............ HUIS DE STER

Laatst gewijzigd: 23-02-2019 © Jan Ruiten

HET WIJNHUIS COX
Brugstraat 12.

Het was het enige huis in de Brugstraat dat een uitgang had op de gats. Naast het huis lag een lege timmerplaats, waarschijnlijk nog een overblijfsel van de eerste stadsbrand in juli 1554. Gerardt Kocx besloot die lege plaats te verkopen. Ruim een halve eeuw later kocht Jan Cocx de plaats, inmiddels bebouwd (nr.10). Een kwart eeuw later kocht hij ook het huis ernaast, de Sterre genoemd. Over die periodes overlappen de beide opstellen elkaar.

Midden 16e eeuw stond het huis met de plaats nog op naam van Johan Heijster en Catharina van Huckelhoven. Op 1 april 1593 verkochten hun zoons Hendrick, Bruno Heister, voogd tot Sittard, en Gerhartt Heister, schout te Roermond, huis en stal met de lege timmerplaats voor 2700 gulden aan hun "neef" Johan Goltstein en vrouw Christine Graess. De huisplaats grensde van achteren deels tot de muur van Catharina Schoelmans en kwam via een smalle doorgang uit op de Spiesengats, tegenwoordig enkel nog bekend als kortweg De Gats (tussen Marktstraat en Roerkade). (HGR inv.nr. 312-f.17.)

"...ein huiß mit den stall und bieliggender timmerplaitzen... achter ain Spießengatze uitgainde..."

Aankopers hadden niet de bedoeling om het huis, zoals hierboven beschreven, te behouden. Nog diezelfde dag, meteen na de overdracht verkocht het echtpaar Goltstein huis en stal met de lege plaats en de gang voor hetzelfde bedrag door aan Dederich van Leeuwen en Anthonia van Hattem. Dat was dus tevoren afgesproken en bedisseld. (HGR inv.nr. 312-f.17.)

1593 aankoop huis, hof en timmerplaats door het echtpaar Cocx-Bordels.

Er was nog iemand die belangstelling had voor het huis in de Brugstraat. In de eerste meiweek, dus binnen de termijn van zes weken maakten Gerard Koich en zijn vrouw Lysbeth Bordells, als naaste verwanten van de verkopers, gebruik van het beschudrecht. Voor een gelijk bedrag plus de bijkomende kosten en tevens volgens dezelfde afspraken als in de originele koopakte vermeld, trokken zij de koop naar zich toe. De eerste kopers mochten immers wegens het beschud geen enkel financieel nadeel aan de verlopen transactie overhouden. Het was niet de eerste keer, dat het echtpaar Leeuwen de koop van een huis aan zich voorbij zag gaan. (HGR inv.nr. 312-f.17.)

Augusus 1593: doorverkoop van de lege timmerplaats aan echtpaar Truitwein-Maessen.

Drie maanden later, in augustus 1593, verkocht het echtpaar Koich de lege timmerplaats (met resten van een uur) naast het huis vervolgens aan Michiel Truitwein en Beel Maessen (alias Grommers) voor de prijs van 1575 gulden. Deze timmerplaats liep door tot aan de muur van Marie van Cruchten.

De stal achter de plaats met de kamer daarboven bleven onderdeel uitmaken van het huis. Vanuit de stal liep een gang van 4 voet binnenwerk tot aan de Spiesengats en mocht door beide partijen gebruikt worden. De waterlopen zouden blijven zoals vanouds. Het heimelijk gemak achter de stal was eveneens voor beiderzijds gebruik. Cocx zou op zijn erf een pomp in de grond van de put steken en "het waeter tot seins huisgesins geryff und gemack dairuit pompen moegen". (Anderhalve eeuw later bestond dit recht van doorgang nog steeds.) (HGR inv.nr. 312-f.22.)

"... ein gangk van vier voeten binnenwercx in Spießengatzen uitgainde, gehalden auch beijden erven gemein sein... ... ...und dat heimelicke gemaick beijden sijden gemein sein und blijven, in gestaltt dat soewail der vercoiper als coiper jeder van sijnen erven pijpen dairinne sollen steecken moegen..."

