerecht inv.nr. 140-987.)

En inderdaad, in oktober 1659, precies een jaar en een dag na het beschud, wanneer de termijn verstreken is, verkoopt Geertien Quicken de huisplaats alsnog aan Scheijven. En buurman Tinot, kanonnier van het garnizoen in de stad, heeft het nakijken.

Na deze transactie is de huisplaats weer met de bijbehorende tuin samengevoegd. In juni 1643 had Linnerdt Beeck, met volmacht van Willem Linden uit Venlo, en namens zijn schoonbroer Gerardt Quicken de tuin, grenzend aan de kooldragers-gaffel, aan Scheijven verkocht. (Hoofdgerecht 316-f.8.)

De lege huisplaats met de moestuin waren afkomstig van Frans Heesen en Catharina Quicken, die het erf in september hadden 1633 beleend met een kapitaal van 200 gulden tegen een rente van 12 gulden. (Hoofdgerecht 315-f.69.)

Ruth Scheijven, zoon van molenaar Joost Scheijven uit Maasbracht, was omstreeks 1620 getrouwd met Catharina, dochter van Augustijn Raeps. Hun oudste, en na diens overlijden hun jongste kind, Judith (1641-na 1690), werd genoemd naar de grootmoeder. De huisplaats in het Visserstraatje ging uiteindelijk op haar over. Het is niet duidelijk of Judith Scheijven en haar man het erf hebben laten betimmeren, of dat haar ouders er al een huis hadden geplaatst. In beide gevallen, waarschijnlijk niet om er zelf te gaan wonen. (Volgens het trouwregister van Heinsberg was Ruth Scheijven uit Roermond eind mei 1618 getrouwd met Katharina Brewers, dochter van Reiner. Zij zal dus kort daarna gestorven zijn.)

Misschien ten overvloede: het huis was niet gelegen op de hoek van het straatje. Dat blijkt o.a. uit de situering van het huis van Besouwen, gelegen tussen het hoekhuis en t.a.z. het erf van Ruth Scheijven. (Hoofdgerecht 317-f.85.)

In september 1680 werd een huurcontract gesloten tussen het echtpaar Simonis en Gheret Cox, getrouwd met Maria Kirchraey, voor de duur van 12 jaar, eventueel halverwege op te zeggen. De jaarhuur, ingaande met Pasen, bedroeg 100 gulden, te betalen in halfjaarlijkse termijnen. Uit de clausule blijkt, dat het huis toen al openstond als herberg; overigens zonder dat de huisnaam van St. Nicolaes gebezigd werd: "...bie soe verre enneghe ghelaesers, dueren, ofte aenderssiens doer de drenckers ofte moetwielgers woerde vuetgeslaegen, ofte ghebroecke", dan zou dit voor rekening van de huurders komen om de schade te herstellen. Het kon er dus nogal eens ruig aan toe gaan in de herberg. In 1687 speelde een proces tussen Simonis en Cox, waarvan alleen het huurcontract nog resteert. Maar het is aannemelijk, dat de huurder onder de nieuwe eigenaars de herberg kon voortzetten. (Hoofdgerecht inv.nr. 180-1807.)

Eind 1685 verkochten Carsilius Gerardus Simonis, medicinale doctor, en Judith Scheijven het huis in het Visserstraatje, samen met enkele percelen land aan Hendrick Vlodrop en Gertruijt Cox voor 1400 gulden. Daar bovenop werd zoals gebruikelijk, aan de verkoopster als verteerpenningen 2 souvereinen en 1 ducaton betaald. Gertrudis was een oudere zus van de huurder Geraert Cox, beiden kinderen van brouwer Jan Cox in de Brugstraat.

De goederen waren kort daarvoor, in 1683 nog belast met een kapitaal van 200 rijksdaalders bij Jan Cnop, die zelf in de tussenliggende tijd gestorven was. Verkopers beloven dit bedrag binnen de tijd van 10 jaar af te lossen, zodat het echtpaar Vlodrop er naderhand niet op zou worden aangesproken. De aflossing geschiedt dan inderdaad door de weduwe Simonis in januari 1691. Dat doet zij niet in baar geld, maar middels haar aandeel in een rentebrief van 2069 gulden, te vorderen uit de bieraccijnsen van de stad. (Hoofdgerecht 319-f.254.)

Ter herberge van de wed. Pendris genoemd St. Nicolaes...
Het huis gaat naderhand over op hun dochter Gertrudis (1671-1738). Zij bleef ongehuwd en woonde zelfstandig als "geestelijke dochter", zoals wel meer ongehuwde dochters uit vooraanstaande burgerfamilies, die geen heil zagen in het strenge kloosterleven. Dankzij hun uitgebreide bezittingen, meest uit erfenis, konden zij een zelfstandig leven leiden. Zij waren vaak belezen en wisten behoorlijk hun (financiële) zaakjes te regelen.

Het is in die jaren (1735-1741), dat het huis in het Visserstraatje geregeld werd genoemd als herberg waar uithangt St. Nicolaes, waar dan een openbare verkoop werd gehouden van onroerend goed binnen de stad. Het huis was toen verhuurd aan de weduwe Pendris.

Hoeveel eerder deze naam aan de herberg werd is niet te achterhalen. Decennia eerder speelde zich een fikse ruzie af in "de herberg van St. Nicolaes" ten huize van Joes Beckers. Wanneer Francis duPree er die voorjaarsavond in 1706 binnenstapt om een pot bier te drinken, werd hij onwelgevoeglijk bejegend door Francis Vlodrop, nota bene de zoon van de huiseigenaar, die hem uitschold voor eenen braemelen baerdt en pockmuijle. Kort daarop, roept deze hem nog bij het uitgaan na: "Sterft aff! Sterft aff!"

Dat liet duPree niet op zich zitten en sneerde: "---- ---- -- ----!" (gecensureerd) Daarop komt Vlodrop hem achterna tot in de keuken en raakten beiden slaags over de grond. Een officier haalt hen nog uit elkaar. Maar beiden vlogen elkaar opnieuw in de haren en deze keer was het menens.

Dupree heeft daarna wel een week niet kunnen werken en heeft de chirurgijn laten komen, vanwege zijn open wonden in het aangezicht en zijn hoofd was gecontusieert: zo week als een spons. (Hoofdgerecht inv.nr. 207-2325.)

In maart 1741 geven de erfgenamen van Gertrudis Vlodrop het huis, waerdat uijthanght St. Nicolaes, in pandschap uit aan het echtpaar Leonard Simons en Helena Versteegen voor de duur van negen achtereenvolgende jaren. Het echtpaar betaalde een pachtsom van 287 pattacons en 4 schellingen. De pandgevers konden het bedrag plus de gemaakte kosten na genoemde periode weer inlossen. Zoniet, dan werd de belening voor een gelijke periode verlengd. Meestal ging zulke overeenkomst stilzwijgend over in een definitieve verkoop.

Het echtpaar Simons mocht naar believen het huis restaureren en verbouwen. Leonard Simons was koopbrouwer van beroep. Er zullen in de stad dus ook nog wel thuisbrouwers geweest zijn, die hun eigen biertje brouwden. Simons was getrouwd met Helena Versteegen. Van de tien kinderen worden naderhand alleen de twee oudsten genoemd, Herman Toussaint (gedoopt als Herman Hyacint) en Willem Anthon.

Zoon Willem, die voor priester had gestudeerd, verwachtte in 1756 aangesteld te worden tot bedienaar van het st. Rumoldus-altaar in de parochiekerk, tegen een jaarloon van 60 pattacons. Dat laatste was een vereiste en hij moest er zelf zorg toe dragen. De inkomsten van het altaar, aan offerandes en renten, reikte niet. Derhalve schoot zijn vader te hulp, door het ontbrekende bedrag alle jaren aan te vullen. Net zolang zijn zoon als rector van het altaar werkzaam bleef.

Tot zekerheid stelde Leonard Simons zijn bezittingen binnen de stad. Dat was eerstmaal het huis In De Halve Maan in de Neerstraat tegenover de Oliestraat, geschat op 1200 pattacons. Vervolgens een tweede huis met brouwerij in dezelfde straat en van gelijke waarde. Tenslotte was er nog het huis van St. Nicoloaes, geschat op 500 pattacons. (Hoofdgerecht 334-f.231.)

Willem Anthon Simons komen we sinds 1762 tot na 1795 tegen als dorpspastoor te Veert, nu gemeente Geldern (D). Herman Simons (1731-1803) bleef in de brouwerij werken. Naderhand staat het brouwershuis in de Neerstraat (nr. 26?) op zijn naam, evenals het huis in het Sint Nicolaasstraatje, zijn woonhuis op de Steenweg (vanaf de Schoenmakersstraat het tweede pand) en een klein huis "Achter de Meelwaag" (nu Christoffelstraat).

Na zijn overlijden waren er dus heel wat goederen te verdelen. Directe erfgenamen waren er niet. Wel nakomelingen van ooms en tantes. Daarbij komt, dat Leonard Simons een zoon was van Herman Simons en Gertrudis van Loosen, en dat de zus van Helena, met name Anna Catharina Versteegen was getrouwd met zekere Peter Willem van Loosen. Het huis en de brouwerij In De Halve Maan was afkomstig van de familie Loosen en was (deels) via Leonard van Loosen vererfd op diens kleinzoon Leonard Simons, brouwer.

Uit die hoek kwamen dan ook de landerijen buiten de stad, voornamelijk in de Roermondse Weerd. bij elkaar ruim 4 morgen akkerland en enkele morgen grasland. De grond werd in 1795 door de twee broers uitgegeven aan het echtpaar Geelen-Timmermans, landbouwers in De Weerd, tegen een jaarlijkse levering van 40 malder graan in tarwe, gerst, boekweit en spelt. Daartoe 3 karren hooi van 1000 pond. Alles ter concurrentie van 100 pattacons, bij misoogst. Dit alles te leveren ten huize van Herman Simons binnen de stad. De overeenkomst gold tot het overlijden van de langstlevende. (GAR, archief notaris Schreurs, 5.22 volgnr. 15.)

Het huis Sint Nicolaas stond kort daarna op naam van Adrienne Hawinkels (1740-1816), een der erfgenamen. Zij zou gerboortig zijn van Maasniel als dochter van Conrard Haewinckel en Johanna Swartmans. In die tijd, rond 1800, woonde hier het gezin van Theo Sangers, cabaretier.

Ravaux-Hoex...
Ze was nog pas 15 jaar jong, Hubertina Theresia Ravaux, toen haar bij erfdeling eind 1841 het huis in de St. Nicolaasstraat ten deel viel. Het meisje was een dochter uit het eerste huwelijk van Anna Catharina Hoex (1786-1841) met deurwaarder Jozef Antoon Ravaux. Zij waren in juni 1805 te Roermond getrouwd. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen gebleven, zoon Willem en genoemde dochter.

Hun moeder trouwde in tweede huwelijk met Pieter Jozef Peeters, die zelf ook weduwnaar was. Van de grootouders van moeders kant, Matthis Hoex en Helena de Bock, waren nog het zogenoemde groot huis te BuitenOp (tegenover de Rattentoren) met het naastgelegen klein huis afkomstig. Het huis genoemd St. Nicolaas, was half uit erfenis en voor de andere helft in eerste huwelijk aangekocht.

Na het overlijden van Anna Catharina Hoex ging het groot huis met een perceel akkerland naar Willem C.J. Ravaux, en aan zijn zuster viel het huis in het St. Nicolaasstraatje en twee akkers. Hun hafbroer was voor minder gerechtigd. Hij verwierf het klein huis te BuitenOp, daarbij een akker. (GAR, archief notaris Milliard, 12.254 volgnr. 350.)