Voor het nieuw op te timmeren huis had het echtpaar Truitwijn bij de pastoor van de Nieuwenhof in Roermond 700 gulden opgenomen tegen de gebruikelijke rente. Tien jaar later bevestigde de weduwe Beel Maessen deze belening. Haar man was kort daarvoor (1595) onderweg naar Maaseik door een bende (convoy) vrijbuiters overvallen en omgebracht. Deze belening werd in oktober 1636 door de nieuwe bewoners van het huis afgelost. (HGR inv.nr. 312-f.61.)

"... aver immittelst tusschen hier und Maeßeick op einen convoy van vrijbuteren onversehens umbkomen..."

Na de verkoop van de plaats zouden beide erven afzonderlijk doorgaan, ook al stonden de twee buurhuizen naderhand tijdelijk op dezelfde naam.


De nummers 4, 6, 8 en 10 stonden begin 19e eeuw op naam van brouwer Seipgens.
Nr. 12, waar dit opstel over gaat, was aangekocht door zijn tante Margriet Painsmay, weduwe Seipgens.

Gerhardt Koichs de jonge

Al in 1584 werd Gerard Koichs de jonge genoemd als meester van het kremersambacht, samen met Thomas van Oist. Waarschijnlijk hield hij herberg aan huis, of handelde hij in wijnen. Dat mag blijken uit een schuld van liefst 1116 daalders, en 19 albertussen, Keuls geld, aan de weduwe Gertruidt Bonen, voor geleverde wijnen. Dat was in december 1597. Diezelfde dag was hij aan andere schuldeisers uit Keulen, na afrekening nog 80 gulden schuldig. Ook hier handelde het om geleverde wijn. (HGR inv.nr. 312-f.66 en f.70.)

Meer andere herbergiers binnen de stadsmuren waren geld schuldig aan de Keulse wijnhandelaar Paul Friedrichss van Rangelrade. Genoemd werden Willem van Wessem in De Gouden Leeuw, Frans van Wessem in De Keizer, Henrickxke van der Velde in Die Kirch op de Steenweg, Gerhart Koichss Geritszoon, Matheus van Dulcken (aan Munten-oord) en Dederick van der Smitzen (aan de Markt).

Ook in de familie van Gertruidt werd in wijn gehandeld. Henrich Bordels en zijn zonen Thomas en Gerard en als vierde Gerard Koichs stonden eind 1602 borg voor een nagelaten schuld van zoon Johan zaliger. Hij was met Dederich Roijen een zogenaamde mackerschaft aangegaan. Daartoe had de laatste al 1400 gulden ingelegd. In hun opdracht had Marten Martels 18 voeder wijn* vanuit Keulen naar Dordrecht vervoerd, naar hun broer Huijbe Bordels. Met die transactie was het een en ander fout gegaan. Vader en (schoon)zoons stonden garant voor een bedrag tot 1565 gulden, zodat niet alle schade op Johans compagnon neerkwam. (*= 18 x 875 liter! elders: 18 x 930 l.) (HGR inv.nr. 312-f.135.)

"... toe weten, dat alzulcke dorde paert offt deill van ongefehr xviij voder weins doir Marten Martels van Colln nae Dordrecht aen Huijbe Bordels geschickt..."

Gerardt Koichs de jonge stierf kort daarop, in elk geval vóór september 1606. De weduwe verkocht toen enkele rentebrieven. Ook binnen de familie Bordels werden erfgoederen verkocht met de bedoeling het geld onderling te verdelen. Hetzelfde gebeurde met het familie-huis aan de Markt, waarbij meerdere partijen betrokken waren. (HGR inv.nr. 312-f.171.)

Naderhand hertrouwde de weduwe Kochs met Philip Reinhart uit Wassenberg. Haar zus Jenne was al eerder getrouwd met diens broer Willem Reinarts, schout van Swalmen. Uit haar eerste huwelijk zijn acht kinderen bekend. Alleen de jongste Stoffer Cocx (1606-ca.1675) werd in latere akten nog rechtstreeks genoemd als zoon van het echtpaar Cox-Bordels. Stoffer ging dienen als ruiter in het leger van graaf Hendrick van den Bergh. Met zijn vrouw Hille Cremers bouwde hij een huis aan het Gebroek onder Maasniel, op akkergrond afkomstig van zijn ouders.

Al in augustus 1598 hadden Gerhart Koch en zijn vrouw Lysbeth laten vastleggen, dat de langstlevende het huis in de Brugstraat mocht verkopen, indien nodig vanwege de hoge schuldenlast. Begin 17e eeuw werden nog meerdere leningen opgenomen bij Gootse van Dulcken en vrouw Agnese Selissen. Ook waren zij aan Dulcken nog 1600 gulden schuldig wegens geleverde wijnen. (HGR inv.nr. 312-f.126, f.149 en f.162.)

Gootse van Dulcken

Ergens tussen 1607 en 1613 moet Lysbeth Bordels het huis hebben verkocht om de schulden te kunnen aflossen. In september 1607 stond haar woning nog op naam van Gerardt Kochs zlgr. In november 1613 werd voornoemde schuldeiser Gootse van Dulcken als eigenaar genoemd, oostwaarts van buurman Vostermans. Van de overdracht is geen akte in het gightboek opgemaakt. (HGR inv.nr. 313-f.142.)

Het huis in de Brugstraat, met schulden beladen, werd noodgedwongen verkocht. Overige goederen, zolas het zogenaamde Cox-water aan de molens op de Roer, en een stuk land op het bat aan de haven, zijn overgegaan op hun voornoemde zoon Stoffer Cox.

De schepen Gootse van Dulcken en zijn vrouw Neeske Celissen hadden zelf ook schulden gemaakt. In oktober 1616 toonden zij een zegelbrief, waaruit bleek dat het echtpaar liefst 3300 gulden had opgenomen, met als onderpand het huis in de Brugstraat. Maar bovenal hun goederen onder Beegden in het graafschap Horn gelegen, te weten den hof met huis en spijker. Omstreeks 1625 was Dulckens hof verpacht aan Johan aen gen Eyndt. (HGR inv.nr. 313-f.224.)

Het echtpaar Dulcken-Celissen woonde in hun huis op het eind van de Steenweg (lees: Varkensmarkt) aan de Markt. Ook daarachter hadden zij nog een huis, uitkomend op de Lombardstraat. Vanaf 1627 stonden genoemde goederen op naam van de weduwe, meestal Neesgen van Dulcken genoemd.

In januari 1635 nam de gemeentesecretaris, de lct. Johan Bosman, bezit van het huis, middels de gebruikelijke handelingen, zoals met het openen en dichtdoen van de deuren, met schorten van de haal, met vuur stoken, eten en drinken. Dat doet hij diezelfde dag ook met het sterfhuis van zijn tante Agnes Selissen. Maar het schijnt dat hij toen toch wat al te voortvarend te werk was gegaan. (HGR inv.nr. 314-f.93.)

In november 1636 verkopen Goossen Rijcken en vrouw voor 2625 gulden het huis aan het echtpaar Brunsray-Verhaegen. Als bijzonderheid worden daarbij vermeld het achterhuis en de gang. Amper vier jaar later werd het huis door de schout bij openbare verkoop overgedragen aan don Diego Zorilla en vrouw als hoogste bieders. (HGR inv.nr. 315-f.118 en f. 172.)

Het echtpaar Rijcken-Rosenberch had het huis kort voordien verworven uit erfenis van hun moije Agnes Celissen, de weduwe Dulcken zlgr. Links stond het huis van Gerardt Haesen, naderhand van Hingen genoemd, en rechts het huis van Beelke Grommers. Daarmee werd bedoeld, Beelke Maessen, weduwe uit eerste huwelijk van Gerard Grommers uit de Steegstraat. (HGR inv.nr. 315-f.110.)

Meer over de familie Zorilla staat beschreven in het opstel over het huis van Siceram, links van de gats, dat dus niet Het Herzhoorn is geweest.