Zij trouwde in september 1846 met de bakkerszoon Pieter Frans Schreurs. kort daarna verkocht het echtpaar het huis Sint Nicolaas met bijbehorende tuin (sectie D p.92) voor 1500 gulden aan klompenmaker Hendrik Cox.

Deze had het geld geleend van bierbrouwer J.A. Kessels tegen een jaarlijkse rente van 75 gulden, voor de duur van acht jaar. Een van de bepalingen was, dat Cox als herbergier, zolang de lening niet was afgelost, al zijn nodig bier zou afnemen bij Kessels. Ten overvloede zij nogmaals opgemerkt, dat het hier ging om het tweede huis vanaf de hoek. (GAR, archief notaris Guillon, 14.49 volgnr. 309.)

Naderhand werd het huis vergroot, deels door aanbouw in de achtergelegen tuin en middels de aansluiting van het belendende perceel. Op de foto is dat dan links het tweede huis vanaf de Roerkade. (Foto: GAR, beeldbank.)

Laatst gewijzigd: vóór 01-01-2015

EDC 30. In de Windmolen
deel van Roerkade 9
 

Dat gaf het toch niet! Hartje zomer 1626. Zonder enige aanleiding kreeg Jan Scheijven van Daem de gerichtsbode een schrijven aangereikt met het bevel van het stadsbestuur, dat hij de stal achter zijn huis, die daar al meer dan 40 of 50 jaar stond, nog diezelfde dag moest afbreken, op straffe van 6 goudguldens. Het kon toch niet zijn, dat iemand een timmer op zijn eigen erf zonder enige geldige reden diende af te breken. Hij verzocht van het gerecht tekst en uitleg.

Om daar achter te komen, moeten we eerst dertig jaar in de tijd teruggaan, om meer te weten te komen over de voorgeschiedenis van huis en hof...

Joost Scheijven uit Maasbracht en zijn vrouw Judith Bisschops hadden in 1588 het volle bezit van de volmolen aan de Roer verworven. van hieruit groeide de familie per generatie in aanzien binnen de stad Roermond.

In januari 1613 lieten Joost Scheijven en zijn vrouw Judt vastleggen, dat ze hun oudste zoon Johan voor en na eene merckelijcke somme van penningen hadden gegeven. Daarvoor had de echtelieden zelfs hun huis achter de Muur aan de Koolpoort gegeven en de windmolen zonder vergoeding laten gebruiken. Hun andere zoon daarentegen heeft hen altijd nerstig ende getrouwelijck bijgestaan en geholpen op de volmolen, die ze nu al voor de tweede keer nieuw hebben opgebouwd. Dat zou zonder zijn hulp en inzet niet in zo'n korte tijd en op die manier gedaan zijn. Daarom willen ze hun zoon Rut met de volmolen op de Roeren tussen de kartuizer-molen en de abdissen-molen als tegenprestatie 300 daalders vooruit geven, met de volmolen als onderpand. (Hoofdgerecht 313-f.120.)

Overigens, een kleine twintig jaar later, in april 1632, hebben de twee broers Jan en Ruth Scheijven deze regeling geannuleerd.


De volmolen op de Roer naar een tekening uit ca. 1720.

Naast de volmolen en de onderste molen op de Roer bezat het echtpaar Scheijven ook een windmolen binnen de stadsmuur. Om precies te zijn, een huis Achter de Muur (nu Roerkade), genoemd Den Windtmeulen. Het huis hadden zij middels een erfruiling in september 1603 verworven van de erven Dries van Hoive, in ruil voor een huis in de Beggartstraat. In augustus van het jaar daarop, beleende molenaar Scheijven zijn huis achter de Muur, zowel als de nieuw opgetimmerde volmolen met 440 gulden. (Hoofdgerecht 312-f.154.)

Jutt Bisschops, de vrouw van molenaar Scheijven, stierf begin maart 1618 in het huis van de onderste molen op de Roer. Nog diezelfde maand liet (schoon)broer Ruth Martels door twee schepenen beslag leggen op het sterfhuis en de molen. Dat gebeurde middels de gebruikelijke handelingen, het openen en dichtdoen van de deuren, het op- en neerschorten van de heel boven het vuur, met eten en drinken in huis, graven in de tuing, met het stilleggen en dan weer laten draaien van de molen en tenslotte het molsteren van van het coren in den treuger. Hoofdgerecht 313-f.265.)

In oktober 1619 liep hierover nog een proces tussen beide partijen. In december 1622 noemde Marie, de dochter van Ruth Martels zlgr. en Trijne Bisschops, de broers Johan en Ruth Scheijven als haar ooms. Hun moeders Jutt en Trijne waren zussen.

Na het overlijden van zijn vrouw is Joost Scheijven getrouwd met Catharina. In april 1626 kopen zij een huis achter Kloosterwand.De volmolen op de Roer (tussen de kartuisers- en de abdissen-molen) heeft hij aan zijn zoons overgedragen, die het gemaal voor 5000 gulden verkochten. Joost en zijn tweede vrouw kopen een huis achter Kloosterwand. Tevens heeft hij met zijn zoons dan toch nog de onderste molen in eigendom. (Hoofdgerecht 314-f.53.)

Trynke en Anna, de twee andere dochters van het echtpaar Martels-Bisschops, belenen hun aandeel in de onderste molen met het huis voor 450 gulden bij Ruth Scheijven en Catharina Raeps. (Hoofdgerecht 314-f.183.)

Het huis achter de Muur is overgegaan op diens broer Johan Scheijven, getrouwd met Maria Hongen (ook: Ongers). In februari 1631 staat Johan borg voor Lenardt Maroyen, met zijn huis In de Wintmuelen. (Hoofdgerecht 315-f.14.)

Vijf jaar eerder al kwam Johan Scheijven in aanvaring met de naaste buren, met name de kinderen van wijlen Merten Phlipsen. Zij hadden hun beklag gedaan wegens de stal die Scheijven nieuw achter zijn huis had laten timmeren, en wel zo dicht aan hun erf, dat het licht van de vensters belemmerd werd. Ook waren zij beducht dat het vuur op hun huis kon overslaan, hetgeen bijna ook gebeurd was.

Ook het huis van Phlipsen zlgr. was afkomstig van Dries van Hoive (1596), die beide erven had verworven van zijn schoonfamilie. Bij de verkoop in 1596 waren afspraken gemaakt tussen beiden, o.a. over de erfscheiding en de gang tussen de twee huizen. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 128-663.)

Volgens de diverse gegevens uit de overdrachten stonden hier toen vier huizen naast elkaar tussen de Koolstraat en de opvaart van De Hertzhoorn. Op de tekening van landmeter Janssen omstreeks 1670 staan er vijf huizen. (Het huidige hoekpand aan de gats was voor de helft onbebouwd.

Krachtens uitspraak van het Hoofdgerecht werd Arnoldt van der Smitzen ermee belast om de nalatenschap van Johan Scheijven te regelen, o.a. ten gunste van de kinderen van Frenck Peters en Marie Maroen. Het huis achter de Muur, met de gang uitkomend in de Koolstraat werd in de herberg van Lenart Beeck, achter de Muur, bij opbod met de kaars verkocht. Op het eind van de tweede zitting in september 1660 werd het huis ingezet op 600 gulden. Veel belangstelling was er overigens niet. Uiteindelijk gingen huis en hof voor 680 gulden over op gerechtsbode Peter Hennen. (Hoofdgerecht 317-f.75.)

Twee maanden later tekende Mint Hermans, de weduwe van buurman Peter Beckers, met succes beschud aan op het huis. Zij verklaarde bovendien het beschud voor zich te hebben gedaan en niet om aan een ander door te verkopen. (Hoofdgerecht 317-f.80.)

* In 1586 is al sprake van het huis genoemd Der Windtmuelen. Dat huis was gelegen "achter de Luif aan de Zoutmarkt". Of er enige relatie bestaat tussen de eigenaars is nog niet onderzocht.

Laatst gewijzigd: 19-08-2015

FED 31. Het huis In Gen Ancker
Roerkade 7
 

In mei 1641 richtte Elisabeth in Den Ancker uit Dordrecht zich tot het Hoofdgerecht van Roermond. De jonge vrouw was geboortig van Roermond als dochter van Matthis in gen Ancker en Margriet Severijns. Na het overlijden van haar ouders werden neef Thijs Scherers en oom Sybert Severijns in 1618 aangesteld om als voogden de zaken van het jonge kind te regelen.

Uit haar kindsdeel had Scherers enkele meubelen, een erfcijns van een half malder rogge en een stuk land te Ool verkocht. De opbrengst van 400 gulden behield hij aan zich tegen een rente van de 16e penning. Na zijn overlijden verzuimden de erfgenamen de jaarlijkse rente te betalen. In maart 1647 deed Elisabeth een nieuwe poging en in april 1658 andermaal. Zij was ondertussen getrouwd met Eduardt van Munnickhoven te Amsterdam.

In de overdrachten uit voorgaande jaren komen we alleen Thevis in gen Ancker tegen, en dan ook nog alleen als buurman, echter nooit handelend in eigen persoon. Genoemde goederen waren afkomstig uit erfenis van haar moeder. Haar vader was naderhand hertrouwd met Christina Roomen. Thevis had een huis over de brug (in de Voorstad) naast het huis van zijn zwager Sybert Severijns, geboortig van Ool. Een ander huis stond te BuitenOp. En dan was er nog het huis Den Ancker achter de Muur aan de Koolpoort.

In 1658 verzoekt Everardt van Munnickhoven namens zijn vrouw aan Jan van Loosen en Margaretha van den Ancker, zijn zwager en schoonzuster, om namens beiden de belangen van Elisabeth voor het Hoofdgerecht te behartigen. Ondertussen waren de vorderingen opgelopen tot wel 4550 gulden, waarvan 750 gulden afkomstig uit het huis van Merten Hacken, van haar goederen te Ool, ter waarde van 1500 gulden, 400 gulden vanwege het huis van wijlen burgemeester Creyaerts in de Steeg en nog eens 1000 gulden uit het huis van wijlen de lct. Woestingh en tenslotte wegens een stuk land, verkocht aan Jan Ruytzen voor 900 gulden. Daar tegenover stond een schuld van 1250 gulden ten nadele van Elisabeth. (GAR Hoofdgerecht inv.nr. 135-837.)

Waarschijnlijk waren Elisabeth en Margaretha halfzusters. De laatste, vernoemd naar Margriet Severijns, de eerste vrouw van Thevis, is een na-dochter uit diens tweede huwelijk met Christina Roomen. (o.a. Hoofdgerecht 313-f.262 en 314-f.29.)

De naam van Het Ancker wordt voor het eerst genoemd in 1570. Jelis Kremer, waard in Den Ancker, en zijn vrouw Elisabeth zijn dan een erfmalder rogge schuldig wegens een belening van een stuk land buiten de Zwartbroekpoort. Of hij tevens eigenaar van de herberg was, blijkt nergens uit. (Hoofdgerecht 311-f.230.) Zes jaar later werd Thijs van Vinckenraedt genoemd als waard in Den Gulden Ancker. Of hiermee dezelfde herberg bedoeld wordt, is niet aan te geven. (Hoofdgerecht 311-f.289.)

In maart 1600 laat zekere Ludtwich Pilandt weten, dat hij bereid is, om het buitenechtelijke dochtertje van wijlen Jehan Andrea Cicoigne, ridder en gouverneur van de stad, in huis wil opnemen tot het weeskind meerderjarig is. Ondertussen zal het meisje in huis dienen. Mocht de moeder, of een der voogden anders beschikken, dan zal Pilandt van zijn verplichtingen ontslagen zijn en de afgesproken som geld terugbetalen. Drie jaar later blijkt, dat we te doen hebben met Ludtwich Pilandt in den Ancker. (Hoofdgerecht 312-f.95 en 373-nr.14.)

In de daaropvolgende jaren komen we meer te weten over de ligging aan de Koolpoort nabij het huis De Hertzhoorn. Beide keren wordt de herberg slechts zijdelings vermeld. Zo ook in 1618, wanneer we voornoemde Thewis in Gen Ancker tegengekomen. Hij is dan al in tweede huwelijk getrouwd met Christina Roomen. (Zie ook: Hoofdgerecht 311-f.325 en f.395.)

Het is niet duidelijk op wie het huis na hun overlijden is overgegaan. De herberg komt in de akten niet meer voor. Het duurt zelfs tot 1680, wanneer Het Ancker weer in de akten opduikt. Simon Packenius en vrouw Marie Schreurs belasten hun huis Den Ancker, gelegen aan de Koolpoort, met een lening van 300 gulden, bij het echtpaar Jan van Loosen en Margriet van Den Ancker. (Hoofdgerecht 318-f.192.)

Dan kan het puzzelen beginnen. Het huis ligt weliswaar aan de Koolpoort, maar hoe en wanneer Het Ancker op Packenius en vrouw is overgegaan, blijft vooralsnog onduidelijk. In de akte uit 1680 wordt o.a. een oudere lening van eveneens 300 gulden genoemd, opgenomen bij Hendrick Segers. Die lening werd in april 1656 uitgegeven aan Reijn Schroers en zijn vrouw Marie Heze. (Hoofdgerecht 316-f.265.)

De waard in Den Uijl...
Het echtpaar had enkele jaren terug, in september 1650 het huis van de erfgenamen Segers achter de Muur aan de opvaart van Het Hertzhoorn gekocht. Die erfgenamen waren Hendrick Segers en Geurdt Cruijsbergh, elk met de vrouw, en als derde partij de kinderen van Jacob Segers en Hendricxken van Reij. De 300 gulden bleven als lening op het huis staan, tegen een rente van 8 gulden, jaarlijks met Pasen te betalen aan Hendrick Segers. (Hoofdgerecht 316-f.119.)

Het huis was vanouds nog belast met een lening van 75 gulden. De rente was ondertussen op meerdere personen overgegaan. Reden om de zegelbrief te verkopen. Dat gebeurde in oktober 1657. Een der verkopers was Marie Bloemen, weduwe van wijlen Rein Schreurs! Zij had haar aandeel in de rente uit erfenis van Jenneke Willems. (Hoofdgerecht 317-f.20.)

Marie Bloem komen we vervolgens tegen als de vrouw van Simon Packenius. Het huis was afkomstig van haar naaste verwanten en mede-erfgenamen. In augustus 1676 verkochten Jan Schreurs en zijn zwager Cornelis Rutten, elk namens zijn kinderen, en het echtpaar Pierrardt-Schreurs tesamen hun aandeel in het voornoemde huis aan Packenius en zijn huisvrouw, hier genoemd Marie Schreurs. (In december dat jaar werd zij bij de geboorte van hun zoontje nog Marie Blomers genoemd.) (Hoofdgerecht 318-f.114v.)

Het huis waarover hierboven sprake was, stond in die jaren, tussen pakweg 1650 en 1660 evenwel bekend als het huis Den Uijl, dus niet als herberg In den Ancker. De oude naam duikt pas weer in 1680 op en bij een volgende gelegenheid in 1697, betreffende het huis Achter de Muur aan de opvaart van het huis De Hertzhoorn. (Hoofdgerecht 317-f.165.)

Toch blijkt het huis en de herberg Den Uijl al langer te bestaan. Al in 1626 werd de herbergier in Den Uyl opgeroepen om te getuigen in het geschil tussen de erfgenamen Philipsen en hun buurman Jan Scheijven. Toen hebben de strijdende partijen nog vriendschappelijk zitten drinken ten huize van Willem Reulen, waard in Den Uijl. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 128-663.)

Het Ancker opnieuw uitgeworpen...
Het huis Den Ancker van Simon Packenius stond open als herberg en logement. In juli 1678 hadden Gelis Frencken en Jacob Ingelen, schepenen van Linne, enige tijd bij de jonge waard in Den Ancker gelogeerd. De kosten van de maaltijden en nachtkwartier (ad 1 gulden per nacht inclusief maaltijd) hadden zij netjes afgerekend. Maar de overige kosten van drank en het hooi en haver voor de paarden waren danig opgelopen tot 23 pattacons, ofwel 71 gulden. Na de eerste afrekening, hebben beiden nog drie weken tot half september in de herberg gelogeerd. Daarbij hebben zij buiten het tafelen nog 71 vanen bier gedronken. Naderhand waren de twee gasten heimelijk vertrokken en Packenius had het nazien.

Voor het Hoofdgerecht brachten de twee schepenen tot hun verdediging aan, dat zij ambtshalve in de stad waren gelogeerd wegens een zaak voor het Hof van Gelder betreffende de openstaande schulden van ritmeester Lion zlgr. Zij waren toen tegen hun wil en dank door soldaten op last van de gouverneur naar de herberg gedirigeerd om daar hun verblijf te nemen. (GAR Hoofdgerecht inv.nr. 163-1435.)

In andere rechtszaken stond Simon zelf als beklaagde ter verantwoording wegens krakeel en slagerijen. Zo was het gebeurd in de herberg van zijn zwager Pierre Perardt, waar hij gemoedelijk in gezelschap bij het vuur heeft zitten drinken. Daarop voegde Jean BonJean zich bij het groepje, terwijl hij eigenlijk op het punt stond huiswaarts te gaan. Kort daarvoor had BonJean nog strijdige woorden gehad met de waard wegens de afrekening van zijn gelag.

Zonder enige aanleiding had BonJean hem toen de pijp uit de mond getrokken en in het vuur geworpen, terwijl hij Packenius voor 'duivel' uitmaakte. Van het een kwam het ander en weldra sprongen twee makkers van BonJean hun vriend te hulp. Simon Packenius verwierp naderhand de aanklacht van de schout wegens het tumult en het geweld dat hij had gebruikt. Hij had zich alleen willen verdedigen. (GAR Hoofdgerecht inv.nr. 163-1444.)

Dan duikt er in de stukken (rond 1690) een nieuwe huisnaam op. Het huis van buurman Jan Dodemont stond bekend onder de naam In den stadt Luyck. (Waarschijnlijk hebben we dan te doen met het huidige pand Roerkade 5.)

In augustus 1697 hadden Albert Cremers en zijn vrouw Catharina Baudewijns het huis Den Ancker achter de Muur gekocht van Seger Segers en Joanna Smeets, kooplieden. In maart 1710 was het echtpaar daarvan nog steeds 175 pattacons schuldig aan verkopers. Daar bovenop namen zij nog eens 50 rijksdaalders op bij Segers en zijn vrouw, met het huis naast de opvaart als onderpand. (Hoofdgerecht 323-f.105.)

In juni 1714 verwierven Willem Janssen en zijn vrouw Agnes Evers bij openbare verkoop voor 225 rijksdaalders het huis Den Ancker aan de Koolpoort, afkomstig van de erfgenamen van Catharina Baudewins, de weduwe Cremers.

Kort daarop maakte Leonard Cremers, zoon van Wyckard Cremers, als naaste bloedverwant van de verkopers, gebruik van het beschudrecht. Het huis dat zijn vader en zijn oom gemeenschappelijk met de erfgenamen Baudewijns hadden verkocht aan het echtpaar Janssen, ging nu onder dezelfde condities en afspraken over op Leonard. Zodoende is tot zijn last ook de lening van 225 pattacons bij Seger Segers op het huis blijven staan. (Hoofdgerecht 324-f.176.)

   
 

Op de Key begin 19e eeuw; GAR Collectie Walenberg. (foto: Jos Cox, Maasniel.)
scroll-over image
Laatst bijgewerkt: 19-08-2015
IHG 33. In 't Krenske achter de Muur
Roersingel 3 (of deel van 5)
 
In februari 1624 beleenden Willem Bevenel en zijn vrouw Iffken van der Holt hun helft van het huis, genoemd In Den Crans, met een kapitaal van 300 gulden, bij de meesters van het smedenambt. Het geld was afkomstig van wijlen Lenart Deuffen. De rente zou toekomen aan de armen. De wederhelft van het huis stond op naam van Aeletgen Bevenels, de jongere zus van Willem. (Hoofdgerecht 314-f.65.)

Het is de eerste keer, dat het huis in de akten de naam van Den Crans werd gegeven, maar de naam zal veel ouder zijn geweest. Hun grootvader Willem Bevenels, droeg al de aliasnaam Crantz (1582). Mogelijk was hij identiek met Willem Kranss in 1570. (Hoofdgerecht 311-f.351 en f.226.)

Willem Bevenell en zijn vrouw Marie bezaten het huis achter de Muur al in 1555. Tien jaar later verwierven zij een bouwplaats over de brug, tegenover de Roerhaven. Nog in 1591 wordt deze timmerplaats genoemd. In september van dat jaar, verkopen Enneke (Joesten), de weduwe van Willem Bevenel, en haar dochter Aleijdis, de plaats aan de weduwe Hingen, als gevolg van een vonnis in de zaak tussen Willem en Ahret van Hingen, over deze huisplaats. (Hoofdgerecht 311-f.67 en f.443.)

De naam Bevenel wordt later ook geregeld als Bevernels geschreven. In de gichtboeken komt ook de schrijfwijze Bruenels voor, maar dat is dan een verschrijving van de klerk geweest, die de de akten van losse briefjes overschreef. (Hoofdgerecht 311-f.138 en f.351.)

In januari 1702 staat het huis achter de muur op naam van Hendrick Bevenels, alias Crans. Uit zijn huwelijk van Eva van den Holt zijn alleen de twee kinderen Willem (*1602) en Aelet (*1604) geboren. Kort daarna sterft hun vader. Grietgen, de weduwe hertrouwde voor de zomer van 1608 met Jacob van de Venne. Deze was evenals zijn schoonvader, Gerardt van den Bergh, zaakgelastigde voor burgers, kloosters, overheidsinstellingen en gildebroeders, of als aenwaldt van de erfvoogdin. Van de vier kinderen uit dit tweede huwelijk werd naderhand alleen de oudste, met name Gertrudis, genoemd; geboren 1608/09.

Jr. Herman van Cortenbach was de twee weeskinderen van wijlen Bevernels nog 638 gulden schuldig. Met de aflossing wilde het maar niet vlotten. Gerardt van Bracht en zijn vrouw stonden met hun huis op de Steenweg borg voor genoemde erfvoogd. Gerard van den Bergh, als grootvader, en zijn schoonzoon Jacob van de Venne, beiden als voogden van de kinderen lieten het er niet bij zitten en riepen de hulp van het gerecht in. (Hoofdgerecht 313-f.185.)

Het proces dat daarop volgde geeft meer informatie. Het geld was afkomstig uit de nalatenschap van Anna Joesten, de bestemoeder van Wulm en Aletgens. De vrouw was in tweede huwelijk getrouwd met Ahret van Meysenborgh. Uit deze verbintenis waren geen kinderen geboren. Ahret had het deel van de kleinkinderen uit de nalatenschap netjes overgedragen, waarna de spullen verkocht konden worden. De opbrengst (bij opbod in oktober 1612) werd op verzoek van Margreta van Vlodrop, de erfvoogdin, aan haar uitgeleend. De vrouw had beloofd het geld uiterlijk met Pasen terug te zullen betalen. Daarvoor stond mr. Gerith van Bracht borg. Drie jaar later was de erfvoogdin nog steeds het geld aan de kinderen schuldig gebleven. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 117-397.)