In april 1640 werd het huis in de Brugstraat door de schout, namens de heer, verkocht aan zekere Don Diego Zorilla als hoogste bieder bij het uitgaan van de kaars. Als wederzijdse buren werden genoemd Gerard Haesen, zoals hierboven, en Jan Cocx, de brouwer, de nieuwe buurman ter rechter zijde. (HGR inv.nr. 315-f.172.)

"... seker huijs in de Brughstraet gelegen, toebehoort hebbende Gijsbert van Bruijnsraey, neffens Jan Cocx ter einre ende Gerat Haesen ter andere, aen heere Don Diego Zorilla uxori ac suis, soo ende gelijck hem tselve bij vuijtgaender kertsen op huijden verbleven is..."

Diego Zorilla, sergeant-majoor in dienst van Zijne Majesteit de koning van Spanje, was wegens geleend geld en mondkosten geld schuldig aan Jan de Bruijne, koopman van wijnen in herberg De Swaen te Brussel. Om zijn schulden te kunnen voldoen, gaf hij vanuit de hoofdstad der Zuidelijke Nederlanden opdracht zijn zesde deel in drie rentebrieven te verkopen, en in Roermond het zesde deel in de eigendom van het huis in de Brugstraat. Hier zou de lct. Gerardt van Lom, burgemeester der stad, de zaken regelen.

Dat was in januari 1657. Het duurt dan toch tot mei 1664 vooraleer zijn aandeel in het huis wordt verkocht aan Hendrick Laer en vrouw. (HGR inv.nr. 317-f.10 en f.130.)

"... sijn seste part in seecker hoffstadt mit den huijse daerop staende ende alle den toebehoorte gestaen ende gelegen binnen de stadt van Ruremonde, ontrent het midden van de Brughstraete recht tegenover het huijs van den heere Petrus Bossman..."

Nog juist binnen de termijn tekent brouwer Johan Cocx als buurman beschud aan op elf delen van het huis, waarvan het resterende twaalfde deel nog op naam staat van het minderjarige zoontje van voornoemde Diego Zorilla en Anna Maria Siceram. In september 1664 verkoopt ritmeester Johan van Schaeren de helft van het vierde deel, dan nog op naam van Magdalena Zorilla Angula, voor 469 rijksdaalders aan het echtpaar Cocx-Graess. (HGR inv.nr. 317-f.132.)

In mei 1664 werd het huis namens de erfgenamen te Brussel verkocht aan Hendrick Laer en vrouw. Binnen de termijn tekende Jan Cox naar aloud recht als buurman beschud aan. Daarbij stond zijn zoon Lenard borg. Beide huizen naast elkaar gelegen bleven ook na de aankoop afzonderlijk bewoond.

Het huis rechts had de brouwermeester al in 1631 middels aankoop verworven, hetgeen in 1638 nog eens bevestigd werd. Het huis van wijlen de wijnhandelaar Gerardt Cox volgde eerst een kwart eeuw later. Dat beide huizen nu op naam stonden van Jan Cox en Adriana Graes alias Katt, mag ertoe geleid hebben om hem te zien als oudste zoon van het echtpaar Cox-Bordels.

Nu blijkt hier nog weinig van over. Middels de doopgetuigen over en weer wordt Jan Cox gezien als zoon van Jan Cox in de Steeg en vrouw Gertrudis. Hun namen komen tevens voor in het kinderrijke gezin. Ook meerdere doopgetuigen wijzen in die richting.


... de brouwer Johan Cocx

Het huis in de Brugstraat ging over op Johan Cocx, zoon van Johan Cocx in de Steeg en vrouw Gertrui. Hij was in eerste huwelijk kort na 1620 getrouwd met Metgen Nijsen, de weduwe Simons in de Swalmerstraat. Uit dit huwelijk werden een meisje en een jongen geboren. Beiden zijn op jonge leeftijd gestorven. Mogelijk is de moeder in het kraambed van de jongste eind 1624 gestorven. Niet lang daarna hertrouwde Johan Cox met Adriana Graes, alias Catt, jongedochter van Johan Graess en Eva (Grommers). Haar familie stond vooral bekend als eigenaars van herberg en brouwerij De Kat op de Swalmerstraat. Daar was ook Katten-boomgaard in de Roermondse Weerd naar vernoemd.