In februari 1616 werd alvast een bedrag van 400 gulden afgelost en ruim 6 jaar later volgde nog eens een betaling van 400 gulden, inclusief de rente. Kort daarna, in elk geval voor februari 1624 was Willem Bevenels getrouwd met Iffken van Holt. Eind mei verkochten zij hun helft in het huis, met timmerplaats, kamer, stalling en hof achter de muur voor 850 gulden aan Alitgen Bevenels. Het hele huis was belast met 1 goudgulden aan de hoogkerk (van St. Christoffel). (Hoofdgerecht 314-f.65 en f.75.)

November 1624. Willem is dan nog maar 22 jaar jong, wanneer hij met instemming van de voogden van zijn zussen Aelitgen en Geerdt, het huis, afkomstig van hun grootvader Gerard van den Bergh, verkoopt aan het echtpaar Krueger uit Elmpt. Het huis was gelegen naast het kruisbroederklooster in de Hamstraat, en ging voor 700 gulden, plus een oudere lening van 120 gulden over op de nieuwe eigenaars. De prior van het klooster, als naastgelegen buur, tekende daarop beschud aan, waarna het echtpaar uit Elmpt naar een andere woning moest omzien. (Hoofdgerecht 314-f.98 en f.101.)

Novice in klooster Maria Weide...
Aelitgen nauwelijks 20 jaar oud nam als novice haar intrek in het klooster der annunciaten te Venlo. Op verzoek van Aelitgen zelf en met goedkeuring van het Hoofdgerecht, verkochten haar voogden in augustus 1625 het huis achter de Muur voor 1800 gulden aan Nicolaes Maen namens het klooster. Volgens octrooi van het Hof van Gelder was het klooster toegestaan om erfgoederen en renten te verwerven tegen hoogstens 2000 gulden jaarlijks. (Hoofdgerecht 314-f.114.)


OLV van Genooy

De annuntiaten vormden een geslotenorde waarin de kloosterlingen leefden volgens de 10 deugden van de Maagd Maria, uitgaande van de aankondiging (annuntiatie) door de aartsengel Gabriel. In die dagen was Sara Herlin materse van het klooster Maria Weide te Venlo. Zuster Marie van den Blaesberch, vicarisse, en verder de zusters Digna Cornelis, Mechtildis van Hinsberch, Gudula van den Kerckhoven, Gertruijdt van den Berge, Marie Schroeffts. (Afbeelding links: Vrienden van de Kapel van OLV van Genooij.)

In september namen Sara Herle als materse van het klooster, en haar medezuster, middels hun momber de lct. Ludovicus van Kerckhoven, een lening op van 562 gulden op, met als onderpand het huis In den Crantz, achter de muur in Roermond. (Hoofdgerecht 314-f.121.)

Nog geen vier maanden later, in maart 1626 verkocht schout Mathias Puteanus namens het klooster Maria Weide te Venlo het huis met de poortweg, timmerplaats en kamer, stalling en hof voor 1740 gulden aan Lenardt Dass en Catharina van de Biest. Ook deze keer ging de koop niet door. Willem Bevernels als broer van Aelitgen tekende eind april, dus binnen de termijn, met succes beschud aan. Dat betekent dus voor dezelfde prijs en voorwaarden, plus de kosten. (Hoofdgerecht 314-f.131 en f.137.)

Willem en zijn vrouw beleenden vervolgens hun goederen binnen Roermond met een kapitaal van 1740 gulden, tegen een rente van 108 gulden, te betalen aan David LeFrys, kornet van de compagnie van Herman van den Bergh, in dienst van de koning van Spanje. Dat was eerstens het huis Den Crans met de poortweg, kamer, plaats, stalling en hof, en hun vordering of aandeel in een huis met brouwhuis en stalling op de Caniel. (Hoofdgerecht 314-f.138.)

Van ruiter tot legerkapitein...
Het echtpaar Bevernels kreeg in die jaren te Roermond twee kinderen, zoon Hendrick (1623) en dochter Margriet (1624). De geldschieter was geen onbekende voor Bevernels. Uit een akte, gedateerd oktober 1630, blijkt dat Willem zelf diende als ruiter onder de compagnie van de graaf van Styrum. Het is dan, wanneer Willem Bevenel en zijn vrouw Eva van der Holt hun huis Den Crans voor het lieve bedrag van 2370 gulden verkopen aan Peter Drummelen, voogd van de kinderen van genoemde kornet David leFries zaliger. (Hoofdgerecht 315-f.18.)

Pas in april 1642 worden capitani Guillielmus Bevenell en zijn vrouw Eva in Roermond gezien bij de doop van hun zoon Theodorus. Het huis achter de Muur wordt voortaan Het Cransken genoemd, of zoals in de volksmond: Het Krensken (1650). (Hoofdgerecht 316-f.93 en f.96.)

In april 1656 verkopen de erfgenamen Lefries uit de stad Emmerich hun huis Het Kranske achter de Muur te Roermond voor 1800 gulden aan Thijs Smiets van Roosteren, in januari 1642 te Roermond getrouwd met Catarina Cornelissen. (Hoofdgerecht 316-f.259 en 317-f.71.)

Met Thijs van Roesteren in Krensken krijgen we eindelijk ook daadwerkelijke verwijzingen naar de functie van het huis als nachtherberg. Zoals deze rekening voor Jan van Langendonck, wegens het verblijf van Joachim Jungh gedurende ruim een maand logeren ad 16 rijksdaalders 14 stuivers. Verder wordt Smeets in die tijd ook genoemd onder de logementhouders in de stad. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 155-1299.)

In september 1677 beleende de weduwe Smeets, met assistentie van haar volwassen zoon Reijner, en met instemming van het Hoofdgerecht haar huis achter de Muur met de penning 16 (= 6¼%), te betalen uit een kapitaal 144 dukaten. Het geld was afkomstig van Hendrick van Dilsen, kanunnik van de kathedrale kerk. Bij tijdige renteaflossing kon de weduwe volstaan met 5%. Bij die gelegenheid werden ook haar overige kinderen genoemd, te weten, zoon Willem en de minderjarigen Johan en Derick, Anna en Ida. (Hoofdgerecht 318-f.138.)

Naderhand staan 3 stijlen, ofwel 3/4 deel van het huis op naam van hun zoon Reijner Smeets, in huwelijk met Maria Arnolda Hellebrinck. Een stijl heeft het echtpaar gekocht van broer Dirrick, woonachtig te Maaseik, voor het bedrag van 9 gulden(!) plus diens aandeel in de lening bij Hendrick van Vlodrop. Die last blijkt naderhand alsnog 510 pattacons te bedragen. (Hoofdgerecht 321-f.11.)

De weduwe van Thijs Smets had haar klein huis en de opvaart naast Het Cransken vanaf Pasen 1690 verhuurd aan Margaretha Feij. De overeenkomst gold voor de duur van acht jaar, tegen een jaarhuur van 19 pattacons; elk half jaar voor de helft te betalen. Op het einde van de rit was de vrouw daarvan nog 47 rijksdaalders schuldig gebleven. De huurster verklaarde slecht twee jaar achter te zijn.

Er was overeen gekomen dat de huurster ook van de zolders gebruik mocht maken, terwijl de weduwe Smeets daar alleen de was (lijnwaet) zou ophangen om te laten drogen. Ook mocht Margaretha de varkensstal gebruiken, terwijl de verhuurster haar kolen, leem, zand en kalk op de poortweg kon blijven opslaan, zonder enig beklag (bekroning) van de huurster daarover.

Deze voorwaarden zouden overigens alleen gelden, zolang de weduwe Smeets zelf in het zogenoemde groot huis bleef wonen. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 186-1922.)

In februari 1700 vestigt het echtpaar Smeets een kapitaal van 300 pattacons op hun huis. Hun zoon Matthias heeft een probende toegewezen gekregen als vicaris of bedienaar van het Sint Catharina-altaar te Gangelt, in het land van Gulick. De inkomsten daarvan zijn niet toereikend. Daarom stichten zijn ouders een aanvullende alimentatie van 15 pattacons, met Het Cransken als onderpand. Naburen hebben het huis met de poortweg, plaats, achterhuiske en moestuin geschat op meer dan 1000 rijksdaalders, inbegrepen de last van 510 pattacons. (Hoofdgerecht 322-f.10.)

Anderhalf jaar, in december 1701, later blijken Reiner Smeets en zijn vrouw en kinderen te zijn verhuisd naar Brounsheim (Brunssum?). Van daaruit verkoopt hij zijn 3 stijlen in Het Cransken achter de muur, met de lasten en onlasten aan Hendrick van Vlodrop, voor het bedrag, genoemd in de koopakte en (alleen) bekend aan beide partijen. (Hoofdgerecht 322-f.145.)

Een herberg met opvaart en overdekte beugelbaan...
In oktober 1736 trokken Jan Timmermans, stads-timmerman, en Abraham Hatenboer, stads-metselaar, erop uit om twee en een half huis op hun waarde te taxeren. Alle drie percelen stonden toen op naam van de lct. Johan Vlodrop, advocaat aan het Hof van Brabant te Brussel, in huwelijk met Anna Catharina Cuijpers. Het huis, genoemd Het Cransken, gelegen achter de muur, werd getaxeerd op 250 pattacons. Het huis naast het klooster van de clarissen werd gewaardeerd op 320 pattacons en het halve huis over de brug op 150 pattacons.

Raadsheer Johan van Vlodrop had het Cranske met de hof en de stalling uit nalatenschap van zijn ouders, verworven bij de erfdeling in december 1726. Nu, tien jaar later, vermaakten de raadsheer en zijn vrouw het huis achter de muur aan hun zoon Johan Francis Vlodrop, kandidaat in de theologie ("baccalaurius" = bachelor) en clericus in het dekenaat Mechelen. De inkomsten van het huis zouden zijn inkomsten moeten aanvullen, tot ontlasting van de aartsbisschop van Mechelen. (Hoofdgerecht 329-f.112.)

De overdracht was alleen geldig voor zolang, totdat hun zoon als geestelijke uit andere bronnen voldoende eigen inkomsten had verworven. Dat gebeurde inderdaad in mei 1747 door de officiaal van Mechelen. Diezelfde maand verkocht Petrus Luijtgens, koopman in wijnen, met volmacht van zijn neef en nicht, de lct. Joannes van Vlodrop en vrouw, beiden te Brussel, het huis genoemd Het Cransken achter de Muur.

Huis, hof en stalling, met het klein huis ernaast gingen voor 500 pattacons over op de brouwermeester Henricus Rosmael en vrouw Ida Theelen voor de duur van negen tot negen jaar. Zulke beleningen werden naderhand wel vaker stilzwijgend tot vaste verkoop omgezet, zolang geen van beide partijen iets ondernam.

De bedoeling was, dat de pandnemers Het Cransken tot een herberg zouden inrichten. De paardenstal mochten zij tot kamer ombouwen en de kelder van het kleine achterhuis, mochten zij dichtslaan en met aarde vullen, om het huisje vervolgens te gebruiken als paardenstal. Verder zou een stenen muur opgemetseld worden rondom de beugelbaan en afdekken met een pannendak. Bij de inlossing van de pandschap zouden de gemaakte kosten door de pandgevers worden ingelost bovenop de som van 500 pattacons. Dat kon dus ook gebeuren door de eventuele erfgenamen naderhand, maar alleen bij overlegging van de betreffende rekeningen en kwitanties. (Hoofdgerecht 332-f.50.)

Hendrick Rosmael (1699-1762) was een zoon van Willem Rosmael en Maria van Neer. Hij trouwde in maart 1729 met Ida Theelen, weduwe van Arnoldus Crompvoet. Zelf woonde het echtpaar Rosmael in de Minderbroederstraat. Het huis achter de muur hadden zij verhuurd. In mei 1749 is er sprake van een publieke verkoop bij opbod ten huize van Hendrick van Neer in Het Cransken achter de muur. (Hoofdgerecht 322-f.179.)

wordt vervolgd

Laatst bijgewerkt: 29-10-2016
JIH 34. De Pauw = In De Reijp
Roersinge 1(+2)
 

NB. Het huidige pand De Pauw is niet identiek met het historische pand uit de 16e eeuw, gelegen aan het begin van de huidige Roersingel. Dit blijkt uit meerderee gegevens. De meest duidelijke is de vermelding van het huis ernaast, in die tijd bekend als Het Krenske, gelegen tussen de Brugpoort en het Ezelspoortje.

In het laatste kwart van de 16e eeuw was er sprake van Het huis In de Pauw, gelegen naast de Brugpoort. Niet voor lang, want al in 1603 werd de naam niet meer gebruikt. Het huis was toen van eigenaar veranderd, vandaar. Alleen in het daarop volgende proces over de afbetaling van de koopsom, komt de naam nog enkele keren voor.

In januari 1555 draagt Helena, laatstweduwe van de onlangs overleden Lem van Venrayde, haar tochtrecht op een (afgebrande) huisplaats met erf Achter de Muur over aan haar voorkinderen. Dat waren de dochters Marie van Stockum, getrouwd met Johan van Erp, en Bele van Stockum, in huwelijk met Heynrich Grommertz. Laatstgenoemd echtpaar verkoopt de halve eigendom aan Johan en vrouw Marie. (Hoofdgerecht 311.67 en Regesten 2591 en 2758. Betreffende de gegevens van vóór 1575 is gebruik gemaakt van de regesten, opgetekend door stads-archievaris Gijs van Bree. Zie ook: GAR, Gerard Venner, charters Roermond, nr. 56.)

Van twee beleningen door Johan van Erp, in 1558 en 1561, zijn de oorspronkelijke zegelbrieven bewaard, met de bijbehorende aantekeningen uit later jaren. "Desen brief is mich Marten Montenack overgedragen." en "Van den huyse In den Paw neest der brugpoortten Achter die Muyr." (GAR, Gerard Venner: charters Roermond, nr. 49 en 51.)

Een derde zegelbrief, gedateerd 23 juli 1563, bevindt zich in het procesdossier anno 1608. Johan van Herp en vrouw belenen dan opnieuw hun huis met 200 gulden. De rente is bedoeld tot onderhoud van de weduwe Nielisken Goebbels van Wessem, en na haar overlijden te betalen aan haar dochter. Het geleende geld zou in twee termijnen terug betaald worden aan de weduw, dan wel haar dochter. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 110-226.)


GAR, zegelbrief nr. 51 dd. 15-2-1561. Foto Jos Cox, Maasniel.

Het huis van Henrich Schrijver in de Brugstraat kwam achterlangs uit tegen het erf van Johan van Erpp. Er was onenigheid ontstaan tussen beiden over de eigendom van de muur tussen beide erven. Door tussenkomst van twee scheidsmannen wist men in 1568 tot een akkoord te komen. Dure proceskosten werden daarme afgewend. Schrijver behield de eigendom van de muur over de lengte van zijn stal. Hij zou Johan 400 platte stenen leveren en in ruil daarvoor zou het water over diens erf, naar oude gewoonte, aflopen. (Regesten 4382.)

In maart 1572 namen Johan van Erp en zijn vrouw Marie opnieuw een lening op hun huis van 61 daalders. Het geld werd door Dederick van Lyn uitgelegd, tegen een jaarlijkse levering van 2½ malder rogge. Johan stierf vijf jaar later. Omdat er nog meer jaarrenten te betalen waren, lieten de diverse schuldeisers voor hun deel beslag leggen op het huis.

Dat waren voornoemde Dederick van Lyn, Dederich Koich en Marten Montenaick. De belening uit 1558 werd in 1589, met achterstallige renteaflossingen gedurende 20 jaar, door de erfgenamen Becx doorverkocht aan het echtpaar Montenaick. Marten verkoopt de zegelbrief in 1590 door aan zijn "schoonzoon" Henrick Maroijen, in huwelijk met Anna Severijns. (Hoofdgerecht 311-f.302.)

Het huis van wijlen Peter van Erp werd wegens de hoge schuldenlast op het jaargeding bij opbod verkocht. Henrick Maroijen was de laatste bieder. In december 1592 draagt hij het huis over aan zijn schoonouders Marten Montenack en Mettele Haen. (Hoofdgerecht 312-f.7.)

Ook genoemde zegelbrieven kreeg Merten Montenack in handen. Met tegenzin, zoals hij vermeldde, om twist to verhueden. Dat was op aandringen van Maroijen, die ook het huis aan hem had overgedagen. En op een andere rentebrief, afkomstig van Mattiss Zeverins, werd hem door Andries Busch en Jan Severijns en vervolgens door Marcelissen verkocht, want sij wolden tgelt hebben. Uit de diverse gegevens kunnen de volgende familierelaties ontleend worden. (Afb. ca. 1600: "van den huiss in die Paw, achter die muijr neest die brugpoortt".)

Mertten Montenack en Mettele Haen besloten, dat de langstlevende van hun beiden het huis achter de muur naar eigen goeddunken zou mogen verkopen, zonder enige bemoeienis van de kinderen. Zover kwam het evenwel niet. Tien jaar later, in september 1602 verkopen de echtelieden het huis naast de brugpoort voor 1675 gulden aan Stoffer van Erckelantz en vrouw Trijne. (Hoofdgerecht 312-f.130.)
 

Verkoop van het huis achter der Muren, dertijt Die Pau genant...
"...het huis naest der Brugpoorten achter der muren, nemlik het huis In die Paw, mit alle sijne gerechticheit achter en voeren, ouch het brouhuis, putt, steinweech, poortweech, unde dat steinen gebow naest Kranssen huis aen der straten, loss ende vrij."

De oorspronkelijke koopakte noemt de prijs van 1117 daalders, ad 30 stuivers. Zodra de termijn (6 weken en 3 dagen) van het beschud om was, zou Stoffer 600 daalders betalen en de rest een jaar later, waavoor zijn vader Jacob van Ercklantt borg zou staan. De huurders mochten nog tot aanstaande Pasen in het huis blijven wonen. (GAR, Hoofdgerecht invnr. 110-226.)

Kort daarna laten de bewoners, Johan Claessen en Merije in Die Paw beschud op het huis aantekenen. Zoals later bekend werd, op aanraden van de verkoper zelf! Marie van Vrijmersum, of Frimersum, alias Berets, was weduwe uit vorig huwelijk met Lenardt van Remarcken.

In 1591 kochten Linnardt en zijn vrouw voor slechts 17 gulden een huis met tuin aan het Zwartbroek, tegenover de stadsmuur (veste). Vier jaar later volgt de aankoop van het huis Die Gelde in de Oliestraat voor 200 gulden. (Hoofdgerecht 311-f.444.)

Over Marten Montenack is al uitvoerig geschreven in het verhaal over het huis De Zwaan aan de Kraanpoort (zie onder nr. 2.). Zijn vrouw Mettele Haen had drie dochters uit eerder huwelijk met Mattheis Severins. Een van die dochters was getrouwd met genoemde Cornelis van Wustenrayde, naderhand (1614) schout te Echt.

Als bewoner was Jan Claessen, of Classen, niet berechtigd om het huis te beschudden. Die rol werd aan de 26-jarige Cornelius von Wustenrad, "schoonzoon" van Montenack toebedeeld. De jongeman bezat echter niet de nodige middelen om het huis te kopen en daarom had Johan hem de ontbrekende 400 gulden voorgestrekt. Cornelis was het echtpaar nog meer geld schuldig, tot wel 930 gulden toe, waarop zijn "oom" in oktober 1603 alvast 500 gulden had vooruit betaald.

In Roermond leefde rond 1600 ook nog het gezin van Henrich van Sittart, alias Montenack, broer van Merten. Uit zijn huwelijk met Johanna Tessers zijn vijf zoons en twee dochters met name bekend. Zij zijn in Weert gaan wonen, alwaar kinderen van Marten van Sittart en Jacob van Sittart staan ingeschreven. In dit verhaal speelt hun broer Johan van Sittart een belangrijke rol. Cornelius von Wustenrad was dus een aangetrouwde "neef" van Johan van Sittart, alias Montenack.

Meer over Montenack onder nr. 2: De Zwaan.

In rood de personen uit het proces tegen Jan Classen en Marij van Vrijmersum

Jan Classen voelde zich in de luren gelegd. Daardoor zou hij weigerachtig zijn nog openstaande schulden te betalen. Integendeel. Zoals hijzelf beweerde, had hij nog geld tegoed van Montenaeck en consorten. Laatstgenoemde was voor aanvang van het proces in Echt gaan wonen. Hij had zijn neef Johan van Sittart volmacht gegeven om in Roermond o.a. van Classen een achterstallige schuld van 104 daalders entweder met frundtschappen oder met recht te innen. Maar Classen beweerde dat hij met Merten Montenach wegens het huis, der Pau genant, nog enkele rekeningen had te effenen.

 

Het proces werd aanvankelijk dan ook door Johan van Sittart gevoerd tegen Classen. Hij voerde o.a. aan, dat Jan Classen rekeningen aanhaalde, die niets met de zaak te maken hadden. Voor hem in elk geval niet. Maar deze wist toch diens oom Merten in de zaak te betrekken, die wist immers beeter dan itziger cleger, hoe de vork in de steel stak. Inderdaad Montenaeck de zaak als intervenient namens zijn neef over.

Montenack wist zich nog te herinneren, dat hij in juli 1604 in de grote kamer in zijn huis achter de Muur, met Johan Claessen en zijn vrouw Merije beide rekeningen had voldaan. Toen hij ook de resterende 17 stuivers wilde neertellen, sprak de vrouw nog: "Lief herschap, die 17 stuver en begeer ich niet toe hebben, wij synt nochtans waell toevreden dat ir ons van der gefaerliker sommen verlost hebtt van neeff Wustenroij." Montenack wilde hiermee aangeven, dat hij met het echtpaar alles op heller en penning betaald had.

Merten Montenack wist in een staat aan te geven, dat bij afrekening met het echtpaar Claessen, zelfs bleek, dat hij meer betaald had, dan op hem te vorderen was. Jan Classen verdedigde zich, door de tegenpartij van dobbellheijt en listicheijt te beschuldigen. Montenack zou hem in zijn onnozelheid, eerst door Wustenraed en vervolgens door zijn neef Jan van Sittart, geld afhandig hebben gemaakt tot zijn eigen voordeel.

Eerst had Montenack hem weten te overreden om, door tussenkomst van Wustenraij, schoonzoon van Montenack, het huis In die Pauw te beschudden, zodat Montenack aan het geld zou komen. Classen had bij kennissen daartoe de 900 gulden opgenomen. Vervolgens werd het beschud afgeblazen en moest Classen maar zien zijn vrienden hun contentement te geven. Daarna wist Montenack zijn neef als schuldeiser hem voor het gerecht dagen, om hem dat nette overt heufft to trecken vund mit listicheijt to verfordelen.

Naderhand diende Classen een uitgebreide rekening van gemaakte kosten tot 1603 in betreffende het huis, toenmaals nog In den Pauw geheten. Zijn voorsaet Lenardt van Remarck en Merij hadden voordien al geld gespendeerd aan het optimmeren van een nieuwe stal en het onderslaan van twee zolders. Zelf had Classen de grote zolder dichtgemaakt en de stal boven de kelder opnieuw met stro bedekt. Diverse keren had hij de renteaflossingen op het huis betaald.