Het echtpaar Cocx-Graes kreeg tussen 1626 en 1653 tien kinderen. In 1632 werd Jan Cocx nog genoemd als eigenaar van het huis in de Swalmerstraat, dat echter toekwam aan de kinderen Simons. In die tijd werd hij enkele keren brouwer genoemd. (Ter onderscheid van Jan Cocx, licentiaat.) Of hij het huis van Simons nog heeft aangehouden, of al naar zijn ouderlijk huis in de Brugstraat was verhuisd, wordt in de akten niet vermeld. Doopgetuige in 1627 bij het eerste kind uit dit tweede huwelijk was Sibert de Groot. Die woonde verderop in de Swalmerstraat. Maar de meune van de kleine Mechteld Cocx was toen Beel Maessen, de weduwe Truijtwein in de Brugstraat, ondertussen hertrouwd met Stoffer Cocx, volle neef van Gerardt Cocx.

Jan Cox is in het zogenaamde "groot huis" blijven wonen. Het huis ernaast (nr.12), voorheen De Sterre genoemd was verhuurd aan Peter Coolen. In 1677 woonde hier diens weduwe met twee kinderen. Achter het voorhuis, de winkel was de keuken en vervolgens drie kemers, elk met een schouw. Boven waren twee kamers, eveneens met schouw. Het geheel was overzolderd. (GAR, Oud-Archief inv.nr.965, visitatie van huizen ca.1677.)

Jan Cox (schrijfwijze anno 1675) en Adriana Graes hadden tijdens hun huwelijk meerdere akkers buiten de stad aangekocht. Achter bisschops-hof hadden zij een timmer- of schuur-plaats, die zij kort na de tweede stadsbrand aan het bisdom verkochten tot uitbreiding van de hof. Brouwermeester Cox stierf omstreeks 1680.

Het huis werd verkocht aan Francis Vlodrop en Gertrui Cox, eigenaars van de Marienborg in de Neerstraat. Een bekende brouwerij in die tijd. Naderhand werd het huis in de Brugstraat vererfd op hun dochter Gertrui.


Verwantschap van vader, zoon en dochter met de familie Segers van Loon

 

 

Peiburgemeester Johan Cox (1655-1726) was een zoon van brouwermeester Lenard Cox en Sophia Segers van Loon. Hij was dus een oomzegger van de verkoper. Zijn moeder alsook zijn vrouw en zijn schoonbroer stammen alle drie uit de familie Segers, die zich midden 17e eeuw Segers van Loon is gaan noemen. Van elk gaat de stamlijn terug naar zekere Jacob Segers, dan wel Seger Jacobs.

Na het overlijden van armenmeester Cox, staat het huis nog jarenlang onverdeeld op naam van de erfgenamen van zijn zoon wijlen kerkmeester Henricus Cox (1687-1729) uit diens huwelijk met Maria Catharina Smeets (1686-1749). In de huizenlijst uit 1779 stond het huis van J.J. Cox in de Brugstraat leeg. Jacob Joseph Cox (1722-1792) was getrouwd met Helena Fr. Clout, dochter van het echtpaar Clout-Vogels. Het gezin Cox-Clout woonde op de hoek van de Swalmerstraat en de Hegstraat.


vetgedrukt de opvolgende eigenaars (Brugstraat 10-12) binnen de familie Cox

Gertrui Vlodrop, geestelijke dochter in de Brugstraat.

 

 

 

 

 

Terwijl haar broers geregeld in geldnood zaten, ging het Gertruij van Vlodrop klaarblijkelijk beter af. Zij kocht het huis met de herberg St. Nicolaes in het Visserstraatje, en van haar ouders erfde zij het huis in de Brugstraat. Daar ging zij wonen.

"...seecker huijs, stallinge ende uijtganck achter in het straetjen ...soo ende gelijck als hetselve gelegen is alhier in de Brughstraet, ter eenre dat der erfgenaemen van wijlen den raedtsverwanter ende kerckmr. Joannes Cox ende den peijborgemr. Ramaeckers ter andere sijde gesitueert..."