Uiteindelijk komt Jan Claessen, met behulp van zijn "schoonzoon" als triomfant uit het proces. Zo kan men teminste de laatste schrifturen duiden. Daaruit blijken de rollen omgekeerd te zijn en is het Classen gelukt arrest aan te tekenen op de kooppenningen, tot nadeel van Johan van Sittart. (Hoofdgerecht inv.nr. 107-163.)

 
Marie van Frimersum, alias Berets, trouwde nog een derde keer. In juni 1619 belasten Johan Lever en Marie de twee huizen (aan Zwartbroek en in de Oliestraat) met een kapitaal van 400 gulden, overeenkomstig het testament opgemaakt tussen Marie en haar vorige echtgenoot Lenardt Remarck. Het jaar daarvoor had het echtpaar Levers nog het buurhuis in de Oliestraat gekocht voor 225 gulden, een nieuwe hoed en een paar muilen. Om de ankoop en het nodige timmerwerk te bekostigen, had Johan zijn erfdeel te Mierlo verkocht. Daarnaast bezat hij nog de hof tgen Eijcken te Blerick. (Hoofdgerecht 313-f.319 en f.292.)
 

Stoffer van Erckelandt in De Reijp...
Het huis achter de Muur naast de Brugpoort bleef ondanks, of misschien wel dankzij bovenvermelde strubbelingen op naam van Stoffer van Erckelandt staan. Maar ook dat is niet zonder slag of stoot gegaan.

We komen hem al eerder tegen, in maart 1600 toen Nicolaes Clement, ruiter in het leger van graaf Hendrick van den Bergh, een aanklacht tegen Stoffer indiende. Het garnizoen bevond zich toen te Roermond, waar Clement met zijn vrouw intrek had genomen in een der herbergen. De ruiter was met toestemming van zijn korporaal voor enkele dagen de stad uit (naar de muiters, die toentertijd tegen het plaatstelijke gezag in opstand waren gekomen).
Stoffer had nog enig geld van hem tegoed. Dat ging hij toen verhalen op de vrouw van Clement en zocht haar op in haar logement. De vrouw wist echter van geen geld. Zij wilde haar zoontje er wel op uitsturen, maar dat kon nog wel enige tijd duren. Daarop begon Stoffer te tieren en maakte haar uit voor hoer en karonje en andere vunzige zaken. Hij wilde het geld, of hij zou wel aan haar kleren komen, "hij soude haer den rock ahm hinderste aff snijden".
Na verdere injurieuse proposen en vuile woorden, heeft hij de daad bij het woord gevoegd en haar de rokken van het lijf gesneden en haar ere genomen. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 106-103.)

Ook Stoffer had met moeite de aanbetaling op het huis bijeen kunnen krijgen, en dan werd hij voorlopig ook nog slechts als huurder in plaats van eigenaar behandeld. In 1608 lag hij daarover in de clinch met, opnieuw Jan van Sittardt namens diens oom Merten Montenack. Christoffel zou van de koopsom nog 1060 gulden zijn schuldig gebleven, wat neerkwam op een jaarlijkse rente van nog eens 66 gulden 15 stuivers.

De nieuwe eigenaar beweerde echter dat hij zelfs 100 gulden teveel had betaald, maar het geld berustte, hangende de zaak, bij het gerecht. Hij had daartoe een lijst ingediend, waarop de betalingen genoteerd stonden, in allerhande toen gangbare munten, zoals rosenobels, dukaten, angelotten, een henricus, spaanse pistoletten, koningsdaalders, dubbele albertussen, franse cronen, cruisaten, friese en gelderse rijders. Alles bij elkaar omgerekend 1792 gulden, waarvan hij 117 gulden terug verlangde.

Stoffel had aan het gerecht verzocht om de betalingen aan Montenack gedaan, in beslag te nemen, zolang ze zaak niet was afgehandeeld. De dubbelrol, die Montenack heeft gespeeld, komt nog eens duidelijk naar voren. Van Stoffer wist hij 50 gulden bovenop de koopsom te krijgen, om enig beschud op het huis te voorkomen, terwijl hij het echtpaar Classen had aangespoord om het huis als beschudders alsnog te kopen.

Zolang de koopsom niet volledig was betaald, was bedongen, dat Ercklenz daarover huishuur zou betalen, terwijl Montenack nog een jaarhuur van de vorige bewoners aan zich had getrokken. Verder had Stoffer uit eigen middelen de reparaties betaald wegens stormschade aan het huis, "door ongestumicheit des wintz", waarbij nog meer andere huizen schade hadden opgelopen. (GAR, Hoofdgerecht 110-226.)

Twee jaar later was het Stoffer zelf, die zich wendde tot het gerecht. Hij woonde toen al sedert vier jaar in het huis achter de Muur. Wegens achterstand in betaling van de koopsom, werd hij nog steeds niet als "eijnen eijgenthumer" beschouwd en betaalde hij daarvoor de jaarlijkse huursom. Als zodanig was het niet meer dan billijk, dat de reparaties aan het huis, o.a. gemaakt wegens genoemde paasstorm, hem door Sittardt vergoed zou worden. Stoffer had al meer dan 100 daalders hieraan uitgegeven.

Verder betoogde hij, dat hij de aanbetaling van 700 gulden, werd nog steeds door Montenack achtergehouden. Dit bedrag diende naar verhouding op de huurprijs (van 47 gulden) in mindering gebracht te worden. Of hij zou van het geld behoorlijke rente moeten genieten. (GAR, Hoofdgerecht 113-296.)

 
Het huis genoemd In de Reijp achter de muur...
In juni 1626 brachten twee schepenen een bezoek aan het huis van Stoffer van Erckelenz achter de Muur. Daar lag zijn vrouw Catharina ziek te bed. Het was tijd om een en ander officieel te laten vastleggen. De langstlevende van beide echtelieden mocht het huis met 400 gilden belasten, om daarmee de openstaande schulden te betalen. Verder wenste Catharina dat haar kleren en overige persoonlijke spullen op haar dochter zouden overgaan.

De oudste twee kinderen, Gerardt en Lysbeth waren hierbij aanwezig. Het huis van het gezin Erckelenz droeg ondertussen de naam van Die Reepe, naderhand meestal als De Reijp geschreven. Over De Pauw werd al geruime tijd niet meer gesproken. In een van de akten was zelfs sprake van Erps huis, verwijzend naar de eigenaar midden 16e eeuw.


"Eersamen unde vromen Critoffell Erclens, mijnen gunstigen gueden frundtt,
tot eigen hendt, In die Reip"
Vermeld op een schrijven uit 1609 in het proces hierboven vermeld. (inv.nr. 110-226.)

Stoffer had nog een huis Achter die Leuf, gelegen naast het huis van zijn zuster Lisbet, weduwe van Andries Quicken. Beide huizen waren afkomstig van hun ouders Jacob van Erckelandt Else Stoffers.

Elisabeth van Erckelenz trouwde omstreeks 1635 met Linnerdt Beeck, zwager van Gerardt Quicken. Al in 1641 is sprake van het huis van Lysbeth van Ercklandts achter de Muur, terwijl beide echtelieden dan nog in leven zijn. (Hoofdgerecht 315-f.194.) Het blijkt een ander huis te zijn, dat zij in januari 1652 voor 450 gulden en 2 stenen vlas verkopen aan Peter Janssen van Elmpt. Ook hadden zij Achter de Luif nog twee huizen. Het ene, gelegen naast De Ster, afkomstig uit erfenis van Stoffer van Erkelenz en het andere huis ernaast, in 1643 aangekocht op een openbare veiling en zes jaar later weer verkocht aan Caspar Melpers.


Een echtpaar Quicken-Beeck als ouders van Lucia Quicken komt noch in de kerkregisters
noch in de gichtboeken voor; hoewel in juni 1643 sprake is van
Linnerdt Beeck en zijn zwager Gerardt Quicken,
betreffende de verdeling van erfgoederen.
(Hoofdgerecht 316-f.8.)

 

Lenardt Beeck en zijn vrouw belasten het huis achter de Muur in oktober 1658 met een rente van 7 gulden jaarlijks, uit een kapitaal van 119 gulden en 7 stuivers. Het geld is afkomstig van Peter Wolters en Peter van Wessem, in hun functie als kerkmeester van De Kapel int Zand. (Hoofdgerecht 317-f.38.)

De weduwe Bosman heeft de poortweg tussen haar huis op de hoek van de Brugstraat en het huis van Lenart Beeck met muurankers voorzien. Deze steken in de zijmuur van haar buurman, waartoe zij echter niet gerechtigd was. In ruil zal voortaan het hemelwater van Lenarts huis via haar erf mogen aflopen. (Hoofdgerecht 317-f.50.)

In die jaren stond het huis nog steeds open als herberg, waar ook geregeld openbare zittingen werden gehouden zoals bij verkoop van huizen bij opbod met de kaars. Ook had hij toen nog het huis Achter de Luif aangehouden.

Nog in in december 1666 treedt Lenard Beeck op als voogd van de minderjarige Johan Quicken, zoon van Gerlach. Twee maanden later koopt het echtpaar Beeck nog een stuk land aan de Wolfskeel. Enkele jaren later, in mei 1669 treedt Liesbeth van Erckelenz alleen op, als weduwe. Ook in mei 1670 is dan sprake van het huis van de weduwe en kinderen van wijlen Leonardt Beeck, achter de Muur. Zijn vrouw genoot tevens het tochtrecht (vruchtgebruik) van de helft van het huis De Hoerdewael over de brug, toentertijd De Clocke genoemd. (Hoofdgerecht 318-f.8.)

Oproer in de Brugstraat

In april 1671 wist een deserteur uit het cachot van de Brugpoort te ontsnappen. Volgens de procureur en de schout met behulp van enkele kameraden. Het kwam tot een kleine volksopstand in de Brugstraat tegen de militairen. Naderhand werden Christoffel Puytelinck, den schildenaer, Jacob Beeck in Die Reijp en Willem Smeets als aanstichters voor het gerecht gedaagd. Vooral de tweede, een lanck kerl, wist een achtervolger te doen stoppen, door het paard bij de teugels te vatten. Zelf probeerden de drie, ieder voor zich, hun rol in het tumult zo klein mogelijk te maken. (Hoofdgerecht inv.nr. 152-1259.)

 

Gestechel over de erfenis...
Het huis De Reijp ging vervolgens (na het overlijden van zijn moeder) over op hun zoon Jacob Beeck. Waarschijnlijk was hij toen al verhuisd naar de Oliestraat. In augustus 1677 verkochten Jacob en zijn vrouw Anna Seventer zijn ouderlijk huis, genoemd In de Reijp, met de stalling en moeshof, aan Willem van der Schuijren en vrouw Jenneken van Asterbergh. (Hoofdgerecht 318-f.136.)

Na het overlijden van Jacob, ontstond er onenigheid onder de erfgenamen betreffende de onderlinge verdeling van de nalatenschap. Het geschil geeft ons meer inzicht in de familieverhoudingen en over de voorgeschiedenis. Aanvankelijk ontmoetten Johan Bredenbach en procureur Johan Geelen elkaar voor het Hoofdgerecht. Beiden waren via hun vrouw aangetrouwd erfgenaam van wijlen Jacob Beeck. Het gerecht kwam er niet uit althans volgens procureur Geelen, die het vervolgens in 1684 hogerop zocht bij het Hof van Gelder. In april 1685 vond dit zijn beslag in een overeenkomst tussen partijen.

Bredenbach was getrouwd met Lucia Quicken, zijdelings erfgename van Jacob Beeck. Gertruyt Alemans, de vrouw van Geelen, was weduwe van genoemde Jacob Beeck. Deze was in vorig huwelijk getrouwd met Anna Seventer, dochter van Herman Seventer (ook Zevelaer) en Gertruijdt Baltissen.

De onenigheid had te maken met de inventarisatie van de nagelaten goederen en wegens de kooppenningen van het huis De Reijp achter de Muur. Jacob had het huis verworven tijdens zijn eerste huwelijk met Anna Seventer. Daardoor zouden wederzijdse erfgenamen hun deel krijgen. Het ging o.a. over de restanten uit de koopsom van het huis achter de Muur, in 1677 verkocht aan Willem van der Schuyren. Dan was er nog het huis op de hoek van de Oliestraat, dat Jacob als weduwnaar had verworven van zijn schoonmoeder Gertruijdt Baltissen.

De overdracht, gedateerd in mei 1678, spreekt van een gift onder levenden, wegens "seeckere weldaeden ende beneficien". Gertruijdt had de huisplaats naast haar huis als weduwe aangekocht en betimmerd. Zij kon er dus naar eigen goeddunken vrij over beschikken, zonder inspraak van anderen. (Hoofdgerecht 318-f.153.)

Geelen had geklaagd, dat hem uit de nalatenschap van Jacob Beeck al zo weinig was toegevallen, terwijl hij daartegen wel meerdere schulden van zijn voorganger had afgelost. Uiteindelijk is men dan toch tot een vergelijk gekomen. Johan Geelen zou aan zijn opponent Johan Breydenbach overdragen 300 gulden uit de kooppenningen van het huis De Reijpe, verder zijn vermeende rechten op het huis achter de Leuf, op de goederen te Posterholt en op een moeshof opde Deemsel.

Anderzijds droeg Breydenbach aan procureur Johan Geelen over diens rechten op twee kapitalen, te weten de rente uit 100 pattacons ten laste van de stad Roermond en van 200 pattacons ten laste van de gemeente Maasbracht. Verder de eigendom van 4 percelen akkerland buiten de Zwartbroekerpoort en het huis in de Oliestraat.

Elke partij zou daarbij ook de bijbehorende lasten op de hem toegewezen bezittingen dragen.

De bezittingen onder Posterholt geven we hier een aparte vermelding. De omvang van de landerijen werden niet vermeld, maar het kunnen meerdere bunders land geweest zijn en wel in het gebied, genaamd In de Reijp, waaraan het huis achter de Muur mogelijk zijn naam heeft ontleend. (Hoofdgerecht 319-f.165.)

 

In mei 1693 belenen Willem van der Schuyren en Jenneken van Astenbergh, de nieuwe bewoners van De Reijp, hun huis achter de Muur met een kapitaal van 250 rijksdaalders bij de armenmeester Johan Cox en vrouw Elisabeth Segers. Het geld hadden zij nodig om de lening van 300 rijksdaalders, die op het huis waren blijven staan af te lossen, zoals in de koopakte was overeengekomen. De nieuwe eigenaars zullen wel niet bekend zijn geweest van enig verband tussen hun herberg en de goederen In de Reijp te Posterholt. (Hoofdgerecht 319-f.320.)

In 1700 en 1701 is er sprake van het huis van de weduwe van Willem van der Schuijren. In het eerste geval gaan de voorzoon Guillaume van der Schuijren en zijn zuster een lening aan met als onderpand twee huizen elders in de stad. Daarin was ook zijn halfzuster Helena gerechtigd.

In de tweede helft van de 18e eeuw is het pand van De Pauw (en mogelijk van het buurpand Het Krenske) in gebruik als uitgang en bedrijfspand bij het huis De Zonne in de Brugstraat (nr. 23). Genoemde panden Achter de Muur hadden de woon- en horeca-functie toen al geruime tijd verloren.

Laatst bijgewerkt: 10-03-2017 - - - -- - - - - - - - - -KIJ 35. De Helm; 36. Die Karre; 37. In Nijmegen
Brugstraat 9-11-13*


Rechts van het gotische huis: De Helm, Die Karre en In Nijmegen.

Een ongeduldige zoon wacht op zijn erfenis...
Ongeduldig moet Lenard hebben zitten wachten tot zijn 25e levensjaar, de leeftijd, waarop hij wegens meerderjarigheid zelfstandig kon handelen. Dat was begin 1600. In dat jaar speelde voor het Hoofdgerecht een zaak tussen Lenardt Ghisken (van Maasbracht) namens zijn vrouw Grietken en zijn stiefzoon Lenard, zoon van wijlen Lenart van Loesen. Lenard jr. had al enkele keren aan zijn moeder gevraagd wanneer zij met haar tweede man het ouderlijk huis voor hem zou ruimen. Ghiskens wilde zelf ook wel weten in hoeverre de zoon gerechtigd was, het huis voor zich op te eisen. Zijn vrouw Grietken Witmekers had toch immers als de weduwe Loesen het recht om haar leven lang in het huis te blijven wonen?

Lenard junior beweerde, dat hij het huis De Karre met de inboedel niet van zijn vader, maar na diens overlijden rechtstreeks van zijn bestevader Jan van Loesen had toegewezen gekregen. Daarmee kwam, volgens de jongeman, het weduwenrecht voor zijn moeder te vervallen.

Ghiskens sprak die uitleg over de gang van zaken tegen. Toen Lenards vader zelf nog jonggezel was, had hij na het overlijden van zijn moeder Styncken Rijcken, het huis van zijn vader Jan van Loesen verworven. Daar is hij als jonggezel gaan wonen en toen hij met Grietken trouwde, heeft hij het huis mee in het huwelijk gebracht.

Erfdeling tussen broer en zus...
Zo'n dertig jaar geleden, in februari 1575, had Jan van Loesen, op aanraden van zijn tweede vrouw Heyle Linssen, de twee huizen in de Brugstraat, aan zijn twee voorkinderen overgedragen. De huizen waren immers merendeels afkomstig van hun moeder Styncken Rijcken. Heyle Linssen, de weduwe Karren, die ondertussen in Horn was gaan wonen, herinnerde het zich nog goed, hoe de verdeling tussen broer en zus had plaats gevonden.

Lenard en zijn vrouw Grietgen (Witmeekers) verwierven daarbij het huis waar zij toen al in woonden, genoemd Die Karre, met het plaatsje en de halve stal achter het huis en de halve hof naast de watergoot (kaenel), tot op de hoek van de muur tussen dit erf en buurman Krenkens; tevens zou dit huis ook het water dragen afkomstig van het andere huis. Daartoe mocht hij tevens een onderaardse goot naar de straat aanleggen.

Zijn zuster Marie van Loesen, in huwelijk met Gerit Peys van Craenenborgh, erfde het huis ernaast met de achterste plaats en de halve schuur, met de hof aan de schuur, naast het huis van Johan van Herps. Bij hun erf behoorde ook het hoppen-zolderke achter de keuken. Tussen beide huizen liep een steenweg voor beider gebruik.

Omdat het huis Die Karre meer waard was dan het huis waarin Marie woonde, zou de jaarrente van 3 daalders, staande op haar huis, met de hoofdsom van de lening, in het vervolg door Lenart gedragen worden, te betalen aan de erfgenamen van hun broeder(!) Lenart te Ool.

De zogenoemde kerfcedule (akte van scheid en deling) was opgemaakt door Joachim van den Ertwich, prior van st. Elsburch, in aanwezigheid van Jan Gerlincx, halfman op Melenborch. Ook al was de akte niet voor het Hoofdgerecht geregistreerd, dan nog was de overeenkomst rechtsgeldig. Marie Loesen genaamd Karre hertrouwde binnen zes jaar met Dries van den Erdweg. Uit dit tweede huwelijk zijn twee zoons bekend. In 1597 hield de weduwe Marie van Loesen herberg aan huis. (GAR Hoofdgerecht inv.nr. 106-99)

Lenard jr. bleef echter volhouden, dat zijn stiefvader niet kon bewijzen, dat Jan van Loesen toenmaals afstand had gedaan van zijn tochtrecht als weduwnaar. Hij was alleen akkoord gegaan met het voorstel om de twee huizen, naast elkaar gelegen in de Brugstraat, tussen zijn twee kinderen als hun woning te delen.

 

Herkomst van de twee huizen in de Brugstraat...
Voor de herkomst van beide huizen moeten we verder in de tijd teruggaan. In juli 1554 verkochten Jacob van Greverayde en vrouw Lysbett hun stenen huis in de Brugstraat, tussen het huis In gen Kair en Dirck Beckers huis, aan Johan van Loosen en vrouw Styne Rijcken. Het jaar daarvoor had het echtpaar Greverayde zijn huis nog belast met een kapitaal van 60 daalders tegen een rente van 3 gelijke daalders. Toen werden als buren genoemd Johan van Loesen (gnd. Karre) en Dirck Beckers. (GAR, Gijs van Bree, regesten 2644 en 2427; Hoofdgerecht 311-f.58 en f.44.)

Dat andere huis ernaast, genoemd Die Karre, had Styncke, dochter van Hamond Rijcken, verworven middels haar eerste huwelijk met Henrich van Kayrk (+ 1550/52). Omstreeks 1550 of eerder had Dederick van Kaircken zijn aandeel in het huis aan zijn broer en schoonzuster verkocht. In oktober 1552 was Styncke hertrouwd met Johan van Loosen. Aanvankelijk behield zij het halve huis en het vruchtgebruik op de wederhelft. In juni 1554 verwierf zij middels aankoop alle rechten op het hele huis. (GAR, Gijs van Bree, regesten 2373 en 2867; Hoofdgerecht 311-f.40 en f.74.)

Het huis Nijmegen in de Brugstraat...
Johan in gen Karre en Styncke Rijcken hadden sindsdien twee huizen naast elkaar in de Brugstraat. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen bekend, Lenardt en Marie in de Karre. Johan hertrouwde met Heylle Linssen. Na het overlijden van haar man (omstreeks 1585) verhuisde de vrouw naar Horn. Volgens de beweringen over en weer in voornoemd proces, zou Johan zijn zoon Leonard hebben overleefd. Deze wordt echter in 1597 nog genoemd als oom en voogd van de minderjarige kinderen van zijn zuster Marie. Rond 1600 wordt Linnart in de Karre genoemd, wegens zijn huis aan O.L.Vrouwe-Oord. Dat is dan Lenardt Giskens, de tweede echtgenoot van Grietken Witmeekers, de weduwe Loosen. Hij stierf voor de zomer van 1605. In dat jaar stond het huis nog op naam van Lenardt van Loosen zlgr. (Hoofdgerecht 312-f.180.)

Lenardt van Loosen jr. trouwde kort na 1600 met Sillie van Heel. Hun kinderen werden wisselend gedoopt onder de naam Loosen en In de Karre. (Anno 1620: Lenardt van Loosen genamt Karcken. De aliasnaam lijkt veel op die van zijn voorzaat, Henrich van Kayrk.)


het wapen van nijmegen

In 1601 werden de twee huizen afzonderlijk genoemd. Die Karre stond op naam van Lenart van Loesen zlgr. Zijn zuster Marie Karre woonde in het huis ernaast, waar toen (het wapen van) Nijmegen uithing: ... "ende tgene daer itzonts Nijmegen vuythanckt". In een andere rechtszaak uit 1608 zit een schuldbekentenis, opgesteld in februari 1603. Daarin is opnieuw sprake van Merij van Loesen, alias Marie in De Karre, herbergierster in Nijmegen te Roermond. In de overdrachten komen we deze benaming voor het pand nergens tegen. Mogelijk, dat met het uithangbord het wapen van Nijmegen bedoeld werd. (GAR Hoofdgerecht inv.nr. 110-215.)