In oktober 1738 stierf Gertrudis Vlodrop, geestelijke dochter. Daarna besloten haar erfgenamen om de goederen die zij naliet te verkopen, om de opbrengsten onderling te verdelen.

Het pand in de Brugstraat werd in januari 1740 omschreven als een huis met stalling en uitgang achter "in het straetje". (Lees: de gats.) De woning lag tussen de huizen van (oostwaarts) wijlen kerkmeester en raadslid Joannes Cox en (westwaarts) peiburgemeester Ramaeckers. Het huis werd door de erfgenamen verkocht aan Peter Lemmen en Maria Molleninex. Aankopers betaalden contant 305 pattacons. Daartoe namen zij een lening van 100 rijksdaalders op bij de raadsverwant Willem Zegers van Loon. (HGR inv.nr. 330-f.83v.)


Brugstraat 12 volgens kadaster 1843. De uitgang naar de gats is dichtgebouwd.
De erfgenamen waren vooreerst Johan Joris, namens zijn moeder Clara Vlodrop (1677-1746), weduwe van apotheker Andries Joris. Clara en haar broer Johan waren toen de enige twee nog in leven zijnde kinderen van wijlen het echtpaar Vlodrop-Cox. Johan, advocaat en raadsheer aan het Leenhof te Brussel, liet bij die gelegenheid (1739/40) niet van zich horen. Naderhand gaf hij wel nog volmacht aan zijn cosijn Pedro Luijtgens, om zijn aandeel in de herberg St. Nicolaes te verkopen.

Kort daarvoor had Petrus Luijtgens namens raadsheer Vlodrop te Brussel, diens overige goederen in Roermond verkocht. Hij was een zoon van Henricus Luytgens en Gertrudis Vlodrop, en de vader van W.J. Luytgens, naderhand kanselier van het Hof van Gelder te Roermond.

Ook was er een schrijven aangekomen van Johan Vlodrop, licentiaat in de medicijnen, vanuit de plaats Berge-St. Winoc (Sint-Winoksbergen bij Duinkerken). Hij gaf volmacht aan notaris Scheeven tot verkoop van de nagelaten goederen, te weten drie huizen en een morgen land van "ma tante Geurtrudt" en in 2/5 deel in het ouderlijk huis in de Neerstraat. (Hierover later meer.) Mogelijk hebben we hier te doen met neef Johan, geboren uit eerste huwelijk van Mathias Vlodrop met Maria M. Janssens.

Dan waren er de, niet met naam genoemde, minderjarige kinderen van wijlen Francis Vlodrop. Vanuit Hoorn kwam verder een schrijven van notaris Groen, namens Theodorus Flodrop, ruiter in de compagnie van ritmeester Kessler, en zijn echtgenote Elisabeth, met de instemming om het sterfhuis van hun tante in de Brugstraat te verkopen. (HGR inv.nr. 330-f.73.)

Nog geen maand later, in februari 1741, dus ruim binnen de termijn tekende Christiaen Cox, zoon van wijlen buurman en raadsverwant Johan Cox beschud aan. Daarmee keerde het huis, afkomstig van zijn groottante Gertrudis Cox, de weduwe Vlodrop, terug in de familie.

De lct. Christiaen J. Cox (1693-1761) was schepen te Roermond van 1720 tot 1739 en van 1757 tot zijn overlijden. Tussendoor is hij enkele keren tot regerend burgemeester aangesteld, een functie die toen nog van jaar tot jaar vergeven werd.

C.J. Cox trouwde in september 1717 met Ursula de Wagener, dochter van Jan Josef de Wagener en Anna E. Adenau. Het echtpaar kocht het klein huis op de Swalmerstraat (nr. 14) uit de nalatenschap van Pierre Mariat. Het gezin Cox-Wagener woonde in de riante stadswoning op de hoek van de Swalmerstraat met de Hegstraat.