Uit haar tweede huwelijk met Dries van den Eertwegh zijn twee zoons bekend, Dirck en Dries jr. Het is aan te nemen, dat het gezin in het huis aan de Brugstraat heeft gewoond. Na het overlijden van haar man, komt Marie in De Kar in de overdrachten alleen onder haar eigen naam voor en niet als de weduwe Eertwegh. Dat is tevens een aanwijzing, dat de vrouw onder die naam meer bekendheid genoot en dat zij vaker op de voorgrond trad, dan gebruikelijk was. Meestal werden weduwen nog genoemd onder de naam van hun overleden echtgenoot. Meer over de familie Van den Eertwegh is elders op deze pagina te lezen onder nummer 13: Het Steenhuis met Den Otter.

De twee huizen opnieuw onder een dak...
Marie van Loosen zal omstreeks 1620 (in elk geval tussen september 1618 en mei 1622) gestorven zijn. In april 1643 verkoopt haar kleindochter Christina van den Eertwegh, de weduwe Frencken, met de voogden van haar zoontje Derick, haar huis, gelegen poortwaarts naast Die Karre, voor 210 rijksdaalders aan haar achterneef Jan van Loosen en vrouw Margriet in Den Ancker.
(Hoofdgerecht 316-f.6.)

De familie Loosen, herbergiers en brouwers, was rijkelijk gegoed. Zoals meer welgestelde burgers voor minderbedeelden een onderkomen stichtten, was dat ook hier het geval, blijkens "het Loosen armenhuisje van die Kar", gelegen achter Mariagarde. Dat was in 1654. Dertig jaar eerder is er zelfs sprake van meerdere armenhuisjes van Lenart van Loesen en consorten, mogelijk afkomstig van Marie in de Karre (1609), en in 1602 genoemd als Karren armenhuisjes. (Hoofdgerecht 317-f.15 en 314-f.95 en 313-f.18 en 612-f.122.)

Het overlijden van Lenardt van Loosen is niet bij benadering te duiden. Na 1624 komt zijn naam in de overdrachten niet meer voor. Maar van zijn weduwe Sillie in Gen Karre vernemen we eerst iets in 1649. In juli van dat jaar verkoopt zij met assistentie van haar zoon Jan van Loosen een huis achter de Leuff. Het huis De Kar staat vijf jaar later op naam van haar zoon. (Hoofdgerecht 316-f.87 en f.223.)


Het verhaal van
het gotische huis
,
Brugstraat 7, staat elders op deze
website.

Een derde huis op rij...
In totaal 15 oxhoofden Franse wijn was Andries Soetermans aan de weduwe Kindt schuldig gebleven, voor een totaal bedrag van 225 rijksdaalders. Ondanks meerdere aanmaningen lukte het zijn buurvrouw Gertruidt Raemaeckers niet om haar geld te krijgen. Uiteindelijk werd beslag op het huis van Soetermans aangetekend. In oktober 1654 werd het huis De Helm, tussen herberg De Kar en het huis van de weduwe Kindt (in het gotische huis) bij opbod met de kaars verkocht. Als laatste hoger verwierf Jan van Loosen het huis van zijn buurman. (GAR, Hoofdgerecht inv.nr. 137-916.)


g. "gotisch huis"; H. De Helm; K. De Kar; N. In Nijmegen.

De brouwer/herbergier bezat toen drie huizen naast elkaar in de Brugstraat: De Helm, Die Karre en In Nijmegen. Laatstgenoemde herberg komen we als zodanig alleen rond 1600 tegen. De Helm werd zo genoemd in de akten begin jaren 50 van die eeuw. Dit huis werd in 1687 in twee woningen opgedeeld, zoals op de oudste kadasterkaart nog te zien is. (Hoofdgerecht 319-f.291v.)

Jan van Loosen was in augustus 1632 getrouwd met Margriet van Den Ancker. Uit erfenis verwierf hij het huis De Karre en van zijn achternicht Christina van den Eertwegh kocht hij het huis ernaast, afkomstig van zijn oudtante Marie in De Karre. Kort daarop verwierf hij bij openbare verkoop het voornoemde huis De Helm aan de andere kant, afkomstig van Andries Soetermans van Ophoven. Tezelfder tijd verstrekte de bierbrouwer een lening van 133 rijksdaalders aan het echtpaar Willems achter de Leuff.

De gegevens die te halen zijn uit diverse rechtszaken voor het Hoofdgerecht van Roermond kunnen hier en daar de leemtes aanvullen, die nog zijn gebleven na het raadplegen van de overdrachts-protocollen. Lang niet alle verdragen werden immers op het stadhuis ter registratie aangeboden, zo blijkt.


Rechts: Brugstraat 11, voorheen huis, herberg en brouwerij De Kar.

Twee huwelijks-overeenkomsten...
In juli 1659 werd de huwelijks-overeenkomst opgemaakt te Heijthuijsen tussen Lenart van Loosen en Thijsken Verstraelen, jongedochter van Jan Verstralen en Marie Belthen. Lenardt kreeg bij die gelegenheid van zijn ouders mee het huis Den Halven Maen in de Neerstraat voor de duur van 15 jaar, om als zijn eigen woning en zonder huurprijs te gebruiken. Daartoe kreeg hij nog een zegelbrief van 400 gulden mee. De bruid kreeg van haar ouders een kapitaal van 300 rijksdaalders mee in het huwelijk.

Willem van Loosen was in november 1660 getrouwd met Maria Bartmans, jongedochter van Anthon Bartmans, koopman te Susteren, en Elisabeth Moors. De huwelijks-overeenkomst werd opgemaakt in het ouderlijk huis van de bruid, genoemd Der Behr te Susteren. Willem zou 200 Albertusdaalders mee in het huwelijk brengen, waartegen de bruid o.a. een huis aan de Limburgerstraat te Sittard als bruidschat meekreeg. Aanvankelijk woonde het gezin (tot ongeveer 1668) in Susteren, waar de oudste kinderen geboren werden. In april 1671 hertrouwde Leonardt met Helena Bontius. (GAR Hoofdgerecht inv.nr. 199-2158.)

Verdeling der goederen onder de kinderen...
Midden december 1682 werd een erfdeling gehouden onder de zoons Willem en Hubert en het nakind van wijlen Leonardt, over de resterende goederen van hun overleden vader. Hieruit blijkt dat zoon Mattheuis bij eerdere gelegenheid het huis, moestuin en brouwerij De Karre van zijn ouders had overgenomen. Ook Hubert van Loosen, die ongehuwd is gebleven, heeft van zijn ouders enkele goederen vooraf toebedeeld gekregen, ter compensatie van de huwelijksgiften die zijn broers hadden meegekregen. Hietoe behoorde o.a. de grote baand te Maasbracht (in 1680 nog op naam van zijn vader, volgens het meetboek uit dat jaar.)

Uit het bunderboek van Linne, opgemeten eind 1661 blijkt dat Jan van Loose aldaar een niet gering aantal stukken land en heide had liggen, bij elkaar ruim 16 bunder. Daartoe behoorde ook een kempke met huis en moeshof, 18 morgen groot, ergens nabij het Hobert. Naderhand blijkt zoon Hubert zich in Linne te hebben gevestigd. Dat we nog steeds met dezelfde familie Loosen te maken hebben, blijkt uit een van de stukken, waarin Hubert genoemd wordt, samen met zijn schoonzuster Helena Bontius. (RHCL te Maastricht 01.017: archief schepenbank Linne inv.nr. 10; GAR Hoofdgerecht inv.nr. 175-1698.)

Oud van jaren had Jan van Loosen intrek genomen in het huis naast De Karre, afkomstig van de erven Van den Eertwegh. In het andere huis woonde zoon Willem. Hubert erfde het huis en brouwerij Den Halven Maen aan de Ploeghsput in de Neerstraat. Willem erfde het sterfhuis van zijn vader, terwijl het nakind van wijlen Leonardt het tussenhuis erfde.

Dit laatste huis, voorheen De Helm genoemd, was beduidend minder waard. Bij dit erfdeel werden derhalve nog andere goederen toegevoegd. Ten eerste een zegelbrief van 300 gulden, staande op het huis In den Ancker achter de Muur, twee percelen land, een huisplaats aan Swartbroeck en een moeshof buiten de Brugpoort. Naderhand werd nog besloten, dat Hubert uit uit zijn huis aan de twee anderen elk binnen jaar en dag 50 gulden zou uitkeren. (GAR Hoofdgerecht inv.nr. 199-2158.)

In juni 1684 zag Helena Bontius, de weduwe Loosen zich genoodzaakt om het huisje achter de Leuff namens haar kinderen te verkopen, om daarmee gemaakte schulden af te lossen. Het Hoofdgerecht van de stad gaf toestemming om het aandeel van wijlen Lenardt van Loosen zaliger aan de overige erfgenamen te verkopen. (Hoofdgerecht 319-f.93v.)

Het huis De Helm wordt gesplitst in twee woningen...
In juli 1687 vond verdeling plaats van het huis, voorheen genoemd De Helm, in twee afzonderlijke woningen. Het halve huis naast de weduwe Kindt, viel toe aan Marie, dochter uit tweede huwelijk van Leonardt van Loosen en Helena Bontius. De andere helft naast De Karre ging over op Mattheus van Loosen jr., getrouwd met Petronella Nabels. Uit het eerste huis zouden 115 gulden worden uitgezet op het huis van Mattheus tegen een rente van 5%. Er was rekening gehouden met enkele aanpassingen aan de twee huizen op aanwijzingen van de ingehuurde meester-timmerlieden en de meester-metselaars. Tussen beide percelen zou tot aan de put een muur gemetseld worden. De put bleef overigens tot gbruik van beide woningen. Het oude houtwerk diende vernieuwd te worden. (Hoofdgerecht 320-f.291v.)

De familie Loosen had ook nog bezittingen onder Wassenberg en Roggel. In juli 1697 komen Matthevis van Loosen en zijn vrouw Petronella Nabels overeen met zijn schoonbroer F.M. Ophoven en Maria van Loosen, om financiële zaken, o.a. wegens verkochte landerijen in genoemde plaatsen onderling te vergelijken. Ook werd daarbij afgesproken ieders aandeel in de aflossingen, afkomstig van geleend kapitaal door hun ouders Jan van Loosen en Margriet van den Ancker. (Hoofdgerecht 321-f.169.)

Bartholomeus Gebels had voor het gericht te Echt beslag laten leggen op de helft van 320 gulden, het aandeel van Leonardt van Loosen de jonge in genoemd kapitaal. De zaak dreigde doorverwezen te worden naar het Hof van Gelder. In december 1699 stelde Leonardt van Loosen daartoe als onderpand zijn achtste deel in de brouwerij De Halve Maen en zijn aandeel in het huis De Karre, in de Brugstraat, namelijk het zevende deel uit de nalatenschap van zijn vader. Verder stond Leonardt borg met zijn aandeel in de overige huizen en landerijen binnen het stadsgebied van Roermond. (Hoofdgerecht 321-f.368.)

In 1696 stond het huis De Karre nog steeds op naam van de familie Loosen. Onderling had men onenigheid over de eigendom van drie zogenaamde armenhuisjes. Marie van Kerckhoven, weduwe van Matthevis van Loosen, betwistte de anderen de eigendom van deze huisjes, die volgens de weduwe "souden een dependent wesen van het huys in de Brughstraete, de Karre genaemt". (Hoofdgerecht 195-2095.)

Het Wit Peerdt
De historische naam De Kar is dus foutief verbonden aan het pand Brugstraat 7, het zogenaamde gotische huis, dat ooit wel bekend stond als Het Wit Peerdt.
* De Helm werd in 1687 opgesplitst, hetgeen nog te zien is op de kadasterkaart van 1843. Beide panden werden naderhand weer samengevoegd. Wat betreft Die Karre en In Nijmegen is over opsplitsing of samenvoeging (nog) niets bekend. Vanaf de brugpoort lag Die Karre twee huizen voor het gotische huis. Nu is dat Brugstraat 11.