1741: meester bakker Peter Joosten

Erg lang heeft het huis niet op naam van de licentiaat Cox gestaan. In oktober van datzelfde jaar 1741 verkocht het echtpaar Cox-Wagener hun pas verworven huis in de Brugstraat met de stalling en de uitgang in het gatske door aan meester-bakker Peter Joosten en Johanna van Hingen. De koopsom bedroeg 400 pattacons. De belening van 100 pattacons, het jaar daarvoor afgesloten, werd op de koopsom gekort. Tevens werd bedongen dat de buren (rechts) in het huis afkomstig van Hendrick Cox, het recht behielden van uitgang achterlangs in het gatske, zowel van mensen, beesten en goederen zoals vanouds gebruikelijk. (HGR inv.nr. 330-f. 319 e.v.)

Naderhand, in 1779, stond het huis nog steeds op naam van Peter Joosten en is via diens dochter Isabella, getrouwd met J.R. Beltiens overgegaan op hun schoonzoon Jacob Abels. Na het overlijden van zijn vrouw, stond het huis op naam van landbouwer Abels en zijn minderjarig zoontje Jan L. Abels. Met instemming van toeziend voogd, horlogier Herman P. Beltjens, werd het huis door notaris Milliard in juni 1808 openbaar verkocht aan de meestbiedende. De verkoop vond plaats in de herberg van Bailly op de Markt.


Links het aanplakbiljet voor Roermond e.o. Rechts het artikel in het Journal.

Er werd door de notaris veel werk gemaakt van deze verkoop. Niet alleen middels aankondigingen binnen de stad, maar ook in de omliggende plaatsen. Zelfs in het dagblad (Journal) van de Nedermaas werd de verkoop aangekondigd.

Het huis met zijn (nog bestaande) erfdienstbaarheid werd geschat op 2800 franken. Bij de verkoop in herberg Bailly op de Grote Markt was Willem Berger met 3000 de laatste en hoogste bieder, namens mevrouw Margareta Painsmay (ca.1754-1824), de weduwe Seipgens, koopvrouw in kruidenierswaren, ofwel winkelierster. (GAR, archief not. Milliard 7.262-111.)

Uit haar huwelijk met Joseph Seipgens werd zoon Jan Joseph geboren. Hij trouwde drie keer. Uit eerste huwelijk met Gertruy Mouwens volgde hun dochter Margaretha, die in april 1831 onder Huwelijkse Voorwaarden trouwde met Christoffel Sax.

Vier jaar eerder speelde een kwestie betreffende de erfgoederen van de weduwe Seipgens. Het huis in de Brugstraat werd door de "rechtbank van eerste aanleg" in Roermond in februari 1827 toegewezen aan Maria Agnes Janssens (1763-1834), weduwe van Johan Mathis Seipgens, en schoonzus van de overledene. Vervolgens werd het huis vererfd op haar zoon Hendrik Seipgens, brouwer. Deze bezat toen al de panden Brugstraat 4, 6, 8 en 10.

Het huidige pand nr. 12 kwam daar dus bij. Waarom de rechtbank deze beslissing had genomen, en waarom het huis niet aan de kleindochter van Margriet Painsmay werd toegewezen, staat niet in de akte vermeld.

In juli 1834 verkocht het brouwersechtpaar Seipgens-van den Broek het huis voor 4000 franken aan Maria Gruyters, winkelierster, weduwe van Jan Anton Janssen. Het erf werd omschreven als huis met achterkwartier in de Brugstraat, regenoten de remise (nr.10) van het groot huis van verkoper, en achterlangs uitkomend in het straatje (lees: de gats). Met het "groot huis" wordt hier bedoeld, voornoemde panden 6, 8 en 10, die in het kadaster van 1843 samen werden gemeten als een geheel onder perceel-nummer D.155. (GAR, archief not. Milliard 7.715-33.)

Maria Francisca Gruijters (ca.1786/87-1841) was geboortig van Gent. Zij trouwde in oktober te Roermond met Jan Anthon Janssens, zoon van het echtpaar Janssens-Eijsingen. (Zie: Brugstraat 14.) Zij was aldus een aangetrouwde tante van brouwer Seipgens.

1779: nr. 128 Peter Joosten; 1801: huisnr. 114 Jacob Abels; 1812: huisnr. 116 wed. Siepgens; 1821: D.180 wed. J.Siepgens; 1843: D.153 Maria Gruijters, w.v. J.A. Janssens, koopvrouw.